Chavez-Vilchez / niet meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken / geen afhankelijkheidsrelatie / geen sprake van frustratie / artikel 8 EVRM / ongegrond
Chavez-Vilchez / niet meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken / geen afhankelijkheidsrelatie / geen sprake van frustratie / artikel 8 EVRM / ongegrond
(gemachtigde: mr. N.B. Swart)
9 mei 2023
b. de vreemdeling moet een minderjarig, Nederlands kind hebben;
c. de vreemdeling moet daadwerkelijk voor het kind zorgen; en
d. er moet een zodanige afhankelijkheid tussen hem en het kind bestaan dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelands ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd.
Voor het vaststellen van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken is nog van belang om vast te stellen of de omgang tussen de ouder die een ‘Chavez-Vilchez’-aanvraag doet, en het kind is gefrustreerd. Als de vreemdeling aannemelijk kan maken dat hij vóór het moment van frustratie daadwerkelijk zorg- en opvoedingstaken heeft verricht, kan het feit dat hij deze taken momenteel niet verricht niet worden tegengeworpen.
In haar uitspraak van 22 juli 2025
Gelet op deze uitspraak van de Afdeling zal de rechtbank beoordelen of sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn dochter en zal de rechtbank de vraag of sprake is van zorg- en opvoedingstaken daarbij betrekken. De rechtbank stelt vast dat deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 9 mei 2023 heeft geoordeeld dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat namens eiser onvoldoende is aangetoond dat er sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat eisers dochter gedwongen zal worden de Europese Unie te verlaten als eiser geen verblijfsrecht krijgt. Ook heeft de rechtbank toen geoordeeld dat de minister in zijn besluit van 31 januari 2023 deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk en meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken heeft verricht ten behoeve van zijn dochter. De rechtbank constateert nu dat de getroffen omgangsregeling zich sindsdien heeft uitgebreid van een begeleid bezoek van één keer per twee weken op de zondagmiddag van 13.00 uur tot 15.00 uur, naar een wekelijks onbegeleid bezoek op de woensdag of donderdag van 12.30 uur tot 16.00 uur. Onder verwijzing naar de door de minister aangehaalde uitspraak van 17 november 2021
7. In het kader van de omvang van de zorg- en opvoedingstaken en de afhankelijkheidsrelatie heeft eiser aangevoerd dat de minister er in het bestreden besluit ten onrechte aan voorbij gegaan is dat de moeder de uitbreiding van de omgang frustreert en bijvoorbeeld de omgang in de praktijkruimte van mw. Post heeft doen beëindigen. Dit blijkt ook uit het verslag van ihub Familiezorg van 1 september 2025 waarin grote zorgen over de dochter worden geuit vanwege het gedrag van de moeder.
In haar uitspraak van 13 september 2024
In haar uitspraak van 9 mei 2023 heeft deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat eisers stelling dat de moeder van zijn dochter de omgang tussen eiser en zijn dochter frustreert niet gevolgd wordt. Sindsdien is de omgangsregeling tussen eiser en zijn dochter, weliswaar met tussenkomst van de rechter, uitgebreid maar de rechtbank stelt vast dat noch gesteld noch gebleken is dat de moeder de afspraken van de omgangsregeling niet naleeft.
Eisers standpunt dat de moeder van zijn dochter de omgang tussen hem en zijn dochter frustreert doordat zij weigert in te stemmen met een ruimere omgangsregeling, volgt de rechtbank evenmin. Hoewel uit overgelegde stukken, zoals de brief van de Gemeente Den Helder van 24 oktober 2023, blijkt dat de moeder zich misschien niet altijd heel erg meewerkend heeft opgesteld, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de moeder zich onbehoorlijk opstelt. Mocht eiser uitbreiding van de omgangsregeling willen, is het aan de familierechter om te oordelen wat in het belang is van het kind. Nu de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen sprake is van frustratie van de zijde van de moeder, mocht het marginale karakter van de zorg- en opvoedingstaken eiser worden tegengeworpen.
8. Verder stelt eiser zich, onder verwijzing naar Werkinstructie 2020/16 en Werkinstructie 2026/3, op het standpunt dat hem in strijd is met artikel 8 van het EVRM een verblijfsrecht is ontzegd terwijl er een procedure liep over de omgangsregeling. Ook heeft de minister miskend dat er nu nog een procedure loopt in het kader van de omgangsregeling.
De rechtbank is van oordeel dat, hoewel beide Werkinstructies voorzien in de mogelijkheid om een vreemdeling een verblijfsrecht te verlenen zodat hij de uitkomst van een procedure omtrent een omgangsregeling kan afwachten, de minister gevolgd kan worden in zijn standpunt dat eiser destijds rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000. Dit maakte het overbodig om eiser separaat nog een vergunning te verlenen met het oog op het afwachten van de beslissing over de omgangsregeling. Dit betekent dat er tijdens eisers verblijf in Nederland uitsluitend sprake is geweest van procedureel rechtmatig verblijf hetgeen de minister in de belangenafweging in verband met artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiser heeft mogen laten meewegen. Dat er nu ook sprake zou zijn van een procedure in het kader van de omgangsregeling volgt de rechtbank niet. Zoals ook ter zitting is toegelicht, gaat het hierbij niet om een juridische procedure. Dat eiser er in het belang van zijn dochter voor heeft gekozen om via mediation tot een nieuwe omgangsregeling te komen valt te waarderen maar maakt niet dat daarmee sprake is van een procedure zoals bedoeld in Werkinstructie 2020/16 en Werkinstructie 2026/3. Daarin is vermeld dat het om een procedure bij de rechtbank moet gaan.
9. Eiser voert aan dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte het economisch belang van de Nederlandse staat zwaarder heeft laten wegen dan het belang van eiser en zijn dochter om niet van elkaar gescheiden te worden. Dit omdat ten onrechte niet is meegewogen dat eiser al lange tijd in Nederland woont en hier sterke banden en een privéleven heeft opgebouwd. Daarnaast heeft hij het gezag over zijn dochter. Ook heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld maar frustreert de moeder de omgang van eiser moet zijn dochter. Dit maakt mede dat er zorgen zijn over de dochter en dat een gezinscoach is aangesteld. Ten aanzien van de omgangsregeling loopt er bovendien nog een procedure. Deze zou, ingevolge het beleid, afgewacht moeten kunnen worden, Ook moet de minister bij de beoordeling betrekken dat eiser na zijn vergunningverlening direct inzetbaar is op de arbeidsmarkt. Hiermee is geen rekening gehouden waardoor er een te zwaar gewicht is toegekend aan het economisch belang van de Nederlandse overheid.
Uit vaste rechtspraak van het EHRM
De rechtbank oordeelt dat de minister in het kader van artikel 8 van het EVRM een zorgvuldige en voldoende gemotiveerde belangenafweging heeft gemaakt en heeft kunnen concluderen dat het belang van de Nederlandse overheid in dit geval zwaarder weegt dan de persoonlijke belangen van eiser. Weliswaar heeft de minister niet meegewogen dat eiser ook het gezag over zijn dochter heeft – klaarblijkelijk omdat deze informatie eerst in beroep is overgelegd – maar daar staat tegenover dat, zoals eerder overwogen is, niet gebleken is dat eiser meer dat marginale zorg- en opvoedingstaken verricht. Ook is geoordeeld dat er geen sprake is van frustratie waar eiser in dat kader een beroep op heeft gedaan. Ten aanzien van het gestelde privéleven heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat dit onvoldoende is onderbouwd en bovendien is opgebouwd in een periode waarin hoogstens sprake was van procedureel rechtmatig verblijf. Dat er in verband met de omgangsregeling nog een juridische procedure loopt is, zoals eerder overwogen, de rechtbank niet gebleken. Eiser stelling, dat hij na de vaststelling van zijn verblijfsrecht direct aan de slag zou kunnen, heeft de minister met de enkele schriftelijke toezegging van de eigenaar van Abu-Junkfood ook onvoldoende onderbouwd mogen vinden. Daarbij heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank ook de belangen van eisers dochter voldoende betrokken. Dat er zorgen zijn over de dochter en een gezinscoach is aangesteld heeft voor de minister geen aanleiding hoeven vormen voor een ander oordeel.
10. In het bestreden besluit wordt er volgens eiser ten onrechte van uitgegaan dat een kind slechts één hechtingsfiguur heeft en dat dat degene is die het kind het meest verzorgt. Hierbij wordt voorbijgegaan aan het onderzoek dat ten grondslag ligt aan de definitie ‘hechtingsfiguur’ en wat dit voor de dochter betekent. Ook wordt weer onjuist gesteld dat eiser geen daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken heeft en geen ouderlijk gezag. Daarbij heeft de rechtbank besloten dat de omgang in het belang van het kind is en de hulpverlening onderschrijft dat. De scheiding zal grote impact op de dochter hebben. Contact houden op afstand is op haar leeftijd bijna niet mogelijk; bovendien zal de moeder daar haar medewerking niet aan verlenen waardoor het contact verbroken zal worden.
De rechtbank volgt het standpunt van eiser niet dat de belangen van zijn dochter onvoldoende bij het bestreden besluit zijn betrokken. Zo heeft de minister voldoende gemotiveerd dat eisers zorg- en opvoedingstaken slechts marginaal zijn, wat betekent dat het zwaartepunt van de zorg- en opvoedingstaken nadrukkelijk bij de moeder ligt. Aangegeven is dat aannemelijk wordt geacht dat eiser een goede band heeft met zijn dochter maar dat niet is gebleken dat sprake is van een dusdanig hechte en affectieve relatie dat er door het vertrek van eiser een risico zou ontstaan voor haar emotionele en geestelijke ontwikkeling. Eiser zou vanuit Guinee via moderne communicatiemiddelen op afstand contact met zijn dochter kunnen houden en (op termijn) zouden over en weer bezoeken kunnen worden afgelegd. De rechtbank realiseert zich dat deze situatie verre van ideaal is, maar volgt de minister in het standpunt dat er geen zwaarwegende redenen zijn aangevoerd waarom dit, gezien het belang van de dochter, niet mogelijk zou zijn. Ten aanzien van de door de minister geïntroduceerde hechtingsfiguurtheorie volgt de rechtbank de door de minister gegeven toelichting dat niet bedoeld is te zeggen dat een kind niet meerdere hechtingsfiguren in zijn leven kan kennen, maar dat eiser, door de marginale zorg- en opvoedtaken en het ontbreken van een afhankelijkheidsrelatie met zijn dochter niet als zodanig kan worden beschouwd.
11. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat, gezien de omstandigheden van het geval, sprake is van onevenredige hardheid indien het verblijfsrecht niet wordt toegekend. Eiser en zijn dochter hebben een zeer hechte band en deze zal na eisers vertrek door de moeder gefrustreerd worden waardoor de ontwikkeling van de dochter in gevaar zal komen.
Onder verwijzing naar hetgeen eerder is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is van omstandigheden die maken dat er sprake is van onevenredige hardheid. Overwogen is dat inderdaad wordt aangenomen dat er sprake is van een goede band tussen vader en dochter maar dat het vertrek van eiser geen onevenredig zware impact op de dochter zal hebben. Ook is niet aangetoond dat de moeder het contact tussen eiser en zijn dochter na eisers vertrek zal frustreren. Daarnaast is er ook geen sprake van overige bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden die maken dat de minister eiser het mvv-vereiste niet heeft mogen tegenwerpen omdat dit van onevenredige hardheid zou getuigen.
mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, op 4 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
AWB 23/923.
Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Nr. 202303424/1/V1.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Machtiging voor voorlopig verblijf.
Artikel 16, lid 1, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Hof van Justitie van de Europese Unie.
ECLI:EU:C:2017:354.
Zie het arrest Chavez-Vilchez, punt 63, en de daar aangehaalde rechtspraak.
Zie het arrest Chavez-Vilchez, punt 70.
Op grond van artikel 8, onder e, van de Vw 2000.
Vreemdelingencirculaire 2000.
ECLI:NL:RVS:2024:3693.
ECLI:NL:RVS:2025:3344.
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
ECLI:NL:RVS:2023:1962.
ECLI:NL:RVS:2024:1821.
ECLI:NL:RBDHA:2021:16848. Zie ook ECLI:NL:RBNHO:2022:4271, ECLI:NL:RBMNE:2021:5614 ECLI:NL:RBROT:2022:9846.
ECLI:NL:RBDHA:2021:16848. Zie ook ECLI:NL:RBNHO:2022:4271, ECLI:NL:RBMNE:2021:5614 ECLI:NL:RBROT:2022:9846.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, paragrafen 108 en 114.