ECLI:NL:RBDHA:2026:21733
Somalië. Herkomst ongeloofwaardig. Beroep gegrond.
Rechtbank Den Haag 4 August 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21733
text/xml
public
2026-08-04T18:00:12
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-08-04
NL26.14241
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Groningen
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21733
text/html
public
2026-08-04T13:07:46
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:21733 Rechtbank Den Haag , 04-08-2026 / NL26.14241
Somalië. Herkomst ongeloofwaardig. Beroep gegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14241
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R. Balkenende),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2. Eiser heeft, samen met zijn grootouders en meervoudig gehandicapte zus, een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 maart 2026 de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026, samen met het beroep van zijn grootouders en zus, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, een voogd van Nidos, zijn grootouders en zus, hun gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser weet niet waar zijn ouders zijn en woont daarom bij zijn grootouders. Hij heeft altijd met zijn grootouders in Zuid-Somalië gewoond. Daar wordt veel gevochten en er zijn mensen die geweren dragen. Het is daar gevaarlijk. Er heeft ook een incident plaatsgevonden waarbij gemaskerde mannen het huis van eiser en zijn grootouders zijn binnengekomen. Later heeft eiser gezien dat de broer van zijn opa was neergeschoten. Eiser is bang om terug te gaan, het is niet veilig.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst en
Het incident waarbij de broer van opa is neergeschoten.
4.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit en nationaliteit geloofwaardig zijn. De herkomst van eiser wordt niet geloofwaardig geacht. Omdat een asielmotief slechts betekenis heeft tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst en de herkomst niet geloofwaardig is geacht wordt asielmotief 2. niet getoetst. De identiteit en nationaliteit van eiser maken niet dat hij een gegronde vrees voor vervolging, dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt. Omdat eiser onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn herkomst concludeert de minister dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond. Dat eiser zich niet onverwijld zou hebben gemeld wordt eiser niet meer tegengeworpen. De minister heeft ter zitting toegelicht dat het tweede asielmotief is omschreven als ‘het incident waarbij de broer van zijn opa is neergeschoten’, maar dat dit, net als bij zijn grootouders, neerkomt op ‘problemen met Al Shabaab’.
4.2.
Eiser en zijn familieleden hebben uitstel van vertrek gekregen tot 9 maart 2026 op grond van artikel 64 van de Vw.
Herkomst
5. Over de herkomst stelt eiser het volgende. Er wordt gesteld dat eiser niet de taal spreekt die overeenkomt met die van enige gangbare Somalische taalvariant in het gestelde herkomstgebied. Dit is volgens eiser niet juist. In de zienswijze heeft eiser al een kaartje overgelegd van ‘Translators without borders’ waarop te zien is dat er vier talen worden gesproken in het district Marka, waar eiser woonde. De meest gesproken taal is Benadiri Somalisch, deze taal wordt door 43% van de bevolking gesproken. Daarnaast wordt in dat gebied door 22% van de bevolking Noord-Somalisch gesproken, net als eiser. Dit heeft te maken met stamverhuizingen vanaf de jaren negentig. De taal die eiser spreekt is dus wel degelijk een gangbare Somalische taalvariant in het gestelde herkomstgebied. De minister heeft deze informatie niet voorgelegd aan het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT), maar enkel benoemd dat eiser niet uit Marka komt. Dat eiser niet uit Marka komt, klopt niet, zijn laatste woonplaats Shalanbood ligt in Marka. In beroep heeft eiser daarnaast ook van het district Banadir (Mogadishu) een kaartje overgelegd, voor dit district gelden vergelijkbare percentages van Noord-Somalisch sprekende mensen.
5.1.
Verder stelt eiser dat in de taalanalyse wordt verwezen naar een onderzoek van Lamberti uit 1986, dat is verouderd. In dit onderzoek is geen rekening gehouden met latere (stam)verhuizingen door de burgeroorlog en andere conflicten. Eiser verwijst naar verschillende bronnen. Het onderzoek van Lamberti geeft dus niet het juiste beeld van de op dit moment gesproken taal in het genoemde gebied weer. In de taalanalyse wordt enkel naar het onderzoek van Lamberti verwezen, niet naar andere bronnen. Door uit te gaan van de taalanalyse zonder voorgaande mee te nemen heeft de minister volgens eiser niet voldaan aan zijn vergewisplicht.
6. De minister stelt dat eiser en zijn familieleden wisselend hebben verklaard over zijn levensloop en woonplaats(en). Daarnaast wijst de taalanalyse uit dat de door eiser gestelde levensloop niet geloofwaardig is. De minister meent dat hij in beginsel uit mag gaan van het advies van de taalanalist van het TOELT. Ter zitting is door de minister toegelicht dat het door eiser ingediende kaartje niet is voorgelegd aan het TOELT omdat in een andere zaak al is gebleken dat de website waar eiser naar verwijst niet betrouwbaar is. Hier zijn geen nadere stukken over ingediend omdat dit pas zeer recent is komen vast te staan. Daarbij ging het in de andere zaak om een andere situatie die maar deels overeenkomt met deze zaak. Ook is ter zitting toegelicht dat de informatie uit 1986 en de bijbehorende kaarten die door Lamberti zijn opgesteld, nog steeds actueel zijn. Dit is bevestigd in een onderzoek uit 2018. De minister meent dan ook dat hij uit mocht gaan van het advies van het TOELT zodat de herkomst terecht niet geloofwaardig is bevonden. Daarbij heeft eiser ook wisselend verklaard over waar hij heeft gewoond.
7. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een asielmotief slechts betekenis heeft tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling en dat een verdere beoordeling van het asielrelaas niet kan worden verricht wanneer de vreemdeling deze elementen niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser stelt te zijn gevlucht uit Zuid-Somalië na problemen met Al Shabaab, maar de minister gelooft niet dat hij daar vandaan komt. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om zijn gestelde herkomst aannemelijk te maken. Eiser heeft geen documenten overgelegd ter staving van zijn herkomst. De minister kan een vreemdeling tegemoet komen bij de voldoening aan de op hem rustende verplichting om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken, als twijfel is gerezen aan de gestelde herkomst. Dit door in het kader van het onderzoek naar de nationaliteit, dan wel naar het land of de plaats van herkomst van de desbetreffende vreemdeling, een taalanalyse door het TOELT te laten uitvoeren.
7.1.
De rechtbank merkt op dat een advies van het TOELT een deskundigenadvies is aan de minister ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister aanneemt dat eiser de Somalische nationaliteit heeft en dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser geen Zuid-Somalisch dialect spreekt en dat de taalanalyse op dat punt ook niet door eiser wordt bestreden. Wel is tussen partijen in geschil of de minister er (met de taalanalist) terecht van uitgaat dat van eiser mag worden verwacht dat hij een Zuid-Somalisch dialect spreekt en, nu dat niet het geval is, de herkomst van eiser daardoor niet aannemelijk is.
7.3.
De taalanalist van het TOELT heeft geconcludeerd dat het Somalisch van eiser in geen enkel opzicht overeen komt met een Somalisch dialect zoals gangbaar is in de regio Shabeellaha Hoose en Benaadir (Zuid-Somalië), maar geheel overeenkomst met het Somalisch zoals dat gangbaar is in de omgeving van Laascaanood (Noord-Somalië). Het Somalisch strookt volgens de taalanalyse dus niet met wat gangbaar is in het door eiser gestelde herkomstgebied.
7.4.
Eiser heeft tegen de resultaten van het onderzoek geen contra-expertise ingebracht. Eiser heeft toegelicht dat hij zijn hele leven in Zuid-Somalië heeft gewoond. Eerst heeft hij bij zijn ouders gewoond en vanaf zijn tweede bij zijn grootouders, hij spreekt dan ook de taal die hij van zijn ouders en grootouders heeft geleerd. Daarbij wordt deze taal, het Noord-Somalisch, ook in de omgeving waar hij woonde gesproken. Eiser heeft ter onderbouwing van het taalgebruik in zijn woonomgeving twee kaartjes van ‘Translators without borders’(zie r.o. 5.1) overgelegd. Ook heeft eiser verwezen naar bronnen over de (recente) taalontwikkeling in Somalië waaruit volgens eiser volgt dat niet meer zonder meer uitgegaan kan worden van het onderzoek van Lamberti uit 1986. Zo is in een rapport van LandInfo waar eiser naar verwijst opgenomen: “Even though Somali dialects have not been the subject of systematic investigation after the 1980’s, one must, according to Martin Orwin, be allowed to assume that the civil war of 1991-1992 and the conflicts raging since then, have contributed to linguistic changes.”.In de taalanalyse is niet op het kaartje en de genoemde bronnen ingegaan omdat de minister deze informatie niet heeft voorgelegd aan het TOELT. Uit de aanwezige taalanalyse is niet op te maken of rekening is gehouden met (eventuele) taalontwikkelingen van na het onderzoek van Lamberti in 1986. De stelling van de minister dat uit stukken blijkt dat de website waar eiser naar verwijst onbetrouwbaar is en er tevens stukken zijn waaruit volgt dan nog steeds uitgegaan kan worden van het onderzoek van Lamberti is onvoldoende nu de minister deze stukken niet heeft overgelegd. Bovendien heeft eiser in de beroepsgronden terecht gesteld dat het TOELT weliswaar om een reactie is gevraagd op de zienswijze van 23 februari 2025, maar in de reactie van 24 februari 2025 niet inhoudelijk is ingegaan op andere door eiser aangehaalde bronnen.
7.5.
De rechtbank is van oordeel dat de door eiser ingebrachte informatie over de taalontwikkeling in Somalië, concrete aanknopingspunten voor twijfel bieden ten aanzien van het rapport van het TOELT. De minister heeft dan ook niet zonder nadere motivering op het advies af mogen gaan. Dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn herkomst en levensloop is, gelet op het referentiekader van eiser, onvoldoende om zijn herkomst alleen daarom al ongeloofwaardig te achten. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiser pas twee jaar nadat hij in Nederland was aangekomen is gehoord. Gelet op zijn leeftijd is twee jaar een lange tijd. Ook is eiser in Somalië niet naar school geweest, enkel kort naar de Koranschool. Dat eiser heeft verklaard dat hij altijd in hetzelfde huis heeft gewoond en niet heeft verklaard dat hij op tweejarige leeftijd een keer is verhuisd, kan dan ook niet worden tegengeworpen. Dit geldt ook voor het feit dat eiser de naam van het park in de buurt of de munteenheid niet kan noemen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het beroep is gegrond.
Artikel 8 EVRM
8. Eiser stelt dat zijn banden en worteling met Nederland niet zijn meegewogen in de beoordeling. Ter zitting is hierover toegelicht dat eiser nu al drie jaar in Nederland verblijft, hij hier naar school gaat en de Nederlandse taal spreekt. Eiser en zijn zus hebben hier een leven opgebouwd, dit moet ambtshalve worden meegenomen in de beoordeling.
8.1.
Op grond van artikel 3.6a, eerste lid, sub a, van het Vreemdelingenbesluit toetst de minister bij een afwijzing van de eerste asielaanvraag of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM). De minister heeft toegelicht dat dit ambtshalve is getoetst.
8.2.
De rechtbank kan eiser volgen in het punt dat onder het kopje in het voornemen over de ‘verblijfsvergunning regulier’ onvoldoende is ingegaan op de situatie van eiser. Dit is echter onder het kopje ‘Belangen van het kind’ in het voornemen en de beschikking aangevuld. Daar wordt meegewogen dat eiser in Nederland naar school gaat en de taal al behoorlijk machtig is. Dit wordt afgewogen tegen het feit dat eiser het grootste deel van zijn leven in Somalië heeft gewoond, daar ook naar school is geweest, de taal spreekt, zijn familie- en clangenoten Somalisch zijn en over het geheel genomen zijn banden met Somalië sterker zijn dan met Nederland. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat de banden van eiser met Nederland niet zijn getoetst. De minister heeft getoetst of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier in het kader van artikel 8 van het EVRM. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Adequate opvang
9. Eiser stelt dat er terecht onderzoek wordt gedaan naar adequate opvang voor hem. Er wordt echter benoemd dat bij dit onderzoek wordt betrokken dat zijn grootouders wellicht op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet niet kunnen terugkeren naar Somalië. Het feit dat de grootouders van eiser wellicht door de samenhangende beroepsprocedure niet kunnen terugkeren wordt echter niet betrokken. Dit is onzorgvuldig.
9.1.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. De Afdeling heeft geoordeeld dat de minister zo spoedig mogelijk na het indienen van een asielverzoek door een minderjarige moet onderzoeken of er in het land van herkomst adequate opvang beschikbaar is. De minister moet ernaar streven om dit onderzoek tijdens de beoordeling van de asielaanvraag af te ronden, maar mag een besluit op de asielaanvraag loskoppelen van een besluit over terugkeer als dit onderzoek op dat moment nog niet is afgerond. In dit geval is het onderzoek nog niet afgerond. Mocht de uitkomst van het beroep van eiser zijn grootouders zijn dat zij niet kunnen terugkeren naar Somalië dan ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat dit niet zal worden betrokken in het onderzoek naar adequate opvang. Er wordt immers gesproken over adequate opvang door de grootouders in het land van herkomst. In het geval eisers grootouders niet terug zullen keren naar Somalië zullen zij daar ook geen adequate opvang kunnen bieden. Wanneer blijkt dat er geen sprake is van adequate opvang in het land van herkomst, zal de minister een reguliere verblijfsvergunning verlenen. In het bestreden besluit is opgenomen dat eiser rechtmatig verblijf heeft gedurende het onderzoek naar adequate opvang. De minister heeft op dit punt in overeenstemming met de rechtspraak gehandeld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
10. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
10.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
10.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. Er heeft in de zaken van eiser, zijn zus en zijn grootouders slechts één zitting plaatsgevonden. De kosten voor het deelnemen aan de zitting zijn reeds vergoed middels de uitspraak in de zaak van eiser zijn grootouders. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
De rechtbank:
– verklaart het beroep gegrond;
– vernietigt het bestreden besluit van 9 maart 2026;
– draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
– veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
NL26.14239 en NL26.14240.
NL26.14242.
Vreemdelingenwet 2000.
De minister heeft toegelicht dat het gaat om het vervolg naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 4 februari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:3082).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:292 (https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@106531/201509277-1-v2/)), recent bevestigd in de uitspraak van 23 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3558).
Zie ook werkinstructie (WI) 2022/4 Herkomstonderzoek in asielzaken (per 12 juni 2026 WI 2026/10).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1570).
Report Somalia: Language situation and dialects, LandInfo van 22 juli 2011, pag. 17.
Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530; ECLI:NL:RVS:2022:1531 en ECLI:NL:RVS:2022:1532.