Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:21963

Dublin - Slovenië. Beroep is ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat overdracht aan Slovenië niet in strijd is met internationale verplichtingen.

Rechtbank Den Haag 6 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:21963
text/xml
public
2026-08-06T11:54:25
2026-08-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-08-06
NL26.19991
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Groningen
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21963
text/html
public
2026-08-06T11:51:58
2026-08-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:21963 Rechtbank Den Haag , 06-08-2026 / NL26.19991

Dublin – Slovenië. Beroep is ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat overdracht aan Slovenië niet in strijd is met internationale verplichtingen.


RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.19991

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

</p> <p> [naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],

van Marokkaanse nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),

en



(gemachtigde: mr. M.C. Post-Kadijk).

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

1.1.

De rechtbank heeft het beroep op 3 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026 gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024/1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMB-verordening). Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria.

4.1.

Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Slovenië op 19 maart 2026 een verzoek om terugname gedaan. Slovenië heeft dit verzoek op 25 maart 2026 op grond van artikel 18, eerste lid, onder b van de Dublinverordening aanvaard.

Zienswijze

5. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waarover de rechtbank moet beslissen. De minister is in het besluit ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.

Is overdracht in strijd met de internationale verplichtingen?

6. Eiser stelt dat ten aanzien van Slovenië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser verwijst hiervoor naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 maart 2026 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 10 oktober 2025. Eiser verwijst hierbij in het bijzonder op de overwegingen in voornoemde uitspraken die zien op de opvangvoorzieningen in Slovenië en de overwegingen die zien op de ontslaggronden van de vluchtelingenadviseurs.

7. De rechtbank is van oordeel dat overdracht aan Slovenië niet in strijd is met internationale verplichtingen. De rechtbank overweegt dat de minister in beginsel ten aanzien van Slovenië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat Europese lidstaten erop mogen vertrouwen dat andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Dit vermoeden is weerlegbaar. De rechtbank stelt vast dat Afdeling in de uitspraken van 8 september 2022, 21 maart 2023, 9 januari 2026 en meest recent op 29 juli 2026 heeft geoordeeld dat de minister ten aanzien van Slovenië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is daarom aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Slovenië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Sloveense autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asielstelsel en de opvangvoorzieningen van Slovenië overleggen en kan hij feiten stellen of verklaringen afleggen over zijn ervaringen in Slovenië die aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat de asielprocedure en/of opvangvoorzieningen in Slovenië systeemfouten bevatten. Van een schending van de voormelde bepalingen zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het Sloveense asiel- en opvangsysteem, pas sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.

7.1.

Uit het AIDA-rapport (update 2025) van mei 2026 volgt dat Dublinclaimanten vanaf het moment van terugkeer naar Slovenië als asielzoekers worden beschouwd en dat zij, net als andere asielzoekers, 3 tot 20 dagen moeten wachten om een asielaanvraag in te dienen. Zodra de asielaanvraag is ingediend, worden zij ondergebracht in een opvanglocatie. Uit het AIDA-rapport volgt echter ook dat in de praktijk opvang wordt geboden aan Dublinclaimanten en dat zij vanaf het moment van het uitdrukken van de intentie om een asielaanvraag in te dienen tot aan het daadwerkelijk indienen van de formele asielaanvraag, opvang zullen genieten in een Asylum Home of Logatec. Uit deze informatie blijkt dus niet, anders dan eiser beweert, dat Dublinclaimanten tot het moment dat zij hun asielaanvraag formeel hebben ingediend zonder opvang komen te zitten. Eisers stelling op zitting dat de opvang in Nederland anders is geregeld, leidt niet tot een ander oordeel. Wat beoordeeld dient te worden is immers de vraag of de opvangvoorzieningen in Slovenië structurele tekortkomingen bevatten. De minister heeft in dit kader terecht overwogen dat het feit dat niet “all services” beschikbaar zijn, niet betekent dat eiser geen opvang heeft of zal krijgen.

7.2.

Ten aanzien van hetgeen eiser heeft aangevoerd over de rechtsbijstand in Slovenië, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat uit het AIDA rapport (update 2025) niet blijkt dat de ontslaggronden in de praktijk heeft geleid tot stelselmatige beperkingen van of problemen met de rechtsbijstand aan asielzoekers.Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is. Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat de asielprocedure in Slovenië als geheel een fundamentele systeemfout bevat die de hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt.

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Slovenië en het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel 84 lid 2 van de AMB-verordening (overgangsmaatregelen).

ECLI:NL:RBDHA:2026:6360.

ECLI:NL:RBDHA:2025:18966.

Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

Verdrag ter bescherming van vluchtelingen.

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

ECLI:NL:RVS:2022:2645.

ECLI:NL:RVS:2023:1106.

ECLI:NL:RVS:2026:120.

ECLI:NL:RVS:2026:4375.

Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

Zie het Jawo-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.

Zie p. 52, AIDA update 2025.

Zie p. 81, AIDA update 2025.

Zie p. 31, p. 80 en p. 97, AIDA update 2025.

Zie hiervoor ook ECLI:NL:RVS:2026:4375.

Artikel delen