Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:21827

Verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter gevraagd om hun overdracht naar Spanje achterwege te laten totdat is beslist op hun bezwaar tegen die overdracht. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat geen sprake is van gedwongen vertrek. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Rechtbank Den Haag 5 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:21827
text/xml
public
2026-08-05T14:59:37
2026-08-05
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-08-05
NL26.43858
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Voorlopige voorziening
NL
Utrecht
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21827
text/html
public
2026-08-05T14:59:05
2026-08-05
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:21827 Rechtbank Den Haag , 05-08-2026 / NL26.43858

Verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter gevraagd om hun overdracht naar Spanje achterwege te laten totdat is beslist op hun bezwaar tegen die overdracht. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat geen sprake is van gedwongen vertrek. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.43858

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 augustus 2026 in de zaak tussen

[verzoeker 1] , V-nummer: [V-nummer 1] , verzoeker 1

[verzoeker 2]
, V-nummer: [V-nummer 2] , verzoeker 2

tezamen: verzoekers

(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: I. Vugs).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers in verband met hun overdracht naar Spanje. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, omdat geen sprake is van een spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Op 21 juli 2026 heeft de minister een kennisgeving aan verzoekers uitgebracht, waarin is vermeld dat zij op 6 augustus 2026 zullen uitreizen naar Spanje. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

3. De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

4. De voorzieningenrechter kan uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen voor een zitting. De voorzieningenrechter doet dit als onverwijlde spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen zijn geschaad. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding om partijen niet uit te nodigen voor een zitting, gelet op de korte termijn die resteert tot 6 augustus 2026. Partijen worden hierdoor niet in hun belangen geschaad. Verzoekers hebben de gronden van hun verzoek immers naar voren kunnen brengen, de minister heeft daarop heeft gereageerd en verzoekers hebben gereageerd op de reactie van de minister. De voorzieningenrechter sluit daarom het onderzoek.

5. Verzoekers voeren aan dat zij op 6 augustus 2026 worden overgedragen aan Spanje en dat hierin het spoedeisend belang is gelegen. Verzoekers vragen de voorzieningenrechter om te bepalen dat de overdracht achterwege blijft totdat is beslist op het bezwaar en de daarmee samenhangende procedures.

6. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Het gaat in dit geval namelijk niet om gedwongen overdracht, maar om gefaciliteerd vertrek. Volgens de minister betekent gefaciliteerd vertrek dat als verzoekers op 6 augustus 2026 niet meewerken aan het vertrek, zij op die datum niet alsnog gedwongen overgedragen zullen worden aan Spanje.

7. Verzoekers stellen daar tegenover dat wel degelijk sprake is van gedwongen vertrek, omdat een geplande overdracht met een datum en tijdstip, een dreigende feitelijke situatie is. Bovendien stelt de minister in het verweerschrift dat op verzoekers de plicht rust om te vertrekken en dat van hen wordt verwacht dat zij gebruikmaken van de mogelijkheid van gefaciliteerd vertrek.

8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de mededeling van de minister in het verweerschrift dat als verzoekers niet meewerken aan het geplande vertrek op 6 augustus 2026, zij die dag niet alsnog gedwongen overgedragen zullen worden. Dit betekent dus dat verzoekers zelf kunnen beslissen of zij op 6 augustus 2026 wel of niet vertrekken naar Spanje. Dit vindt ook steun in het verslag van het vertrekgesprek van 9 juli 2026, waaruit blijkt dat de regievoerder van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) het volgende aan verzoekers heeft medegedeeld:

“De regievoerder legt uit dat betrokkenen hebben aangegeven mee te werken aan hun overdracht naar Spanje. Mochten betrokkenen ineens besluiten om niet mee te werken of niet in te stappen in de taxi naar de luchthaven of de DOL locatie in [.] , heeft de regievoerder nog de kans om betrokkenen via een gedwongen traject te kunnen uitzetten.”

en

“De regievoerder legt uit dat wanneer betrokkenen niet klaar staan voor de overplaatsing naar de DOL [.] of voor de overdracht naar Spanje en betrokkenen zijn tijdelijk buiten de beschikbaarheid van de Nederlandse autoriteiten de UOD (uiterste overdrachtsdatum) verlengd kan worden met een jaar. DTenV heeft dan een jaar extra de tijd om betrokkenen over te dragen, maar dat wil tevens zeggen dat dat wel een gedwongen overdracht wordt omdat betrokkenen zich (tijdelijk) hebben onttrokken aan toezicht.”.

9. Dat het niet meewerken aan het geplande vertrek kan leiden tot nadelige gevolgen, zoals het verlengen van de overdrachtstermijn en dat verzoekers mogelijk in de toekomst wel gedwongen zullen worden overgedragen, betekent niet dat er op dit moment een spoedeisend belang is bij de gevraagde voorziening.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op 5 augustus 2026 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zie artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikel delen