kort geding, opheffing conservatoire derdenbeslagen ivm schendng artikel 21 Rv
ECLI:NL:RBDHA:2026:21759
text/xml
public
2026-08-05T08:05:35
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-06-04
704041
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
Kort geding
NL
Den Haag
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21759
text/html
public
2026-08-05T08:05:17
2026-08-05
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:21759 Rechtbank Den Haag , 04-06-2026 / 704041
kort geding, opheffing conservatoire derdenbeslagen ivm schendng artikel 21 Rv
Team handel – voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/704041 / KG ZA 26/441
Vonnis in kort geding van 4 juni 2026
in de zaak van
2. Kirthar Pakistan B.V. te Den Haag,
eiseressen,
advocaat mr. C.F.W.A. Hamm te Rotterdam,
tegen:
2. Spud Energy PTY Limited te Islamabad, Pakistan,
gedaagde 1 en 2,
advocaat mrs. B.A. Boersma en M.G.T. Boer te Rotterdam,
en
gedaagde 3,
advocaat mrs. C.F. Klooster en H.P. Kasteel te Amsterdam.
Partijen worden hierna afzonderlijk aangeduid als ‘Kufpec’, ‘Kirthar’, ‘FHL’, ‘Spud’ en ‘PEL’. Eisers worden hierna gezamenlijk aangeduid als Kufpec c.s. Gedaagde 1 en 2 worden hierna gezamenlijk aangeduid als FHL c.s.
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaardingen met producties 1 tot en met 19;
– de door FHL c.s. overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7;
– de door PEL overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 22;
– de akte overlegging producties van FHL c.s. met producties 8 tot en met 10;
– de door Kufpec c.s. overgelegde aanvullende producties 20 en 21;
– de akte overlegging aanvullende producties van PEL met producties 23 tot en met 27;
– de door Kufpec c.s. overgelegde aanvullende productie 22;
– de akte overlegging producties van FHL c.s. met producties 11 tot en met 17;
– de op 21 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen zijn alle actief in de Pakistaanse olie- en gasindustrie.
2.2.
Tussen FHL c.s. en PEL is een geschil ontstaan over de uitvoering van een tussen hen op 12 augustus 2016 gesloten Settlement Agreement op basis waarvan FHL c.s. (voorwaardelijk) bepaalde concessiebelangen zou overdragen aan PEL en PEL bepaalde kostenaanpassingen zou doen waarmee een schuld van FHL c.s. zou worden teruggebracht naar nul. Hierover hebben zij een arbitrageprocedure gevoerd bij de International Chamber of Commerce (ICC) (hierna: Arbitrage I). Deze procedure heeft geleid tot twee onherroepelijke arbitrale vonnissen van 12 december 2024 en 31 maart 2025 waarin PEL is veroordeeld tot betaling aan FHL van een bedrag van USD 2.482.616 aan niet-betaalde gasopbrengsten over de periode november 2022 tot juli 2023, te vermeerderen met 2% rente per maand, en tot betaling aan FHL en Spud van USD 448.660,62 en USD 94.000 aan juridische en arbitragekosten, te vermeerderen met 2% rente per maand vanaf 90 dagen na het vonnis. Daarnaast is bepaald dat FHL gerechtigd is tot de opbrengsten van gasverkoop over de periode augustus 2023 tot december 2024. De tegenvorderingen van PEL zijn afgewezen.
2.3.
FHL c.s. zijn in Pakistan een procedure gestart over de erkenning en tenuitvoerlegging van de in Arbitrage I gewezen vonnissen. In die procedure heeft de Islamabad High Court op 24 april 2025, op verzoek van FHL c.s., een bewarende maatregel getroffen, inhoudende dat – kort gezegd – PEL is verboden om haar working interest in de Badin gasvelden over te dragen of te vervreemden en/of met enige last te bezwaren (hierna: de restraining order). Daarnaast is PEL opgedragen om inzicht te geven in al haar activa ter beoordeling van de vraag of een (nadere) voorlopige voorziening moet worden getroffen.
2.4.
FHL is een tweede arbitrageprocedure gestart bij de ICC over de tussen haar en PEL gesloten Joint Operating Agreements (hierna: Arbitrage II). In die arbitrage gaat het onder meer om de vraag of PEL illegaal gas heeft verkocht aan derden. Op 18 december 2025 is een arbitraal vonnis gewezen waarin PEL is veroordeeld tot betaling aan FHL van een bedrag van in totaal USD 437.908,55 aan juridische en arbitragekosten met betrekking tot het geschil over de bevoegdheid van de ICC, te vermeerderen met rente.
2.5.
In een door PEL in Pakistan gestarte procedure over de vraag welk forum bevoegd is om het geschil dat in Arbitrage II aan de orde is te beslechten, heeft de Pakistaanse rechter op 14 april 2026 geoordeeld dat het geschil niet via ICC-arbitrage dient te worden beslecht, maar in een nationale arbitrageprocedure. Daarnaast heeft de Pakistaanse rechter geoordeeld dat FHL afstand heeft gedaan van haar recht op arbitrage door de kwestie eerst voor te leggen aan de Pakistaanse toezichthouder.
2.6.
Op 28 januari 2026 is, na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, op verzoek van FHL c.s. conservatoir derdenbeslag gelegd onder Kufpec c.s. ten laste van PEL.
2.7.
Onder Kufpec is beslag gelegd op (onder andere) alle huidige en toekomstige vorderingen van PEL op Kufpec uit hoofde van de drie Share Purchase Agreements (hierna: SPA’s) die zij op 25 november 2024 hebben gesloten. Daarin is overeengekomen dat PEL de aandelen die Kufpec houdt in een Nederlandse, Engelse en Japanse vennootschap die alle actief zijn in de olie- en gassector in Pakistan van Kufpec koopt. De SPA’s voorzien in een aantal (opschortende) voorwaarden, waaronder het verkrijgen van toestemming van de Pakistaanse overheid en de Pakistaanse mededingingsautoriteit, en andere contractuele voorwaarden die voorafgaand aan de voltooiing (completion) van de transacties moeten worden vervuld. Ook is in de SPA’s bepaald dat als de voorwaarden niet op 25 mei 2026 zijn vervuld ieder van de contractspartijen de overeenkomsten schriftelijk kan beëindigen (de Long Stop Date).
Het beslag treft PEL’s rechten tot levering van de aandelen in de drie vennootschappen, de vordering tot aanpassing van de koopprijs en de vorderingen uit schending van garanties, vrijwaringen en indemnities.
2.8.
Onder Kirthar is beslag gelegd op alle huidige en toekomstige vorderingen van PEL op Kirthar uit hoofde van de Farm-In Agreement en de daaraan gerelateerde Assignment Agreement die zij op 25 november 2025 hebben gesloten. Daarin is overeengekomen dat PEL de Working Interest die Kirthar heeft in olie- en gasconcessies (in de Bhit- en Badhra-velden binnen het Kirthar Block) in Pakistan van Kirthar koopt. Ook die overdracht is afhankelijk van de vervulling van een aantal (opschortende) voorwaarden, waaronder het verkrijgen van toestemming van de Pakistaanse overheid met betrekking tot de beoogde verkrijger en de ondertekening van de Assignment Agreement door de bevoegde Pakistaanse autoriteiten. Voor deze overeenkomsten is de Long Stop Date eveneens bepaald op 25 mei 2026.
3.1.
Kufpec c.s. vorderen – zakelijk weergegeven – opheffing van de onder hen gelegde derdenbeslagen, zulks met veroordeling van gedaagden in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Daartoe voeren Kufpec c.s. – samengevat – de volgende drie gronden aan:
(i) De beslagen zijn in strijd met het territorialiteitsbeginsel
De gelegde beslagen zien op (voorwaardelijke) rechten en verplichtingen die in alle relevante opzichten buiten Nederland zijn gesitueerd en de derdenbeslagen worden in de betrokken jurisdicties niet erkend. Hierdoor bestaat het risico van verplichte dubbele prestatie. Dit is onverenigbaar met het uitgangspunt dat de derde-beslagene door het derdenbeslag niet in een slechtere positie mag worden gebracht dan waarin zij zonder beslag zou verkeren;
(ii) De beslagen hebben geen betrekking op een concreet, bepaalbaar en voor verhaal vatbaar vermogensrecht van PEL jegens Kufpec c.s.
De verplichtingen van Kufpec c.s. zijn voorwaardelijk van aard en afhankelijk van een omvangrijk stelsel van opschortende en andere contractuele voorwaarden. Er bestaat op dit moment dus geen betalings- of leveringsverplichting en zelfs geen voldoende bepaalbare toekomstige verplichting. Daar komt bij dat de benodigde toestemmingen van de Pakistaanse autoriteiten uitsluitend worden gegeven voor de transacties met PEL en dat de verkregen toestemming niet overdraagbaar is. Een eventuele executie van de beslagen rechten kan dan ook niet leiden tot overdracht aan een derde en de beslagen rechten hebben geen economische waarde. Door de beslaglegging is het bovendien onzeker of de transacties nog wel kunnen worden uitgevoerd.;
(iii) De beslagen zijn disproportioneel en onnodig bezwarend voor Kufpec c.s.
Kufpec c.s. lopen het risico van dubbele aansprakelijkheid en de beslagen zullen bovendien grote schade voor haar veroorzaken. Daartegenover staat dat FHL c.s. bij handhaving van de beslagen geen reëel voordeel verkrijgen. De belangen van Kufpec c.s. wegen in de gegeven omstandigheden dan ook evident zwaarder dan het belang van de FHL c.s.
3.3.
PEL steunt de vordering van Kufpec c.s. tot opheffing van het beslagen en heeft daarvoor eigen gronden aangedragen. PEL stelt allereerst dat FHL c.s. hun uit artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) hebben geschonden. Daarnaast betoogt zij dat de beslagen geen doel treffen, nu (i) de vorderingen op Kufpec c.s. niet in het vermogen van PEL vallen, (ii) de vorderingen niet vatbaar zijn voor beslag en (iii) de vorderingen recht geven op een volgens de wet en naar hun aard niet voor beslag vatbare prestatie. Bovendien geldt volgens PEL dat ook het ontbreken van een reële verhaalsfunctie en de disproportionaliteit van het beslag, mede gelet op het aanzienlijke en concrete belangen van PEL en Kufpec c.s., reden zijn voor opheffing.
3.4.
FHL c.s. voeren verweer tegen de gevorderde opheffing. De standpunten partijen zullen, voor zover nodig, hierna (nader) worden besproken.
4.1.
Kufpec c.s. hebben de voorzieningenrechter verzocht om op grond van artikel 705 Rv op te heffen. Nu het beslag ten laste van PEL is gelegd, moeten Kufpec c.s. in deze procedure als derden worden aangemerkt in de zin van het van overeenkomstige zijnde artikel 438 lid 6 Rv. Dat betekent dat zij (de derde-beslagenen) gehouden waren om zowel FHL c.s. (beslagleggers) als PEL (beslagene) te dagvaarden, wat zij ook hebben gedaan. Met dit voorschrift wordt beoogd de zelfstandige belangen van de beslagene te beschermen, die niet altijd gelijk hoeven te zijn aan de belangen van de derde. In dit geval lopen de belangen van de derden, Kufpec c.s., en de beslagene, PEL, echter wel parallel. Zij willen alle dat het beslag wordt opgeheven, zodat een juridisch duidelijke situatie ontstaat en de transacties tussen hen kunnen worden afgerond. Dit roept de vraag op of door PEL aangevoerde gronden die Kufpec c.s. niet in haar dagvaarding heeft aangevoerd of niet heeft kunnen aanvoeren, mogen worden meegewogen bij de beoordeling van de door Kufpec c.s. ingestelde vordering tot opheffing van het beslag. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend, gelet op de rechtsverhouding tussen partijen die het noodzakelijk maakt dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhoudingen betrokkenen. Daarbij wordt meegewogen dat FHL c.s. tijdens de mondelinge behandeling op de stellingen van zowel Kufpec c.s. als PEL heeft kunnen reageren.
4.2.
PEL heeft in haar conclusie van antwoord onder meer een beroep gedaan op schending van artikel 21 Rv. Zij stelt dat FHL c.s. in het beslagrekest een onjuist en onvolledig beeld hebben geschetst van de relevante feiten en verweren. Kufpec c.s., die deze grondslag voor opheffing van het beslag niet in haar dagvaarding heeft benoemd, heeft zich tijdens de mondelinge behandeling achter deze stellingname geschaard en die tot de hare gemaakt.
4.3.
Op grond van artikel 21 Rv zijn partijen verplicht voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Deze verplichting speelt in het bijzonder bij een verzoek om verlof tot het leggen van conservatoir beslag, omdat de voorzieningenrechter daarop in beginsel beslist na summier onderzoek en zonder de (potentiële) beslagdebiteur te horen (‘ex parte’). De voorzieningenrechter moet er dus op kunnen vertrouwen dat de verzoeker hem volledig en naar waarheid inlicht over alle voor de beoordeling ogenschijnlijk relevante feiten en omstandigheden.
4.4.
Met PEL en Kufpec c.s. is de voorzieningenrechter van oordeel dat FHL c.s. in het beslagrekest een onvoldoende invulling hebben gegeven aan deze verplichting. Zij hebben de op 25 april 2025 door de Islamabad High Court gegeven restraining order niet vermeld, terwijl op basis van de door PEL daarover verstrekte informatie aannemelijk is dat die order strekt ter verzekering van verhaal van de vorderingen die FHL c.s. uit hoofde van de in Arbitrage I gewezen vonnissen op PEL heeft. FHL c.s. had moeten begrijpen dat deze informatie relevant zou kunnen zijn voor de beslissing op haar verzoek. Dat, zoals FHL c.s. hebben aangevoerd, maar door PEL is betwist, aan de restraining order geen of slechts beperkte waarde kan worden toegekend, omdat verhaal op de daardoor geraakte assets feitelijk niet mogelijk is en bovendien ook andere crediteuren aanspraken hebben op die assets, maakt dat niet anders. Het gaat erom dat de voorzieningenrechter zich een juist en volledig beeld kan vormen over de noodzakelijkheid en de proportionaliteit van het verzochte beslagverlof en – bij twijfels – daarover nadere inlichtingen kan vragen. Door in het beslagrekest slechts te vermelden dat zij in april 2025 executieverzoeken hebben ingediend met betrekking tot de in Arbitrage I gewezen vonnissen, “alsmede een verzoek om conservatoire maatregelen bij de Islamabad High Court, welke verzoeken nog aanhangig zijn”, hebben FHL c.s. een verkeerde en onvolledige voorstelling van zaken gegeven toen zij het verlof verzocht in januari 2026. Hierdoor had de voorzieningenrechter niet alle informatie die nodig was om een afgewogen beslissing te kunnen nemen.
4.5.
Op grond van artikel 21 Rv waren FHL c.s. ook gehouden melding te maken van de door PEL gestelde tegenvorderingen. Volgens PEL handelt FHL in strijd met haar verplichtingen onder de Joint Operating Agreements door haar bijdrage in de kosten voor de gasproductie onbetaald te laten en handelt Spud in strijd met de Settlement Agreement door bepaalde gasopbrengsten niet af te dragen. Dit resulteert volgens PEL in tegenvorderingen van USD 44 miljoen en USD 4,45 miljoen. Door de afwijzing van de door PEL in arbitrage I ingestelde vorderingen, kan in twijfel worden getrokken of de tegenvorderingen van PEL daadwerkelijk zo hoog zijn als zij beweert. Dit laat echter onverlet dat een substantiële tegenvordering, al zou die absurd hoog zijn, in het beslagrekest had moeten worden vermeld om het verweer van de gerekwestreerde ten behoeve van de beoordeling door de voorzieningenrechter naar behoren in beeld te brengen. Dat FHL c.s. op het moment van de indiening van het beslagrekest niet bekend waren met de gestelde tegenvorderingen, acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk. De in het geding gebrachte sommaties met betrekking tot de tegenvordering op FHL zijn weliswaar van na de datum van indiening van het beslagrekest, maar uit de inhoud van de sommaties en de reactie daarop blijkt dat de betaling van de kosten van de gaswinning al jarenlang een onderwerp van discussie is. Spud is bovendien al op 24 december 2025, dus voor de datum van indiening van het beslagrekest, door PEL gesommeerd om tot betaling van de gestelde tegenvordering over te gaan.
Het kan FHL c.s. dan ook worden aangerekend dat zij bij de vermelding van het verweer van PEL hebben volstaan met de opmerking dat zij niet bekend zijn met enig verweer van PEL tegen de vorderingen uit hoofde arbitrale vonnissen en de opmerking dat nog niet precies duidelijk is wat het verweer van PEL tegen de in arbitrage II ingestelde vorderingen zal zijn.
4.6.
De voorzieningenrechter acht de schending van artikel 21 Rv in dit geval dermate ernstig, dat dit tot opheffing van de gelegde beslagen moet leiden. Voor beide aspecten geldt dat deze kennelijk relevant zijn voor de afgewogen beoordeling van het verzoek om voor een ingrijpend middel als conservatoir beslag verlof te verlenen.
4.7.
Bij deze stand van zaken behoeven de overige gronden die Kufpec c.s. en PEL hebben aangevoerd om tot opheffing van de beslagen te komen geen verdere bespreking.
4.8.
Bij deze uitkomst past dat FHL wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten (inclusief nakosten) van zowel Kufpec c.s. als PEL. De proceskosten van Kufpec c.s. worden begroot op:
– dagvaarding € 125,57
– griffierecht € 735,00
– salaris advocaat € 1.177,00
– nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.226,57
De proceskosten van PEL worden begroot op:
– griffierecht € 735,00
– salaris advocaat € 1.177,00
– nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.101,00
4.9.
De door Kufpec c.s. gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard behoudens ten aanzien van de proceskostenveroordeling ten gunste van PEL, die dat niet heeft gevorderd.
De voorzieningenrechter:
5.1.
heft alle de door FHL c.s. ten laste van PEL onder Kufpec c.s. gelegde conservatoire derdenbeslagen op;
5.2.
veroordeelt FHL c.s. in de proceskosten van zowel Kufpec c.s. als PEL, ten aanzien van Kufpec c.s. begroot op € 2.226,57 en ten aanzien van PEL op € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als FHL c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten FHL c.s. € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt FHL c.s. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten van Kufpec c.s. als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, behoudens ten aanzien van de proceskostenveroordeling ten gunste van PEL.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.
EI
Gerechtshof Den Haag 23 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2549 (zie in cassatie: HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:230.)