Bij besluit heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Portugal verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. De minister wijst er terecht op dat de door eiser aangehaalde artikelen over de samenwerking tussen Angola en Po...
ECLI:NL:RBDHA:2026:21689
text/xml
public
2026-08-05T07:53:05
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-08-03
NL26.20044 en NL26.20045
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
NL
Amsterdam
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21689
text/html
public
2026-08-04T09:29:49
2026-08-05
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:21689 Rechtbank Den Haag , 03-08-2026 / NL26.20044 en NL26.20045
Bij besluit heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Portugal verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. De minister wijst er terecht op dat de door eiser aangehaalde artikelen over de samenwerking tussen Angola en Portugal geen betrekking hebben op de asielprocedure en opvangsituatie in Portugal en evenmin zien op de persoonlijke situatie van eiser. Bovendien hebben de Portugese autoriteiten met het claimakkoord van 6 februari 2026 gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Het ligt op de weg van eiser om zich bij eventuele tekortkomingen te wenden tot de Portugese autoriteiten. Beroep ongegrond.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.20044 (beroep)
NL26.20045 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser]
, geboren op [geboortedatum] 1992, van Angolese nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. M. Terpstra),
en
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Bij besluit van 9 april 2026 (het overdrachtsbesluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Portugal verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.2.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door waarnemend gemachtigde mr. R.E. Brouwer en de gemachtigde van de minister. Omdat de tolk niet is verschenen, heeft de gemachtigde van eiser, mr. M. Terpstra, als tolk in de Engelse taal opgetreden.
Toepasselijk recht
2. Op 12 juni 2026 is de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) in werking getreden. Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom als eerste welk recht in deze zaak van toepassing is.
2.1.
Artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.
2.2
Het verzoek van eiser om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.
2.3.
Het besluit gaat ook over de toepassing van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Op grond van dat artikel kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Artikel 35, eerste lid, van de AMBV kent eenzelfde discretionaire bevoegdheid aan de lidstaten toe. In zoverre brengt de inwerkingtreding van de AMBV geen wijziging in de bevoegdheid van een lidstaat. Gelet op het hierna te bespreken nationale overgangsrecht, kan in het midden blijven of artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening van toepassing is onder de werking van artikel 84, tweede lid, van de AMBV of dat artikel 35 van de AMBV van toepassing is op grond van de onmiddellijke werking van de AMBV.
2.4.
Op grond van artikel IX van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 blijven – voor zover hier relevant – de voorschriften gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 van vóór 12 juni 2026 van toepassing. Dat betekent ook dat het beleid van de minister in C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 over de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening van toepassing blijft. Dit beleid geldt ook als artikel 35, eerste lid, van de AMBV van toepassing is.
2.5.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank bij de beoordeling van dit beroep uit van het beleid dat is opgenomen in C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals dat luidde voor 12 juni 2026.
Het bestreden besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen, de Dublinverordening. Op grond van deze verordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft op 21 oktober 2025 asiel aangevraagd. Uit EU-VIS is gebleken dat eiser een visum van Portugal heeft gekregen dat geldig was van 20 juli 2025 tot 24 augustus 2025. Dit visum was op het moment waarop eiser in Nederland asiel heeft aangevraagd nog geen zes maanden verlopen. Volgens artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening, is Portugal daarom verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag. Gelet hierop heeft Nederland op 8 december 2025 de autoriteiten van Portugal verzocht eiser over te nemen. Op 6 februari 2026 zijn de autoriteiten van Portugal hiermee akkoord gegaan.
3.1.
De minister ziet geen aanleiding om van de overdracht van eiser aan Portugal af te zien. Er zijn volgens de minister geen aanwijzingen dat de Portugese autoriteiten hun internationale verplichtingen niet nakomen en eiser daar een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest. Ten aanzien van Portugal kan nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Verder is er volgens de minister geen sprake van bijzondere individuele omstandigheden die aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen.
Wat vindt eiser in beroep
4. Eiser voert aan dat in zijn geval ten aanzien van Portugal niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat hij zeer actief is als activist tegen het Angolese regime. Hiertoe betoogt eiser dat de Portugal nauwe banden onderhoudt met het Angolese regime en dat zich in Portugal een grote Angolese gemeenschap bevindt, waaronder personen met banden met dat regime. Daarom kan volgens eiser niet zonder meer worden aangenomen dat de Portugese autoriteiten volledig onafhankelijk en zonder externe beïnvloeding zullen handelen. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser in beroep een verklaring van PLACA overgelegd, waarin wordt opgemerkt dat Portugal voor hem als politieke tegenstander van het Angolese regime geen veilige bestemming is, nu de risico’s daar mogelijk even groot zijn als in Angola. Daarnaast vreest eiser dat Portugal hem naar Angola zal uitzetten, met alle gevolgen van dien. Verder stelt eiser dat een overdracht een achteruitgang van zijn gezondheidstoestand met zich zal brengen. Als laatste voert eiser aan dat de minister toepassing dient te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
Het oordeel van de rechtbank
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen. Dit interstatelijk vertrouwen is weerlegbaar. Gelet hierop is het aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Portugal, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Portugese autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Van een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM zal, in het geval dat eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. De rechtbank merkt allereerst op dat eiser niet stelt dat in Portugal in het algemeen sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure of het opvangsysteem. Eiser voert wel aan dat hij als activistische Angolees niet veilig is, dat hij vreest te kunnen worden opgespoord door de Angolese veiligheidsdiensten in Portugal en dat de Portugese autoriteiten in zijn asielprocedure niet volledig onafhankelijk en zonder externe beïnvloeding zullen handelen. Deze stellingen acht de rechtbank onvoldoende. De minister wijst er terecht op dat de door eiser aangehaalde artikelen over de samenwerking tussen Angola en Portugal geen betrekking hebben op de asielprocedure en opvangsituatie in Portugal en evenmin zien op de persoonlijke situatie van eiser. Bovendien hebben de Portugese autoriteiten met het claimakkoord van 6 februari 2026 gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Het ligt op de weg van eiser om zich bij eventuele tekortkomingen te wenden tot de Portugese autoriteiten. De rechtbank merkt daarbij op dat dit eveneens geldt voor eisers stelling dat de Portugese autoriteiten geen bescherming kunnen bieden. Niet is gebleken dat het voor eiser niet mogelijk is om bescherming te vragen bij de Portugese autoriteiten of dat een dergelijk verzoek bij voorbaat zinloos zou zijn.
5.2.
Ten aanzien van eisers vrees om na overdracht aan Portugal te worden opgespoord door de Angolese veiligheidsdiensten, overweegt de rechtbank dat eiser deze vrees niet nader heeft onderbouwd. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag ervan worden uitgegaan dat de Portugese autoriteiten hun verdragsverplichtingen nakomen en dat zij eiser zullen beschermen tegen eventuele bedreigingen of druk door derden. Niet is gebleken dat het vragen om bescherming bij de Portugese autoriteiten niet mogelijk dan wel bij voorbaat zinloos is. Ook het door eiser overgelegde PLACA-rapport biedt hiervoor geen aanknopingspunten.
5.3.
Met betrekking tot de psychische problematiek van eiser overweegt de rechtbank als volgt. Uit het overgelegde patiëntendossier van 10 juli 2026 blijkt dat eiser niet kampt met suïcidale gedachten, maar wel sprake is van psychische problematiek. Uit het dossier volgt dat eiser verhoogd scoort op distress, depressie en angst. Daarnaast is sprake van klachten die onder meer bestaan uit angst voor bepaalde plekken en mensen, somberheid, piekeren en een onrustige slaap, waarbij eiser wordt geadviseerd om traumabehandeling te ondergaan. Ook ten aanzien van de zorg voor de gestelde medische problematiek mag de minister, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ervan uitgaan dat Portugal zijn verdragsverplichtingen nakomt. Daarbij mag de minister ervan uitgaan dat de medische voorzieningen in Portugal van vergelijkbare kwaliteit zijn als die in Nederland en dat deze voorzieningen voor eiser beschikbaar zijn. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat dit in zijn geval anders is.
Indirect refoulement
6. Nu de minister, gelet op het voorgaande terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Portugal, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling of eiser bij overdracht aan Portugal een reëel risico loopt op indirect refoulement. De Afdeling heeft immers in de uitspraak van 12 juni 2024, in navolging van het arrest van het Hof van 30 november 2023, geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, zolang een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de betreffende lidstaat sprake is van systeemfouten in de zin van het arrest Jawo. Portugal heeft met het claimakkoord gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen.
Arrest C.K.
7. Voor zover eiser ter zitting een beroep heeft gedaan op het arrest C.K., overweegt de rechtbank het volgende. Het is aan de vreemdeling om met objectieve medische gegevens de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aan te tonen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met het overgelegde medisch patiëntendossier van 10 juli 2026 geen medische gegevens ingebracht waaruit blijkt dat er een directe relatie bestaat tussen zijn medische klachten en de overdracht aan Portugal, dan wel waaruit kan worden afgeleid dat deze overdracht aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor zijn gezondheidstoestand zal hebben of kan hebben. Het patiëntendossier bevat, zonder afbreuk te doen aan de ernst van de daarin beschreven klachten, slechts een weergave van de anamnese en de gezondheidsproblemen van eiser, zoals opgesomd onder 5.3. Uit de overgelegde informatie blijkt niet dat een medisch deskundige een inschatting heeft gemaakt van de gevolgen die een overdracht aan Portugal voor de gezondheidstoestand van eiser zou kunnen hebben.
Artikel 17 Dublinverordening
8. Ten slotte is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van (andere) bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Portugal van onevenredige hardheid getuigt. De minister heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De door eiser aangevoerde omstandigheden en ervaringen in Portugal zijn reeds beoordeeld in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en behoeven daarom niet opnieuw te worden beoordeeld in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.De minister mag van eiser verwachten dat hij zich tot de Portugese autoriteiten wendt als hij daar problemen ondervindt.
9. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van eisers asielaanvraag in stand blijft.
9.1.
Omdat op het beroep is beslist, is er geen reden meer voor het treffen van de voorlopige voorziening.
9.2.
Eiser krijgt in beide zaken geen vergoeding van zijn proceskosten.
De rechtbank, in de zaak NL26.20044:
– verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.20045:
– wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen. (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
EU 2024/1351 en EU 2025/90929 rectificatie.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Europese Unie -Visum Informatie Systeem.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Plataforma Cazenga em Ação.
Zie het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:2359.
ECLI:EU:C:2023:934.
Arrest van het Hof van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860.