Aanbestedingsrecht. Geschil over de vraag of Rijkswaterstaat de aanbestedingsprocedure voor ontwerp en uitvoeren van het project ‘Vervanging Gerrit Krolbrug’ moet opschorten of intrekken vanwege een groot aantal bezwaren van de Combinatie (eiseres) als deelnemer aan de aanbesteding. Volgt afwijzing van het gevorderde.
ECLI:NL:RBDHA:2026:21825
text/xml
public
2026-08-05T14:41:07
2026-08-05
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-06-29
C/09/706022 / KG ZA 26/561
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
Kort geding
NL
Den Haag
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21825
text/html
public
2026-08-05T14:40:32
2026-08-05
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:21825 Rechtbank Den Haag , 29-06-2026 / C/09/706022 / KG ZA 26/561
Aanbestedingsrecht. Geschil over de vraag of Rijkswaterstaat de aanbestedingsprocedure voor ontwerp en uitvoeren van het project ‘Vervanging Gerrit Krolbrug’ moet opschorten of intrekken vanwege een groot aantal bezwaren van de Combinatie (eiseres) als deelnemer aan de aanbesteding. Volgt afwijzing van het gevorderde.
Team handel – voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/706022 / KG ZA 26/561
Vonnis in kort geding van 29 juni 2026
in de zaak van
2. STRUKTON INFRASTRUCTURE SPECIALTIES B.V. te Utrecht,
eiseressen in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident,
advocaten mrs. D.R. Versteeg, E. Vendrig en A.M. Kapteijn te Amsterdam,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Rijkswaterstaat) te Den Haag,
gedaagde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaten mrs. J.N.E. Weyne, J.E. Palm en T.M.O. Bottinga te Den Haag.
Eiseressen in de hoofdzaak worden hierna gezamenlijk ‘de Combinatie’ genoemd. Gedaagde in de hoofdzaak wordt hierna ‘Rijkswaterstaat’ of ‘de Staat’ genoemd.
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de (gewijzigde) dagvaarding, betekend op 5 juni 2026;
– de akte houdende overlegging producties van de Combinatie met daarbij de producties 1 tot en met 4;
– de conclusie van antwoord met daarbij de producties 1 tot en met 7;
– de incidentele conclusie houdende verzoek tot gerechtelijk bevel overlegging van bepaalde gegevens ex artt. 22 Rv en 195 Rv van de zijde van de Combinatie;
– de conclusie van antwoord in het incident van de zijde van de Staat met daarbij producties 1 tot en met 3;
– de akte overlegging producties van de zijde van de Combinatie met productie 5;
– de op 17 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling, namens partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Op 18 juni 2026 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan in het door de Combinatie opgeworpen incident. Op 29 juni 2026 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan in de hoofdzaak tussen partijen. Het onderstaande vormt de uitwerking van beide beslissingen, die is vastgesteld op 14 juli 2026.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
De Staat heeft een Europese aanbesteding volgens de concurrentiegerichte dialoog (de aanbesteding) uitgeschreven voor de opdracht voor het ontwerpen en uitvoeren van het project ‘Vervanging Gerrit Krolburg’ (de opdracht) overeenkomstig het Aanbestedings-reglement Werken 2016. De Combinatie is deelnemer aan de aanbesteding. De Gerrit Krolburg is een belangrijke verkeersader in de stad Groningen. Rijkswaterstaat wenst een nieuwe beweegbare brug inclusief de daarvoor benodigde systemen en twee nieuwe voetgangersbruggen te realiseren. Met de gemeente is in een realisatieovereenkomst afgesproken dat de brug uiterlijk eind juni 2029 in gebruik kan worden genomen.
2.2.
Voorafgaand aan de publicatie van de aanbesteding heeft Rijkswaterstaat twee marktconsultaties gehouden waarin aan de markt is meegegeven dat voor de uitvoering van de opdracht gebruik zal worden gemaakt van een design & construct contract met als toepasselijke voorwaarden de UAV-GC 2025.
2.3.
Op 25 september 2025 heeft Rijkswaterstaat de aankondiging bekendgemaakt en opgenomen dat de opdracht wordt verleend in de vorm van een design & construct contract met als voorwaarden de UAV-GC 2025:
“De aanbesteder is voornemens de opdracht te verlenen in de vorm van een design & construct opdracht, met als voorwaarden de UAV-GC 2025. De omvang en reikwijdte van de opdracht en de voorwaarden waaronder de opdracht wordt gerealiseerd worden opgenomen in de basisovereenkomst, de vraagspecificatie, de bijlagen bij de vraagspecificatie, de annexen en overige contractdocumenten.”
2.4.
Rijkswaterstaat heeft in de selectiefase drie gegadigden geselecteerd om deel te nemen aan de dialoogfase. In de periode januari tot en met april 2026 zijn drie dialoogrondes gehouden. Ook hebben er specialistische overleggen plaatsgehad. Rijkswaterstaat heeft met de Combinatie drie escalatiegesprekken gevoerd.
2.5.
Op 5 mei 2026 heeft de Combinatie bij brief een uitgebreid uitgewerkte klacht ingediend bij het klachtenmeldpunt over de voorwaarden van de opdracht en de informatieverstrekking bij de aanbesteding. De Combinatie stelt dat Rijkswaterstaat in het voortraject van de aanbesteding onvoldoende informatie beschikbaar heeft gesteld. Ook voert de Combinatie aan dat het risicoprofiel van de aanbesteding na beantwoording van alle vragen door Rijkswaterstaat en de dialoogrondes die hebben plaatsgevonden nagenoeg ongewijzigd is gebleven en dat (nog steeds) sprake is van een zodanig disproportioneel contract dat daar niet op een verantwoorde wijze op kan worden aangeboden. De Combinatie concludeert onder meer dat:
de aanbesteding in strijd is met artikel 1.10 Aw omdat in de overeenkomst gestelde voorwaarden niet in een redelijke verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht;
dat aanbesteding in strijd is met de Gids Proportionaliteit, specifiek voorschrift 3.9A, omdat risico’s niet zijn gealloceerd bij de partij die deze het beste kan beheersen of beïnvloeden en
dat de aanbesteding in strijd is met de Gids Proportionaliteit voorschrift 3.9D omdat in materiële zin de limitering niet in verhouding staat tot de verwachtte ordergrootte van de aanneemsom die bij uitvraag hoort.
2.6.
De klacht is door Rijkswaterstaat op 29 mei 2026 ongegrond verklaard. Aanvankelijk heeft Rijkswaterstaat 1 juni 2026 aangehouden als uiterlijke datum waarop inschrijvers hun formele inschrijving konden indienen. Vanwege een aangekondigd kort geding door de Combinatie heeft Rijkswaterstaat de datum opgeschoven naar 1 juli 2026.
3.1.
De combinatie vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. Rijkswaterstaat te gebieden de aanbesteding op te schorten;
II. Rijkswaterstaat te gebieden de voorwaarden van de Opdracht aan te passen zodat de aanbesteding zal voldoen aan de eisen van het aanbestedingsrecht, waaronder de eisen van proportionaliteit, waarbij Rijkswaterstaat in ieder geval acht slaagt op alle bezwaren die door de Combinatie in haar klacht van 5 mei 2026 en in het kader van dit geschil zijn geuit, inclusief de daarbij voorgestelde oplossingen;
III. Rijkswaterstaat te gebieden om ná aanpassing en bekendmaking van de voorwaarden van de Opdracht, de aanbesteding te hervatten, en dan nog ten minste één dialoogronde te houden om de gewijzigde voorwaarden te bespreken en daarbij een planning te hanteren die alle deelnemers voldoende gelegenheid geeft, in ieder geval niet minder dan tien dagen, om de na de extra dialoogronde(s) finaal aangepaste voorwaarden te verwerken in hun inschrijving,
IV. te bepalen dat Rijkswaterstaat een dwangsom verbeurt ter hoogte van € 100.000 althans een door de voorzieningenrechter in goede justitiële te bepalen bedrag, bij schending van een van de hiervoor primair gevorderde ge- en verboden, te vermeerderen met een bedrag van € 10.000, per dag dat de overtreding voortduurt;
subsidiair
V. Rijkswaterstaat te gebieden de aanbesteding op te schorten;
VI. Rijkswaterstaat te gebieden ten aanzien van alle voorwaarden van de Opdracht die blijk geven van een afwijking van de voorschriften van de Gids Proportionaliteit, te motiveren waarom die afwijking nodig en toegestaan is,
VII. Deelnemers aan de aanbesteding de gelegenheid te bieden om die motivering ter discussie te stellen;
VIII. te bepalen dat Rijkswaterstaat een dwangsom verbeurt ter hoogte van € 100.000 althans een door de voorzieningenrechter in goede justitiële te bepalen bedrag, bij schending van een van de hiervoor subsidiair gevorderde ge- en verboden, te vermeerderen met een bedrag van € 10.000, per dag dat de overtreding voortduurt;
meer subsidiair
IX. Rijkswaterstaat te gebieden de aanbesteding in te trekken;
X. Rijkswaterstaat te gebieden aan alle op het moment van intrekking nog deelnemende partijen, de ontwerpvergoeding van € 750.000 uit te keren alsof zij een geldige inschrijving hadden gedaan;
XI. Rijkswaterstaat te gebieden om – zo hij de opdracht nog wenst te gunnen – over te gaan tot heraanbesteding van de opdracht, waarbij Rijkswaterstaat de voorwaarden van de opdracht dient aan te passen zodat de aanbesteding zal voldoen aan de eisen van het aanbestedingsrecht, waaronder de eisen van proportionaliteit, waarbij Rijkswaterstaat in ieder geval acht slaat op alle bezwaren die door de Combinatie in haar klacht van 5 mei 2026 en in het kader van dit geschil zijn geuit, inclusief de daarbij voorgestelde oplossingen;
XII. te bepalen dat Rijkswaterstaat een dwangsom verbeurt ter hoogte van € 100.000 althans een door de voorzieningenrechter in goede justitiële te bepalen bedrag, bij schending van een van de hiervoor meer subsidiair gevorderde ge- en verboden, te vermeerderen met een bedrag van € 10.000, per dag dat de overtreding voortduurt;
3.2.
Daartoe voert de Combinatie – samengevat – het volgende aan.
Rijkswaterstaat hanteert in de aanbesteding tegenstrijdige en onmogelijke eisen. Daarmee heeft Rijkswaterstaat een opdracht in de markt gezet die op voorhand op onderdelen onuitvoerbaar is. Daardoor is het niet mogelijk een passende aanbieding te doen, waardoor inschrijvingen ook niet met elkaar kunnen worden vergeleken. De aanbesteding dient dan ook aangepast te worden. Ook hanteert Rijkswaterstaat disproportionele eisen die in strijd zijn met artikel 3.9 van de Gids Proportionaliteit en past hij de UAV-GC 2025 niet integraal toe zonder dat te motiveren. De aansprakelijkheidsrisico’s die daarmee gepaard voor de Combinatie maken het haar onmogelijk om een representatieve prijs voor het werk af te geven. Dat geldt ook voor de andere inschrijvers, zodat de beste prijs niet valt vast te stellen. Dit is in strijd met het uitgangspunt dat de aanbestedende dienst zoveel mogelijk maatschappelijke waarde dient te creëren. De disproportionele risicoverdeling klemt temeer nu dus sprake is van onmogelijke eisen en een gebrek aan ontwerpvrijheid.
Rijkswaterstaat moet dan ook worden veroordeeld tot aanpassing van de eisen en omdat sprake is van een concurrentiegerichte dialoog moet er ten minste nog één dialoogronde worden gevoerd over de aangepaste eisen.
3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4.1.
De Combinatie heeft op 15 juni 2026 naar aanleiding van de inhoud van de conclusie van antwoord in de hoofdzaak een incident opgeworpen houdende een verzoek tot gerechtelijk bevel overlegging van bepaalde gegevens ex artikelen 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en 195 Rv. De Combinatie heeft de voorzieningenrechter verzocht om Rijkswaterstaat te bevelen om zo snel mogelijk, uiterlijk 24 uur vóór de zitting een afschrift van de volgende gegevens als productie(s) in het geding te brengen, dan wel een afschrift daarvan op grond van artikel 195 Rv aan de Combinatie te verstrekken:
het ontwerp dat Rijkwaterstaat in de voorbereidingsfase heeft laten opstellen door een ingenieursbureau om de maakbaarheid van het project te valideren;
alle gegevens (onderzoeken, berekeningen, tekeningen, ramingen etc.) die aan voornoemd ontwerp en daarmee uitgevoerde validatie ten grondslag liggen; alsmede
alle gegevens/keuzes (verdere ontwerpen, keuze voor wel/niet hanteren van bepaalde eisen, etc.) die uit voornoemd(e) ontwerp en validatie voortkomen.
zo nodig op straffe van een dwangsom, met veroordeling van Rijkswaterstaat in de kosten van het incident.
4.2.
De Combinatie heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat Rijkswaterstaat bij conclusie van antwoord in de hoofdzaak een beroep doet op een validatie dat heeft plaatsgevonden door het ingenieursbureau dat door Rijkwaterstaat is ingeschakeld. De Combinatie meent dat het voor het op waarde schatten van het verweer van Rijkswaterstaat noodzakelijk is om kennis te nemen van de stukken. Ook voert de Combinatie aan dat op Rijkswaterstaat een waarheids- en volledigheidsplicht rust op grond van artikel 21 Rv. Het gaat niet aan dat Rijkswaterstaat ter onderbouwing van haar verweer verwijst naar een ontwerp dat zij in de procedure niet overlegt, zo stelt de Combinatie. Ten slotte wijst de Combinatie op de informatieverplichtingen van de opdrachtgever die uit de UAV-GC 2025 volgen.
4.3.
Rijkswaterstaat heeft bij conclusie van antwoord in incident van 15 juni 2026 verweer gevoerd tegen het gevorderde bevel. Zij heeft daarbij evenwel een drietal producties overgelegd:
een passage uit het ontwerp van RoyalHaskoningDHV (RHDHV);
berekeningen die ten grondslag liggen aan dat ontwerp, eveneens van de hand van RHDHV en
het bovenaanzicht van de trappen in de heftorens uit de validatie van dat ontwerp.
4.4.
Naar aanleiding van de conclusie van antwoord in het incident van Rijkswaterstaat is namens de Combinatie gepersisteerd in haar eis en heeft zij dit toegelicht. Rijkswaterstaat heeft verweer gevoerd. Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter te kennen gegeven uiterlijk op 18 juni 2026 te beslissen op de incidentele vordering. Op 18 juni 2026 is de incidentele eis van de Combinatie bij verkort vonnis afgewezen. Daarvoor is het volgende van belang.
4.5.
De voorzieningenrechter beoordeelt de incidentele vordering, in navolging van de Combinatie, in het licht van de uit de UAV-GC 2025 (en artikel 7 van de MBO) informatieverplichting van de opdrachtgever. De door de opdrachtgever te verstrekken informatie moet de opdrachtnemer/inschrijver in de gelegenheid stellen zich een voldoende reëel, bepaalbaar beeld te vormen van de daadwerkelijke algehele toestand die hij aan zal treffen. Het betreft dan de feitelijke fysieke toestand, zoals de bodemgesteldheid, alsmede de rechtstoestand. Alhoewel de informatieverplichting niet strak afgebakend is, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel met voldoende zekerheid worden gezegd dat het ontwerp dat Rijkswaterstaat heeft laten maken om de maakbaarheid van de brug te valideren en de onderliggende stukken daarbij niet onder de informatieplicht vallen. Deze zien immers niet op de daadwerkelijke toestand en kunnen dus ook niet als noodzakelijk worden bestempeld. Als dat al anders zou zijn, is van belang dat in paragraaf 3, lid 3 van de UAV-GC 2025 is bepaald dat een opdrachtgever (onder voorwaarden) verantwoordelijk is als hij geen, of onvolledige informatie aan de opdrachtnemer ter beschikking heeft gesteld.
Met Rijkswaterstaat is de voorzieningenrechter van oordeel dat het nu juist aan de inschrijvers is om een eigen ontwerp en berekeningen te maken op grond van de gestelde eisen.
4.6.
Daarbij komt dat, zoals hieronder zal blijken, de Combinatie onvoldoende heeft toegelicht haar stellingen over de volgens haar onmogelijke eisen met betrekking tot het profiel vrije ruimte (vgl. 5.3) en de breedte van de trappen (vgl. 5.4), in verband met welke stellingen zij de incidentele vorderingen heeft ingesteld. Vanwege dat gebrek aan toelichting kan niet worden gezegd dat Rijkswaterstaat gehouden was zijn betwisting tot in nader detail te stutten met de in incident gevorderde stukken. Er bestaat thans dan ook onvoldoende procedureel belang bij de vorderingen, hetgeen ook aan toepassing van artikel 22 Rv in de weg staat.
4.7.
In de omstandigheid dat de voorzieningenrechter bij de beoordeling acht slaat op de door Rijkswaterstaat in het incident (onverplicht) in het geding gebrachte stukken, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de kosten van het incident aldus te compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt, ondanks dat de incidentele vordering wordt afgewezen.
5.1.
In de kern ligt voor de primaire vordering de vraag voor of Rijkswaterstaat vanwege bezwaren die de Combinatie in haar klachtbrief en bij dagvaarding heeft opgeworpen, de aanbesteding moet opschorten, de voorwaarden van de opdracht moet aanpassen en of zij gehouden is nog een dialoogronde te houden om de gewijzigde voorwaarden te bespreken. Subsidiair vordert de Combinatie ook een gebod tot opschorting van de aanbesteding, maar dan met een verplichting te motiveren waarom is afgeweken van de Gids Proportionaliteit. De meer subsidiaire vorderingen zien in de kern op intrekking van de aanbesteding en uitkering van de ontwerpvergoeding van € 750.000.
5.2.
Hierna zullen eerst de door de Combinatie gestelde tegenstrijdige en onmogelijke eisen worden beoordeeld.
Gestelde tegenstrijdige en onmogelijke eisen
Profiel vrije ruimte / dikte van de val / maximale hoogte wegas
5.3.
De Combinatie stelt dat het onmogelijk is om gelijktijdig aan de eisen met nummers SYS-00410, SYS-00387, SYS-01569, SYS-01058 en SYS-01062 te voldoen omdat de brug dan niet meer in het ‘plaatje’ past. Dat het voldoen aan deze eisen onmogelijk zou zijn is door de Combinatie echter in het geheel niet toegelicht, terwijl Rijkswaterstaat betwist dat het onmogelijk is. Daarbij komt nog eens dat Rijkswaterstaat deze betwisting kracht heeft bijgezet met in incident verstrekte berekeningen van RHDHV. Bij die stand van zaken wordt kan er niet vanuit worden gegaan dat sprake is van een onmogelijke combinatie van eisen op dit punt.
Gestelde onmogelijke eis voor breedte van de trappen
5.4.
In vraagspecificatie VSE-SYS-02031 is onder meer opgenomen dat de werkbordessen- en trappen een Profiel van Vrije ruimte (PVR) moeten hebben met een breedte van 800 mm (productie 3-4 Combinatie, pagina 83). De Combinatie stelt dat als gevolg van de breedte-eis van de torens, alsmede “de constructie-opbouw en de andere functionaliteiten die noodzakelijk zijn” ook de trappen gelimiteerd zijn in breedte, namelijk maximaal 760 mm. Dat is volgens de Combinatie niet alleen in strijd met voornoemde eis, maar ook met de Machineverordening (EU 2023/1230). De voorzieningenrechter oordeelt dat niet aannemelijk is gemaakt dat een breedte van 800 mm voor de trappen een onmogelijkheid is. Het lag op de weg van de Combinatie om onderbouwd uiteen te zetten waarom de breedte eis van de torens – waarover verder geen toelichting is gegeven – eraan in de weg staat dat de trappen een breedte van 800 mm hebben. Rijkswaterstaat heeft verder bij conclusie van antwoord in het incident onder meer een validatie van RHDHV overgelegd van het bovenaanzicht van de trappen in de heftorens (productie 3 in het incident Rijkswaterstaat) waarin de trappen met de breedte van 800 mm zijn ingetekend. Daarbij komt dat door Rijkswaterstaat erop is gewezen dat op grond van de afbeelding nr 45 uit het E-PvE (pagina 43) volgt dat in de top van de heftorens van ladders in plaats van trappen gebruik mag worden gemaakt. Dit alles in ogenschouw genomen geldt dat de Combinatie ook op dit punt onvoldoende naar voren heeft gebracht om aannemelijk te maken dat sprake is van een onmogelijke eis.
Gestelde onmogelijke eis in het E-PvE over grootte van de kelder
5.5.
De Combinatie wijst erop dat het werk moet voldoen aan de eisen van de hiervoor genoemde Machineverordening. Zij voert aan dat dit consequenties heeft voor de machines, installaties en onderdelen die in de technische ruimtes onder het wegdekniveau (kelder) worden geplaatst. Machines dienen te worden afgeschermd en dienen op een veilige wijze te kunnen worden bereikt voor inspectie en onderhoud. De Combinatie stelt dat op grond van een technische analyse een ruimere kelder nodig is dan in het E-PvE is voorzien. Omdat Rijkswaterstaat niet wil afwijken van haar E-PvE, meent de Combinatie dat sprake is van tegenstrijdigheid met de Machineverordening, waardoor het onmogelijk is om tot een juist ontwerp te komen.
5.6.
Bij dagvaarding heeft de Combinatie voornoemde stelling niet (nader) toegelicht. De Combinatie heeft nadien wel een notitie van [naam 1] + [naam 2] overgelegd waarin de machineveiligheid van het tenderontwerp Gerrit Krolburg is beoordeeld. Met de Staat oordeelt de voorzieningenrechter dat deze notitie onvoldoende aannemelijk maakt dat sprake is van tegenstrijdigheid van de eisen in het E-PvE en eisen uit de Machineverordening. Daarvoor is van belang dat Rijkswaterstaat onbetwist heeft aangevoerd dat de schetsontwerpen die [naam 1] + [naam 2] in haar notitie per onderdeel heeft beoordeeld, niet van Rijkswaterstaat zijn. Verder heeft de Staat benadrukt dat lokale afscherming de voorkeur geniet boven volledige afscherming. Het oordeel van [naam 1] + [naam 2] dat de tekeningen van de onderdelen ‘ruimte tussen de schakelkasten’, ‘ruimte naast de as’, ‘ruimte boven de kabel die uit het kabelwiel komt’ en ‘ruimte voor handbediening’ niet voldoen, slaat dan ook terug op de schetsontwerpen van de Combinatie. In dit kort geding is verder geen afdoende toelichting gegeven over de uitgangspunten die daaraan ten grondslag hebben gelegen. Dat brengt met zich dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de eisen in het E-PvE haaks staan op de eisen in de machineverordening.
Gestelde onmogelijke eis voor plaatsing bordes
5.7.
De laatste gestelde onmogelijke set dwingend voorgeschreven eisen die door de Combinatie naar voren is gebracht houdt verband met de plaatsing van een inspectiebordes. De Combinatie stelt dat de enige oplossing voor de plaatsing daarvan is dat het bordes aan de betonnen wand boven het water wordt geplaatst. Daarvoor zou nodig zijn dat de brug twee meter langer moet worden gemaakt en dat de heftorens verder naar buiten worden geschoven. De Combinatie wijst erop dat dat laatste strijdig is met de eisen uit het E-PvE en het bestemmingsplan.
5.8.
Rijkswaterstaat heeft aangevoerd dat controles niet noodzakelijkerwijs alleen vanaf het water geïnspecteerd kunnen worden. Hij stelt dat dit ook van binnenuit de brug of met laagwerkers vanaf de (aan)brug kan plaatsvinden. Voor wat betreft deze laatste mogelijkheid heeft Rijkswaterstaat gewezen op de agenda die de Combinatie zelf heeft opgesteld en waarin als oplossing voor het risico van ruimtegebrek in de technische ruimte staat opgenomen: “Oplossing: Vanuit beheer en onderhoud accepteren dat opleggingen vanaf aanbrug moeten worden geïnspecteerd + voorzien van extra vastzetinrichting om brug in net geopende stand vast te zetten”.
5.9.
De Staat stelt dan ook terecht dat ook de Combinatie er in ieder geval aanvankelijk niet vanuit is gegaan dat inspecties alleen vanaf het water kunnen plaatsvinden. Dat de werkwijze waarbij inspecties van opleggingen met laagwerkers worden geïnspecteerd strijdig zou zijn met de vraagspecificatie, zoals de Combinatie ter zitting heeft aangevoerd, is niet aannemelijk. De Combinatie wijst in dit verband op SYS-00317. Hierin staat het volgende vermeld: “Afsluitboomkasten, grendels, scheepvaartseinen. De CCTV-installatie en opleggingen van de Beweegbare Brug dienen voor onderhoud en noodbediening eenvoudig en veilig te bereiken te zijn, zonder het landverkeer daarbij te belemmeren”. Dat een inspectie met een laagwerker hinder zal veroorzaken voor het landverkeer kan zonder toelichting, die ontbreekt, niet worden aangenomen. Over de vraag of die werkwijze ‘eenvoudig’ is, kan gediscussieerd worden, maar van een uitsluiting van die mogelijkheid in de vraagspecificatie is geen sprake. Ter zitting is van de zijde van Rijkswaterstaat ook benadrukt dat inspectie met een laagwerker tot de mogelijkheden behoort. Dat sprake zou zijn van een set onmogelijke eisen, is niet aannemelijk geworden.
Bezwaren met betrekking tot toepassing van de UAV-GC 2025 en concurrentiegerichte dialoog
5.10.
Bij dagvaarding heeft de Combinatie het standpunt ingenomen dat Rijkswaterstaat de UAV-CG 2025 ongemotiveerd niet integraal toepast en dat zij Rijkswaterstaat daar veelvuldig op heeft gewezen. De Combinatie heeft deze gestelde afwijkingen die volgens haar tot een disproportionele risicoverdeling leiden in de dagvaarding uiteen gezet. Ook in haar klachtbrief van 5 mei 2026 heeft de Combinatie verschillende gestelde afwijkingen uiteengezet. In de brief heeft de Combinatie concreet verzocht om (onder meer) ‘het schrappen dan wel omzetten van de resultaatsverplichting voor vergunningen naar een inspanningsverplichting conform de UAV-GC 2025 en/of het risico op eventuele consequenties aangaande een tijdige verkrijging van vergunningen onder brengen onder een nader in te richten ‘voorziening’ (…)’. De Combinatie hanteerde bij dagvaarding dan ook nog wel het uitgangspunt dat de aanbesteding conform de UAV-GC 2025 kan plaatsvinden, maar zij stelde dat de toepassing daarvan onjuist was en bijsturing behoefde (waarover hierna meer).
5.11.
Waar de Combinatie in de dagvaarding nog stelt dat van ontwerpvrijheid nauwelijks sprake is omdat in het E-PvE al vergaande ontwerpbeslissingen zijn genomen, heeft zij ter zitting aangevoerd dat de strakke kaders die Rijkswaterstaat hanteert met het E-PvE maken dat er van een design en construct opdracht in het geheel geen sprake is omdat ‘alle’ ontwerpkeuzes voor de Gerrit Krolburg al door Rijkswaterstaat zijn genomen zodat voor opdrachtnemer alleen nog de technische inpassing van de onderdelen resteert. De Combinatie stelt dat daarvoor de traditionele UAV 2012 de geëigende bouwvorm is. Ook stelt de Combinatie dat bij zo’n opdracht de concurrentiegerichte dialoog niet passend is.
5.12.
De voorzieningenrechter gaat voorbij aan de stelling van de Combinatie dat toepassing van de UAV-GC 2025 vanwege de afwezigheid van ontwerpvrijheid niet op zijn plaats is. In de marktconsultatiedocumenten van 29 mei 2024 en 11 februari 2025 (productie 1 en 2 van de Staat) staat vermeld dat Rijkswaterstaat het project integraal als een design & construct-contract volgens de UAV-GC 2025 in de markt wil zetten. Ook in paragraaf 2.2 van de aanbestedingsleidraad staat dit vermeld. De Combinatie heeft verder onbetwist aangevoerd dat in de periode januari tot en met april 2026 dialoogrondes zijn gehouden en dat met de Combinatie vijf specialistische overleggen zijn gevoerd. Aan de Combinatie kan meegegeven worden dat het E-PvE, zoals zij stelt, allerminst ‘hoog over’ enkele esthetische uitgangspunten vermeldt, maar dat daarin vrij gedetailleerde uitgangspunten, kaders en normen zijn opgenomen. De stelling van de Combinatie dat álle ontwerpkeuzes al zijn gemaakt is echter onvoldoende toegelicht. Het door de Combinatie aangehaalde voorbeeld op pagina 53 en 54 van het E-PvE (randnummer 6 pleitnota) is in ieder geval onvoldoende om die conclusie te rechtvaardigen. Daar komt bij dat in het kader van de hierboven opgenomen beoordeling van de door de Combinatie gestelde onmogelijke eisen is gebleken dat kennelijk wel ontwerpkeuzen mogelijk blijven (zoals lokale afscherming in plaats van volledige, en inspectie met behulp van laagwerkers). De voorzieningenrechter zal dan ook als uitgangspunt hanteren dat de opdracht in de vorm van een design & construct contract met als voorwaarden de UAV-GC 2025 kan plaatsvinden. Dat de concurrentiegerichte dialoog voor de aanbesteding niet geschikt zou zijn, is mede gelet op de gehouden dialoogrondes waar dit bezwaar kennelijk niet is opgeworpen, niet aannemelijk gemaakt.
Gestelde disproportionele eisen en voorwaarden
Gestelde afwijking van UAV-GC 2025 doordat Vraagspecificatie hoger in rang staat
5.13.
Artikel 3 lid 2 van de Basisovereenkomst bepaalt de rangorde voor het geval contractdocumenten onderling tegenstrijdig zijn. Deze rangorde is als volgt: a) de Basisovereenkomst, b) de Vraagspecificatie, c) de bij de Vraagspecificatie gevoegde annexen, d) de UAV-GC 2025, e) de Aanbieding en f) de documenten als bedoeld in paragaaf 1 sub d UAV-GC 2025. De Combinatie stelt dat de Vraagspecificatie tal van eisen en voorschriften bevat die tot vergaande afwijkingen van de UAV-GC leiden. Zij stelt dat opdrachtnemer volledig verantwoordelijk is voor het opstellen van een ontwerp dat moet voldoen aan alle eisen waarvan nu al duidelijk is dat die innerlijk tegenstrijdig zijn, terwijl de opdrachtnemer ook onvoldoende ontwerpvrijheid heeft om de opdracht uit te kunnen voeren.
5.14.
Hierboven is geoordeeld dat van de door de Combinatie gestelde tegenstrijdige en onmogelijke eisen niet gebleken is, zodat op voorhand niet aangenomen kan worden dat de opdrachtnemer gehouden is tegenstrijdige eisen in het ontwerp op te nemen. Ook van het ontbreken van ontwerpvrijheid is onvoldoende gebleken. Verder heeft Rijkswaterstaat erop gewezen dat op grond van paragraaf 3 lid 2 UAV-GC 2025 de opdrachtgever verantwoordelijk is voor de juistheid van alle door hem aan opdrachtnemer beschikbaar gestelde informatie. Paragraaf 3 lid 3 van de UAV-GC 2025 bepaalt daarbij dat Opdrachtgever verantwoordelijk is als hij geen of onvolledige informatie ter beschikking heeft gesteld. Daarvan is door Rijkswaterstaat niet afgeweken. Met Rijkswaterstaat is de voorzieningenrechter van oordeel dat het aan Rijkswaterstaat is om zijn inkoopbehoefte en de daarbij behorende uitvraag vorm te geven, en dat het vervolgens aan de Combinatie is om al dan niet op de aanbesteding in te schrijven. Dat daarbij al ontwerpeisen gelden en ook nog ontwerpkeuzes gemaakt moeten worden, betekent niet zonder meer dat de Combinatie benadeeld wordt omdat de Vraagspecificatie hoger in rang staat dan de UAV-GC 2025. Waarom daarmee ten nadele van de opdrachtnemer van een van de belangrijkste beschermingsbepalingen voor opdrachtnemers onder UAV-GC wordt afgeweken, is onvoldoende gemotiveerd toegelicht.
Gestelde disproportionele eis verantwoordelijkheid publiekrechtelijke voorschriften
5.15.
De Combinatie stelt dat de opdrachtnemer in strijd met de UAV-GC 2025 verantwoordelijk wordt gemaakt voor het voldoen aan alle publiekrechtelijke voorschriften en veiligheidseisen en zelfs voor het verkrijgen van alle publiekrechtelijke toestemmingen, waaronder nagenoeg alle vergunningen. Zij meent dat hiermee risico’s bij de opdrachtnemer worden gelegd die deze niet kan beheersen. De voorzieningenrechter oordeelt dat van bedoelde strijd met de UAV-GC 2025 onvoldoende is gebleken. Zo wordt in de eerste plaats door de Combinatie niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze wordt afgeweken van de UAV-GC 2025. Daar komt bij dat Rijkswaterstaat onbestreden uiteen heeft gezet dat in deze aanbesteding Rijkswaterstaat in lijn met paragraaf 9 lid 1 van de UAV-GC 2025 voor de verkrijging van de zes in de annex genoemde vergunningen zorgt, waarvan alleen de marifoonvergunning nog niet is verkregen. Verder is in bepaling B-VE180 van de Vraagspecificatie Proces bepaald dat indien een termijn niet wordt gehaald omdat opdrachtnemer een niet op de annex vermelde vergunning niet tijdig heeft verkregen, de opdrachtnemer verantwoordelijk wordt gehouden, tenzij het niet verkrijgen van die vergunning niet aan hem valt te wijten. Met Rijkswaterstaat is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze regeling niet wezenlijk afwijkt van de in paragraaf 10 lid 1 van de UAV-GC 2025 opgenomen inspanningsverplichting van de opdrachtnemer voor de verkrijging van dit soort vergunningen. In de zevende Nota van Inlichtingen van 11 juni 2026, heeft Rijkswaterstaat dit met MED 0019 verduidelijkt:
“Verduidelijking EIS B-VE180 – Mededeling inzake de inspanningsverplichting als bedoeld in B-VE180 (in afwijking van het antwoord gegeven bij VRA-0424 en VRA-0482). Eis B-VE180 behelst een inspanningsverplichting. B-VE180 is daarmee geen afwijking van paragraaf 10 lid 1 van de UAV-GC 2025.”
Ten slotte geldt dat evident is dat een opdrachtnemer dient te voldoen aan de vergunningen(vereisten) en dat kan dan ook niet disproportioneel worden genoemd.
5.16.
Bij dagvaarding stelt de Combinatie nog dat vanwege voorschriften uit de Flora & Fauna wetgeving er in het broedseizoen (van maart tot en met augustus) in het geheel niet gewerkt mag worden, zodat er in een jaar tijd dus feitelijk maar een half jaar kan worden gewerkt. Rijkswaterstaat heeft in de zevende Nota van Inlichtingen met MED 0020 verduidelijkt dat inschrijvers ervan uit mogen gaan dat de voorschriften ten aanzien van het werken tussen zonsondergang en zonsopgang en het broedseizoen niet zullen worden gehandhaafd. Rijkswaterstaat schrijft: “Opdrachtnemer mag dus werken tussen zonsondergang en zonsopgang en hij mag werken in het geval van broedende vogels, mits Opdrachtnemer werkt op basis van een goedgekeurd ecologisch werkprotocol (paragraaf 4.8 Vraagspecificatie Proces) waarin ook beheersmaatregelen zijn beschreven met betrekking tot onder andere broedende vogels en lichtschuwe dieren.” Blijkens de klachtbrief van 5 mei 2026 (productie 1 de Combinatie) is dit punt overigens al eerder aan de orde gekomen. De Combinatie heeft in deze brief VRA-0393 en het antwoord daarop opgenomen en hieruit volgt dat al eerder een nuance is gemaakt: “Het bevoegd gezag heeft aangegeven dat deze voorschriften dienen te worden genuanceerd. Er kan wel gewerkt worden, mits op basis van een goedgekeurd ecologisch werkprotocol waarin beheersmaatregelen zijn beschreven met betrekking tot onder andere (broed)vogels en lichtschuwe dieren”. Dat Rijkswaterstaat disproportionele eisen zou hanteren doordat opdrachtnemers in een jaar tijd ruim een half jaar niet kunnen werken, is dan ook niet gebleken en net zo min dat Rijkswaterstaat op dit punt pas na dagvaarding een handreiking heeft gedaan.
Gestelde onvoldoende informatievoorziening
5.17.
De Combinatie stelt dat op grond van paragraaf 3 lid 3 UAV-GC een verzwaarde informatieplicht voor Rijkswaterstaat geldt. Zij stelt dat het onmogelijk is dat Rijkswaterstaat alleen over een E-PvE zou beschikken en dat Rijkswaterstaat afwijkt van de UAV-GC door niet extra informatie te verstrekken. In het incident is het verzoek van de Combinatie om Rijkswaterstaat te bevelen informatie van RHDHV te verstrekken afgewezen. Voor het beslissingskader omtrent de verplichting tot informatieverstrekking op grond van paragraaf 3 van de UAV-GC wordt naar de beoordeling van het incident verwezen. Niet aannemelijk is geworden dat Rijkswaterstaat (noodzakelijke) informatie over de onder 4.5 bedoelde daadwerkelijke toestand, waaronder de bodemgesteldheid, beschikt die gedeeld dient te worden. De Combinatie werpt wel in het algemeen op dat gebrekkige informatievoorziening zich vooral wreekt ten aanzien van het effect dat de ondergrond op het werk kan hebben, maar zij stelt niet welke concrete informatie ontbreekt. Niet valt in te zien om welke reden Rijkswaterstaat in strijd met de UAV-GC 2025 zou handelen.
5.18.
Dat Rijkswaterstaat de suggestie van de Combinatie om gebruik te maken van een voorzieningenregeling voor onvoorziene aspecten die de bodem raken niet heeft willen overnemen, kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet tot het oordeel leiden dat sprake is van een disproportionele risicoverdeling. Rijkswaterstaat heeft aangevoerd dat zij vanwege onzekerheid over de aard en het aantal archeologische vondsten en de locatie daarvan een gedetailleerde regeling voor archeologie heeft opgenomen. Ook stelt zij dat, anders dan de Combinatie bij dagvaarding uiteen heeft gezet, voor de sloop van alle landhoofden van de brug (dus niet alleen het Zuidelijk landhoofd) met stelposten wordt gewerkt. Voor wat betreft het verleggen van kabels heeft Rijkswaterstaat onbetwist aangevoerd dat bepaalde kabels en leidingen al zijn verlegd, of dat Rijkswaterstaat daarvoor zorgdraagt gedurende het project, bijvoorbeeld voor tijdrovende of kostbare verleggingen. De Combinatie heeft onvoldoende naar voren gebracht om aan te tonen dat ten aanzien van de risico’s die verband houden met de bodem sprake is van een disproportionele risicoverdeling.
5.19.
Ook stelt de Combinatie dat zich een risico voordoet in geval van prijsstijgingen. Een handelingskader zoals ‘Samen doorbouwen in onzekere tijden’ zou ontbreken. De Combinatie onderkent wel dat Rijkswaterstaat in verband met fluctuerende staalprijzen een regeling heeft getroffen om het risico voor de opdrachtnemer in te perken. Zij weerspreekt ook niet dat in de overeenkomst is voorzien in een risicoregeling in verband met verrekening van wijzigingen van lonen, sociale lasten, prijzen, huren en vrachten. Dat Rijkswaterstaat verder zal terugvallen op de door haar aangehaalde regeling omtrent onvoorziene omstandigheden (paragraaf 44 UAV-GC) als die omstandigheden zich voordoen, is door de Combinatie niet weersproken. Dat desondanks sprake zou zijn van een disproportionele risico-verdeling, is dn ook niet aannemelijk geworden.
Schadevergoeding bij ontbinding
5.20.
Artikel 16 lid 1 van de Basisovereenkomst bepaalt onder meer dat het bedrag aan boetes dat aan opdrachtnemer kan worden opgelegd beperkt is tot 10% van de prijs. De Combinatie voert echter aan dat als de boete van 10% is volgelopen, Rijkswaterstaat na ontbinding nog steeds – ongelimiteerd – schadevergoeding kan vorderen. De Combinatie stelt dat artikel 16 van de basisovereenkomst disproportioneel afwijkt van paragraaf 43 lid 2 UAV-GC 2025. Rijkswaterstaat heeft echter onvoldoende weersproken naar voren gebracht dat nadat de boete van 10% op een aan de opdrachtnemer toerekenbare termijnoverschrijding is volgelopen een recht op ontbinding van de overeenkomst bestaat en dat opdrachtgever na ontbinding recht op schadevergoeding als bedoeld in paragraaf 43 lid 2 UAV-GC 2025 toekomt. In artikel 43 lid 2 UAV-GC 2025 wordt verwezen naar de aansprakelijkheids-beperkingen (in de situatie vóór oplevering) van paragraaf 28a UAV-GC 2025. Deze aansprakelijkheidsbeperking wordt, vanwege de plaatsing in de UAV-GC 2025, geacht proportioneel te zijn. Nu de UAV-GC 2025 geen maximum stelt aan op te leggen boetes, kan niet worden gezegd dat de aansprakelijkheidsvoorwaarden disproportioneel zijn.
Gesteld onrechtmatig prijscriterium en EMVI-BPKV-sancties
5.21.
De stelling van de Combinatie dat sprake is van zoveel risico’s dat het welhaast onmogelijk is om een representatieve prijs voor het werk af te geven, is door Rijkwaterstaat gemotiveerd betwist. Zoals hierboven is geoordeeld, is van tegenstrijdige eisen in de aanbesteding en van een onuitvoerbare opdracht niet gebleken. De enkele beschrijving door de Combinatie van het worstcase-scenario waarin een EMVI-BPKV-sanctie van 150% van de fictieve korting is bepaald, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een disproportionele eis. Rijkswaterstaat heeft toegelicht dat die situatie zich alleen kan voordoen als een opdrachtnemer de hoogste kwaliteitsscore heeft gekregen en opdrachtnemer vervolgens in het geheel niet levert. Dat in dat geval de sanctie disproportioneel uitpakt, kan in redelijkheid niet worden gezegd.
Weerlegging bezwaren Combinatie door Rijkswaterstaat en slotsom
5.22.
De Combinatie heeft er tot slot nog op gewezen dat Rijkswaterstaat nagenoeg alle voorwaarden, ondanks input, kritiek, bezwaren en zelfs een klacht in stand heeft gelaten. Dat zou op zichzelf al getuigen van een disproportionele opstelling van Rijkswaterstaat, aldus de Combinatie. Op Rijkswaterstaat rust vanzelfsprekend geen verplichting suggesties van gegadigden in het proces over te nemen of bezwaren en verzoeken te honoreren. Dat Rijkswaterstaat artikel 3.9 van de Gids Proportionaliteit heeft geschonden is niet gebleken. Rijkswaterstaat heeft aangetoond dat zij gegadigden de gelegenheid heeft geboden om suggesties te doen. Daarvoor zijn ook diverse dialoogrondes gehouden. Ook hebben er drie escalatiegesprekken op directieniveau plaatsgehad. Dat Rijkswaterstaat onwelwillend zou zijn geweest om naar de bezwaren en klachten van de Combinatie te kijken, is niet gebleken. Zo is Rijkswaterstaat eerder ook tot aanpassing overgegaan voor wat betreft de hoogte van de dagboete in artikel 16 van de basisovereenkomst. Van een disproportionele opstelling in het proces is niet gebleken.
5.23.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de Combinatie onvoldoende heeft aangevoerd voor toewijzing van haar primaire vorderingen. Haar vorderingen om Rijkswaterstaat te veroordelen de aanbesteding op te schorten, de voorwaarden aan te passen of om nog een dialoogronde te houden, zullen worden afgewezen. Ook voor toewijzing van de subsidiaire vorderingen (opschorting van de aanbesteding in combinatie met het verstrekken van een motivering waarom is afgeweken van de Gids Proportionaliteit) en de meer subsidiaire vorderingen (intrekking van de aanbesteding en uitkering van de ontwerpvergoeding van € 750.000) is gelet op het oordeel zoals hierboven gegeven geen aanleiding. Rijkswaterstaat kan de aanbesteding voortzetten.
5.24.
De Combinatie is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rijkswaterstaat worden begroot op:
– griffierecht € 735
– salaris advocaat € 1.177
– nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.101
5.25.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De voorzieningenrechter:
In het incident
– wijst de verzoeken van de Combinatie af;
– compenseert de kosten van het incident aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
In de hoofdzaak
– wijst de vorderingen van de Combinatie af;
– veroordeelt de Combinatie in de proceskosten aan de zijde van de Staat gevallen, begroot op € 2.101 (griffierecht € 735, salaris advocaat € 1.177, nakosten € 189 (plus na te melden verhoging)), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de Combinatie niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
– veroordeelt de Combinatie in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
– verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.
ddg
‘De Opdrachtgever is verantwoordelijk indien hij geen, of onvolledige, informatie aan de Opdrachtnemer ter beschikking heeft gesteld en de Opdrachtnemer aantoont dat de tijdens de realisatie van het Werk of het Meerjarig Onderhoud blijkende toestand afwijkt van die welke een zorgvuldig Opdrachtnemer, gegeven de aard, de inhoud en de wijze van totstandkoming van de Overeenkomst, de aard van het Werk, de aard van het Meerjarig Onderhoud en de overige omstandigheden van het geval, redelijkerwijs had mogen verwachten.’