Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:21738

Gambia, artikel 3.106a, eerste en tweede lid, van het Vb 2000, veilig derde land, beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag 4 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:21738
text/xml
public
2026-08-04T14:48:06
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-07-30
NL25.58145 en NL25.58146
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Arnhem
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21738
text/html
public
2026-08-04T14:46:55
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:21738 Rechtbank Den Haag , 30-07-2026 / NL25.58145 en NL25.58146

Gambia, artikel 3.106a, eerste en tweede lid, van het Vb 2000, veilig derde land, beroep ongegrond.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.58145 en NL25.58146

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

[eiseres]
, v-nummer: [nummer] , eiseres

en hun minderjarige kinderen

[eisers] , v-nummer: [nummer] ,

[eisers] , v-nummer: [nummer] ,

samen eisers

(gemachtigde: mr. M.O. Wattilete),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. C.R. Stoute).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvragen van eisers. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan, die de rechtbank hierna beoordeelt.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvragen van eisers in stand kan blijven. De minister heeft namelijk terecht overwogen dat Gambia voor eisers kan worden aangemerkt als een veilig derde land. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

2. Eisers hebben een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 20 november 2025 deze aanvragen niet-ontvankelijk verklaard.

2.2

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De rechtbank heeft de beroepen op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Het asielrelaas

3. Eisers hebben de Sierra Leoonse nationaliteit. Eiser is in 2013 gevlucht uit Sierra Leone om de volgende reden. Eiser heeft als automonteur de sleutels van zijn baas gekregen van een auto, waar vervolgens een ongeluk mee heeft plaatsgevonden waarbij een vrouw om het leven is gekomen. Eiser wordt als dader van dit ongeluk aangemerkt en zijn oude werkgever en de familie van de omgekomen vrouw willen hem vermoorden. Na zijn vertrek uit Sierra Leone heeft eiser afwisselend in Gambia en in Senegal verbleven. Eiser verbleef hier legaal omdat hij een ECOWAS-burger is. Eiser heeft Gambia verlaten omdat er veel mensen uit Sierra Leone kwamen en hij dacht dat die misschien behoorden tot de familie van de overleden vrouw. Eiseres is in 2019 uit Sierra Leone vertrokken vanwege een probleem. Zij ging eerst naar Guinee en is vervolgens doorgereisd naar Gambia. In 2020 hebben eiser en eiseres elkaar in Gambia leren kennen. Zij hebben vervolgens zo’n zeven maanden samengewoond in Gambia voordat zij naar Europa zijn vertrokken. Eiseres verbleef legaal in Gambia.

De bestreden besluiten

4. De asielaanvragen van eisers zijn bij afzonderlijke besluiten van 20 november 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat Gambia voor eisers als veilig derde land kan worden aangemerkt, waarbij het aannemelijk is dat ze opnieuw tot Gambia worden toegelaten. Ook neemt de minister aan dat zij een band hebben met Gambia. De minister concludeert daarom dat de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk zijn op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw 2000, zoals dat luidde tot 12 juni 2026. Er wordt daarom niet toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas en de asielgronden van eisers waarom zij niet terug zouden kunnen keren naar Sierra Leone.

Beoordelingskader

5. De minister kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren, indien een derde land voor de vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd. In artikel 3.106a, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zijn de toetsingscriteria neergelegd waaraan voldaan moet zijn. In artikel 3.37e van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) staat vermeld welke informatiebronnen moeten worden geraadpleegd bij de beoordeling of een derde land een veilig derde land is. Verder heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in verschillende uitspraken uiteengezet hoe de minister moet vaststellen of een land voor een vreemdeling een veilig derde land is. De minister dient eerst te beoordelen of een vreemdeling een zodanige band heeft met derde land dat het redelijk is om daar naar toe te gaan. Als tweede moet de minister beoordelen of het aannemelijk is dat de vreemdeling wordt toegelaten tot dat land. Tot slot moet de minister beoordelen of de vreemdeling in het betreffende land volgens de beginselen, genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000, zal worden behandeld.

5.1.

Tussen partijen is in geschil of Gambia als een veilig derde land kan worden aangemerkt. De rechtbank beoordeelt de door eisers aangevoerde beroepsgronden aan de hand van het hierboven weergegeven beoordelingskader.

Hebben eisers een zodanige band met Gambia dat het redelijk is dat zij terugkeren?

Toetsingskader

6. In het tweede lid van artikel 3.106a van het Vb 2000 is bepaald dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd slechts niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Vw 2000, indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn om naar dat land te gaan. In het derde lid is bepaald dat bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerdere verblijf. In paragraaf C2/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is opgenomen dat de IND onderzoekt of de vreemdeling een zodanige band heeft met het derde land dat het van de vreemdeling redelijkerwijs verwacht mag worden dat hij naar dat land gaat. De IND neemt in ieder geval aan dat de vreemdeling een band heeft met een derde land als de vreemdeling eerder in dat land heeft verbleven. Uit Informatiebericht (IB) 2021/8 volgt dat een band met een derde land wordt aangenomen bij verblijf van minimaal een half jaar.

7. Eisers betogen dat hun asielaanvragen ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard, omdat zij geen zodanige band hebben met Gambia dat het voor hen redelijk zou zijn om naar dat land terug te gaan. Er wordt niet voldaan aan de redelijkheidstoets van artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000.

Band eiser met Gambia

8. Volgens eiser neemt de minister voor hem ten onrechte aan dat hij een band heeft met Gambia. De minister heeft de aard, duur en omstandigheden van het verblijf van eiser in Gambia namelijk ondeugdelijk gewogen, waardoor het voor hem niet redelijk is om terug te gaan naar Gambia. Dat eiser afwisselend in Gambia en Senegal heeft verbleven, maakt juist dat uit de aard van het verblijf volgt dat eiser niet permanent op één locatie durfde te blijven. De duur van het aaneengesloten verblijf was slechts zeven maanden in de periode januari tot juli 2020. Verder heeft de minister ten onrechte overwogen dat eiser in Gambia mensen kent en daar een sociaal netwerk heeft. Uit IB 2021/8 volgt weliswaar dat een band met een derde land wordt aangenomen bij verblijf van minimaal een half jaar, maar dat betekent niet dat een dergelijk verblijf automatisch voldoende is voor de redelijkheidstoets.

8.1.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser een zodanige band heeft met Gambia dat het voor hem redelijk is om naar Gambia terug te keren. Om te beginnen heeft eiser verklaard dat hij gedurende zeven jaar, tussen 2013 en 2020, afwisselend in Gambia en in Senegal heeft verbleven. Verder heeft eiser verklaard dat hij in 2020 zeven maanden in Gambia heeft verbleven. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat de band van eiser met Gambia niet enkel is gebaseerd op het verblijf van zeven maanden in 2020. De minister mocht deze band ook baseren op het totale verblijf van eiser in Gambia tussen 2013 en 2020. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiser heeft verklaard dat hij het grootste gedeelte van de tijd in Gambia heeft verbleven. De rechtbank gaat er daarom in ieder geval vanuit dat eiser in de periode van 2013 tot 2020 meermaals in Gambia heeft gebleven, en in ieder geval eenmaal voor een aaneengesloten periode van in ieder geval een half jaar. Daarbij volgt de rechtbank ook het standpunt van de minister dat eiser in Gambia wel degelijk beschikte over een sociaal netwerk. Eiser heeft immers verklaard dat hij in Gambia mensen kende. Ook heeft hij verschillende werkzaamheden verricht, waaronder het verkopen van koeienhuid op de markt. Hieruit maakt de minister terecht op dat eiser in ieder geval voor het kunnen uitvoeren van dit werk goed contact moet hebben gehad met mensen in Gambia. Ook heeft eiser in Gambia contact gehad met een vrouw die in dezelfde compound als eiser woonde. Zij heeft hem in contact gebracht met zijn vrouw, eiseres. Dat duidt eveneens op een sociaal netwerk. Gelet op de duur van het verblijf van eiser in Gambia en de omstandigheden dat eiser werk had in Gambia, dat hij daar een woning had en een sociaal netwerk, heeft de minister terecht aangenomen dat eiser een zodanige band heeft met Gambia dat het redelijk is dat hij terugkeert. De beroepsgrond slaagt niet.

Band eiseres met Gambia

9. Eiseres betoogt dat het voor haar niet redelijk is om terug te keren naar Gambia omdat zij gelet op de aard, duur en omstandigheden van haar verblijf geen zodanige band heeft met dat land. Daarbij is volgens eiseres van belang dat de minister in het bestreden besluit heeft erkend dat eiseres slechts zes maanden in Gambia heeft verbleven, namelijk van januari tot juli 2020. Vervolgens stelt de minister zich ten onrechte op het standpunt dat eiseres via haar partner een sociaal netwerk in Gambia had. Deze redenering is volgens eiseres in strijd met artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000. De wettelijke toets ziet namelijk op de band die de vreemdeling heeft met het derde land, niet de band die de partner van de vreemdeling heeft. Ook is het netwerk van eiser geen substituut voor een eigen netwerk en bestaat het netwerk van eiser voornamelijk ook werkcontacten, zodat eiseres dit netwerk niet kan gebruiken. Daarnaast wordt ten onrechte gesteld dat eiseres zich in Gambia gedurende zes maanden staande kon houden omdat zij daar kon wonen en werken. Er was namelijk sprake van overleven en niet van een redelijke band.

9.1.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat ook eiseres een zodanige band heeft met Gambia dat het voor haar redelijk is om daarnaar terug te keren. Allereerst stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiseres een half jaar in Gambia heeft verbleven. Ze heeft daar kunnen wonen en ook kunnen werken. Eiseres heeft daar gewerkt als schoonmaker en heeft daarnaast vlees kunnen verkopen en heeft zo in haar levensonderhoud kunnen voorzien. Volgens de minister kan niet worden ingezien waarom eiseres niet gebruik kan maken van het sociaal netwerk van eiser als ze beiden moeten terugkeren naar Gambia. Daarbij heeft de minister op de zitting terecht het standpunt ingenomen dat ook het ontbreken van een sociaal netwerk geen doorslaggevend betekenis heeft, of maakt dat er geen band bestaat met Gambia gelet op de tijd dat ze daar gewoond en gewerkt heeft. De beroepsgrond slaagt niet.

Is het aannemelijk dat eisers opnieuw worden toegelaten tot Gambia?

10. Eisers betogen daarnaast dat de minister ten onrechte de bewijslast omkeert terwijl het aan de minister is om aannemelijk te maken dat eisers wordt toegelaten tot Gambia. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 juni 2024. De minister heeft ten onrechte niet onderzocht of het consulaat-generaal Sierra Leone reisdocumenten verstrekt aan personen die asiel claimen in de EU. Evenmin is onderzocht of Gambia personen zonder documenten die jaren geleden zijn vertrokken naar de EU en daar asiel hebben verzocht, zal toelaten.

10.1.

De rechtbank overweegt dat het in eerste instantie aan de minister is aannemelijk te maken dat eisers toegang hebben tot Gambia. Het gaat hierbij om de mogelijkheid dat eisers toegang krijgen tot Gambia, het hoeft niet vast te staan dat aan eisers toegang wordt verleend. Vervolgens is het aan eisers om met tegenbewijs te komen door voldoende twijfel te zaaien dat de door de minister geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot Gambia in hun geval niet aanwezig zijn. Daarnaast is het aan eisers om inspanningen te verrichten om daadwerkelijk te worden toegelaten tot Gambia, tenzij niet van hen kan worden verlangd dat zij opnieuw proberen toegang tot en verblijf in dat land te krijgen.

10.2.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat het aannemelijk is dat eisers opnieuw worden toegelaten tot Gambia. Niet in geschil is dat eisers eerder toegang hadden tot Gambia. Dat eisers geen papieren meer hebben maakt niet dat zij geen nieuwe papieren meer kunnen verkrijgen via het consulaat-generaal van Sierra Leone in Den Haag. Eisers hebben eerder allebei een ‘permit’ gekregen voor verblijf in Gambia. Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat voor toegang tot Gambia geen vooraf vanuit Nederland aangevraagd visum is vereist en dat, indien eisers als onderdanen van een ECOWAS-lidstaat worden aangemerkt, zij in beginsel vrij kunnen reizen. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken waarom het feit dat eisers vanuit Europa naar Gambia reizen aan hun toelating in de weg zou staan. De enkele stelling dat de Gambiaanse autoriteiten op de hoogte zouden kunnen raken van hun asielaanvraag is daarvoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.

Worden eisers in Gambia behandeld overeenkomstig de beginselen van artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000?

11. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van een aantal informatiebronnen zoals genoemd in artikel 3.37e van het VV 2000 Gambia een veilig derde land is. Vreemdelingen worden in dat land behandeld op basis van de beginselen als genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000.

Risico op vrouwenbesnijdenis

12. Eisers betogen dat Gambia voor hen niet kan worden aangemerkt als een veilig derde land. Het is voor hen als gezin niet veilig om naar Gambia terug te keren vanwege het risico op vrouwenbesnijdenis van hun minderjarige dochter. Artikel 3.106a, eerste lid van het Vb 2000 vereist dat in het derde land het leven en de vrijheid niet worden bedreigd door lidmaatschap van een bepaalde sociale groep en dat er geen risico mag bestaan op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000. Vrouwenbesnijdenis, Female Genital Mutilation (FGM) is internationaal erkend als vervolgingsgrond. Verder betogen eisers dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het feit dat eisers in Gambia geen familie hebben, maakt dat er geen risico bestaat op vrouwenbesnijdenis voor hun minderjarige dochter omdat hiermee de systemische aard van FGM wordt miskend. Eiseres heeft dit namelijk zelf meegemaakt toen zij op 18/19-jarige leeftijd zonder voorbereiding of informatie onverwachts is besneden. Zij heeft daardoor psychische klachten, gebruikt daarvoor medicatie en krijgt psychologische hulp. Ook is deze redenering van de minister in strijd met eigen bronmateriaal van de minister, namelijk het Rapport Gambia Vrouwelijke genitale verminking van januari 2022 waaruit volgt dat niet alleen de familie FGM uitvoert, maar ook de gemeenschap. Dat er in Gambia een formeel verbod geldt maakt evenmin dat de minderjarige dochter geen gevaar loopt. De minister had moeten onderzoeken of het verbod op FGM in Gambia effectief wordt gehandhaafd, hetgeen ten onrechte is nagelaten.

13.1.

Ter onderbouwing van het betoog dat hun minderjarige dochter bij terugkeer naar Gambia een reëel risico loopt op vrouwenbesnijdenis hebben eisers verwezen naar verschillende bronnen. Ze verwijzen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 13 juli 2017 en van zittingsplaats Arnhem van 30 augustus 2024 over het risico op vrouwenbesnijdenis in Sierra Leone en van de voorzieningenrechter van zittingsplaats Amsterdam van 18 februari 2009 over de situatie in Burkina Faso. Ook verwijzen zij naar een uitspraak van de Afdeling van 26 september 2013 over het risico op vrouwenbesnijdenis in Sierra Leone en de Afdelingsuitspraak van 20 juli 2016.

13.2.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat eisers niet terug kunnen keren naar Gambia vanwege een vrees voor vrouwenbesnijdenis van hun minderjarige dochter. De minister stelt namelijk terecht dat vrouwenbesnijdenis volgens de wet in Gambia verboden is. Het klopt weliswaar dat er gesproken zou zijn over een wetsvoorstel dat dit verbod op vrouwenbesnijdenis zou opheffen, maar dit voorstel is met een grote meerderheid weggestemd. Met betrekking tot de handhaving van dit verbod op vrouwenbesnijdenis volgt uit het US DoS rapport dat er in Gambia nog steeds vrouwen worden besneden en dat dit niet snel wordt gerapporteerd omdat het vaak om familieleden gaat. De minister stelt echter terecht dat eisers in Gambia geen familieleden hebben wonen. Eiseres heeft hiertegen ingebracht dat zij zelf op haar 18/19e levensjaar onverwacht in Sierra Leone is besneden en dat hieruit volgt dat ook volwassen vrouwen zonder voorbereiding of toestemming besneden kunnen worden. De minister heeft hierover echter terecht gesteld dat de situatie van eiseres destijds anders was dan de situatie van haar minderjarige dochter bij terugkeer naar Gambia. Eiseres woonde ten tijde van haar gedwongen besnijdenis immers in Sierra Leone waar geen wetgeving tegen vrouwenbesnijdenis is. Daarnaast waren haar ouders voorstanders van de besnijdenis, terwijl eisers fel tegen de besnijdenis van hun dochter zijn en anders dan de ouders van eiseres niet menen dat dit bij de traditie hoort. Eisers hebben weliswaar verklaard dat zij vrezen dat hun minderjarige dochter in Gambia wordt besneden, maar zij hebben deze vrees niet met concrete en op Gambia toegespitste informatie onderbouwd. De door eiseres aangehaalde uitspraken hebben betrekking op Sierra Leone en Burkina Faso, terwijl zij terug moeten keren naar Gambia. De vrees dat hun dochter in de toekomst mogelijk door haar schoonfamilie of de gemeenschap wordt gedwongen tot vrouwenbesnijdenis, mocht de minister terecht aanmerken als een onzekere toekomstige gebeurtenis. Eisers hebben gesteld dat de informatie waarnaar de minister verwijst verouderd is, maar de minister heeft aanvullend terecht het standpunt ingenomen dat in Gambia voornamelijk de oudere vrouwen in het gezin of de gemeenschap, zoals de tantes of oma’s, bepalen of een meisje besneden zal worden. Deze bron uit 2022 is het meest recent, nu er geen nieuwere informatie bekend is, zodat moet worden aangenomen dat de situatie onveranderd is. Verder heeft de minister ten aanzien van het standpunt van eisers dat de minister de effectiviteit van het FGM-verbod sinds 2025, het wetsvoorstel tot opheffing van het verbod, de beschikbaarheid van concrete beschermingsmechanismen in Gambia en de toegankelijkheid van de bescherming voor personen zonder sociaal netwerk niet heeft beoordeeld, terecht gesteld dat die beoordeling niet relevant is omdat ze zien op bescherming van personen die daadwerkelijk het risico lopen om gedwongen besneden te worden, terwijl voor de dochter van eisers een dergelijk risico in Gambia niet bestaat.

14. Eisers betogen verder dat de minister ten onrechte het belang van hun minderjarige dochter niet deugdelijk heeft betrokken bij de besluitvorming. De minister heeft enkel gesteld dat het in het belang is van de minderjarige dochter om bij haar ouders te zijn. Daarmee miskent de minister dat het belang van de dochter verder gaat dan het fysiek bij haar ouders zijn, het omvat ook de bescherming tegen ernstige schade. Dat de dochter van eisers als baby niet bewust meekrijgt dat zij in Nederland woont en dus ook geen band heeft met Nederland, is volgens eisers irrelevant. Van belang is de objectieve bedreiging van haar welzijn, veiligheid en fysieke integriteit. Daaruit volgt dat de minister het zeer aanzienlijke en aannemelijke risico op vrouwenbesnijdenis voor hun dochter niet heeft afgewogen.

14.1.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de belangen van de minderjarige dochter van eisers wel degelijk voldoende door de minister betrokken en gewogen. Zij is een baby van zes maanden, is hier geboren en heeft haar hele leven in Nederland gewoond. Dat maakt niet dat zij gezien haar leeftijd een zodanige band met Nederland heeft opgebouwd dat terugkeer naar Gambia daarom onredelijk is of dat daarmee haar belangen wordt geschaad. De minister heeft terecht gesteld dat zij vanwege haar leeftijd waarschijnlijk weinig bewust zal meekrijgen van haar vertrek uit Nederland. Daarnaast heeft de minister terecht van belang geacht dat zij samen met haar ouders naar Gambia zal terugkeren. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat het belang van hun dochter zich verzet tegen terugkeer vanwege het risico op vrouwenbesnijdenis, verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 13.2 is overwogen. Daaruit volgt dat niet aannemelijk is gemaakt dat de dochter van eisers bij terugkeer naar Gambia een reëel risico loopt op vrouwenbesnijdenis. De minister hoefde dit aspect daarom niet als een beletsel voor terugkeer aan te merken.

Auto-ongeluk

15. Eiser betoogt dat de minister niet heeft beoordeeld of het auto-ongeluk in 2013 waar eiser verantwoordelijk voor wordt gehouden een gegronde vervolgingsgrond oplevert in Gambia. Volgens eiser had de minister dit op grond van artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 moeten beoordelen.

15.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Gambia vanwege het auto-ongeluk in Sierra Leone een gegronde vrees voor vervolging heeft. Daarbij heeft de minister terecht gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Gambia te vrezen heeft voor problemen vanwege het veroorzaakte auto-ongeluk in Sierra Leone. Eiser heeft in al die jaren geen problemen ondervonden vanwege dit ongeluk. Eiser verbleef wisselend in Gambia en in Senegal, maar wel telkens op dezelfde plek. Dat eiser naar dezelfde plek terugkeert duidt niet op een aannemelijke en concrete vrees voor zijn leven. Daarbij komt ook dat het ook niet logisch is dat eiser wordt gezocht vanwege het ongeluk, omdat hij slechts getuige was van het ongeluk, hij bestuurde de auto niet.

Sekswerker

16. Eiser heeft in de aanvullende gronden van 4 februari 2026 naar voren gebracht dat hij niet terug kan keren naar Gambia omdat hij als sekswerker voor homoseksuele toeristen heeft gewerkt en als gevolg daarvan in Gambia gevaar loopt.

16.1

De minister heeft zich hierover terecht op het standpunt gesteld dat een dag voor de zitting inbrengen van deze verklaring door eiser en het niet hebben van een verschoonbare reden daarvoor op voorhand afbreuk doet aan de geloofwaardigheid daarvan, waarbij tevens van belang is dat deze verklaring van eiser aanzienlijk afwijkt van eisers eerdere verklaringen. De minister heeft verder terecht gesteld dat de verklaring van eiser vaag en weinig gedetailleerd is en dat de vrees slechts gebaseerd is op vermoedens, zodat deze verklaring niet aannemelijk maakt dat Gambia voor eiser geen veilig derde land is.

Bedreigingen ex partner

17. Eiseres heeft aangevoerd dat de minister verzuimd heeft te beoordelen of de bedreiging van haar ex-partner, als gevolg waarvan zij in 2019 Sierra Leone heeft verlaten een gegronde vrees voor vervolging oplevert in Sierra-Leone.

17.1.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt dit betoog niet. Nu de minister heeft gesteld dat Gambia een veilig derde land is en de asielaanvraag om die reden niet inhoudelijk heeft beoordeeld, wordt aan de beoordeling van de gestelde vervolgingsgronden in Sierra Leone niet toegekomen.

Conclusie

18. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat Gambia een veilig derde land is voor eisers.

19. De minister heeft de aanvragen terecht niet-ontvankelijk verklaard.

De beroepen zijn is ongegrond. Dat betekent dat eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay-Cenik, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Een ECOWAS-burger is een inwoner van een lidstaat van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS).

Zoals dat gold tot 12 juni 2026.

Zie de uitspraken van 13 december 2017 met nummers ECLI:NL:RVS:2017:3378, ECLI:NL:RVS:2017:3380 en ECLI:NL:RVS:2017:3381.

Zoals dat luidde tot 12 juni 2026.

Zoals dat luidde tot 12 juni 2026.

Zoals dat luidde tot 12 juni 2026.

Pagina 7 en 8 van het nader gehoor.

Pagina 8 van het nader gehoor.

Pagina 7 van het nader gehoor.

Zoals dat luidde tot 12 juni 2026.

Rb. Den Haag, zp. Arnhem 4 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:8914.

Zie bijvoorbeeld uitspraak van de Afdeling van 17 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1480, r.o. 6.

De minister heeft verwezen naar IB 2019/118 Gambia als veilig derde land.

Zoals dat gold tot 12 juni 2016.

Zoals dat gold tot 12 juni 2026.

ECLI:NL:RBDHA:2017:8484.

ECLI:NL:RBDHA:2024:14340.

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH5433.

ECLI:NL:RVS:2013:1318.

ECLI:NL:RVS:2016:2040.

Waarbij de minister in het besluit verwijst naar: https://www.state.gov/reports/2020-country-reports-on-human-rights-practices/gambia/, pagina 12.

Rapport Gambia Vrouwelijke genitale verminking (FGM), januari 2022.

Rapport Gambia Vrouwelijke genitale verminking (FGM), januari 2022, pagina 24, 25, onder 4.4.

Artikel delen