Vw 2000. Bewaring. Illegale. Non-refoulement. Hardeker. De rechtbank past in deze uitspraak het arrest Hardeker toe en concludeert dat niet aannemelijk is dat het non-refoulement verbod zal worden geschonden bij terugkeer naar het land van herkomst.
ECLI:NL:RBDHA:2026:21985
text/xml
public
2026-08-06T16:34:04
2026-08-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBOBR:2026:5587
Rechtbank Den Haag
2026-08-05
26.42027
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21985
text/html
public
2026-08-06T14:41:23
2026-08-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:21985 Rechtbank Den Haag , 05-08-2026 / 26.42027
Vw 2000. Bewaring. Illegale. Non-refoulement. Hardeker.
De rechtbank past in deze uitspraak het arrest Hardeker toe en concludeert dat niet aannemelijk is dat het non-refoulement verbod zal worden geschonden bij terugkeer naar het land van herkomst.
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42027
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
1. Met het bestreden besluit van 24 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, C. Haanstra als tolk en de gemachtigde van de minister.
Toetsingskader
2. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zich voordoen.
De gronden die aan de opgelegde maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd
3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
3.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.2.
De minister het ter zitting gesteld dat de gronden onder e en h niet langer aan de maatregel ten grondslag worden gelegd, deze zijn daarmee komen te vervallen.
3.3.
De rechtbank stelt verder vast dat eiser de overige gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gronden onder a, b, r en s feitelijk juist zijn en samen met de toelichting daarbij voldoende zijn om de maatregel te dragen, omdat op grond daarvan kan worden aangenomen dat er een onderduikrisico bestaat.
Non-refoulement
4. Eiser voert aan dat de minister aan hem meer vragen had moeten stellen over het risico op non-refoulement en waarvoor hij vreest. Door dit na te laten bestaat er een fout in de maatregel en is deze onrechtmatig.
4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een gebrek. Eiser heeft verklaard dat hij op straat belandt als hij terug moet naar Marokko en dat hij daar geen familie heeft, dat is de reden dat hij niet terug wil naar Marokko. Daaruit blijkt niet van een risico op ernstige schade. Het is weliswaar kort gemotiveerd in de maatregel van bewaring, maar het is wel opgenomen en er is voldoende naar gevraagd.
4.2.
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 februari 2026 volgt dat de minister -om te voldoen aan de punten 65 en 66 van het arrest Adrar- in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring actief concrete vragen moet stellen om binnen het kader van het zicht op uitzetting binnen een redelijk termijn te onderzoeken en te kunnen beoordelen of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting van de betrokken vreemdeling verzet.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de minister aan eiser heeft gevraagd waarom hij niet terug is gegaan naar Marokko nadat aan hem een terugkeerverplichting is opgelegd. Eiser antwoordt hierop dat hij daar niemand heeft, dat hij wordt mishandeld als hij teruggaat en dat het privé is waarom dat is. Op de vraag: “Kan u of wilt u niet terug naar Marokko?” antwoordt eiser: “Ik kan en wil niet terug’. Even later geeft eiser aan dat hij niet is teruggegaan omdat hij niks of niemand in Marokko heeft. Aan eiser is niet gevraagd of hij bij terugkeer te vrezen heeft voor een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet ook op eisers verklaring dat hij bij terugkeer zal worden mishandeld had het op de weg de minister gelegen om hiernaar tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring te vragen. Door dit na te laten heeft de minister onvoldoende concrete vragen gesteld om te beoordelen of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting van eiser verzet.
4.4.
Uit het arrest Hardeker punt 76 blijkt dat het enkele feit dat de administratieve autoriteit bij de vaststelling van de maatregel tot inbewaringstelling geen rekening heeft gehouden met het beginsel van non-refoulement niet automatisch inhoudt dat de betrokkene onverwijld moet worden vrijgelaten, indien de rechter die bevoegd is voor de toetsing van de inbewaringstelling of de voortzetting van de bewaring van een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land, op grond van zijn eigen, onderscheiden en autonome, onderzoek oordeelt dat het non-refoulementbeginsel zich niet verzet tegen die bewaring met het oog op verwijdering van de betrokkene.
4.5.
De rechtbank stelt vast dat eiser op 11 februari 2025 een asielaanvraag heeft ingediend. Dat hij op 22 februari 2025 met onbekende bestemming is vertrokken en op 24 februari 2025 niet op het gehoor is verschenen. Zijn aanvraag is op 21 maart 2025 met deze reden buiten behandeling gesteld en eiser moet onmiddellijk terugkeren naar Marokko. Eiser is vervolgens op 24 juli 2026 overgedragen vanuit Duitsland aan de Nederlandse autoriteiten. Ter zitting geeft eiser desgevraagd aan dat als hij terug gaat naar Marokko hij mishandeld zal worden, dat hij op straat zal belanden omdat hij daar geen naaste familie heeft en dat hij niet weet wat hij moet dan als hij daar aankomt. Verder geeft hij aan dat hij bekogeld zal worden. Hij verklaart ook dat hij daar niet te veel over kwijt wil. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat eiser bij terugkeer een risico loopt op een behandeling in strijd met het refoulementbeginsel. Eiser heeft geen concrete aanwijzingen gegeven voor een schending van het beginsel van non-refoulement. Eisers algemene, niet-gedetailleerde en niet-concrete verklaringen zijn hiervoor onvoldoende. Eiser heeft daarbij ook niet aannemelijk gemaakt dat hij geen bescherming zou kunnen vragen bij de Marokkaanse autoriteiten. Ook blijft hij vaag over wat hem zou zijn overkomen en door wie. Hij geeft daarbij meermaals te kennen dat deze zaken privé zijn en dat hij hierover niet nader wil uitweiden. Het is de rechtbank daarnaast niet gebleken van andere omstandigheden die leiden tot schending van het beginsel van non-refoulement bij terugkeer van eiser naar Marokko. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het non-refoulementbeginsel zich niet verzet tegen de bewaring met het oog op verwijdering van eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Familie- en gezinsleven
5. In het arrest Adrar heeft het Hof van de Europese Unie (Hof) voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder b), van richtlijn 2008/115 (Terugkeerrichtlijn) zich verzet tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Indien daarvan sprake is ontbreekt het zicht op uitzetting en is de maatregel van bewaring onrechtmatig opgelegd.
5.1.
In het geval van familie- en gezinsleven geeft het Hof aan dat deze in artikel 7 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde rechten niet absoluut zijn en wijst het Hof op de plicht tot loyale samenwerking die op de illegale derdelander rust en hem gebiedt om de bevoegde nationale autoriteit onverwijld in kennis te stellen van relevante ontwikkelingen in zijn familie- en gezinsleven.
5.2.
De rechtbank is in het geval van eiser van oordeel dat de in beroep ingediende stukken geen aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat het recht op eerbiediging van eisers familie- en gezinsleven of het belang van het kind zich verzet tegen zijn verwijdering. Eiser heeft namelijk het bestaan van zijn gestelde familie- en gezinsleven op geen enkele wijze onderbouwd. Hij heeft niet -ook niet ter zitting- aannemelijk gemaakt dat hij een vrouw en kind heeft in Frankrijk en ook niet dat zijn ouders in Frankrijk verblijven. Gelet hierop heeft eiser niet voldaan aan de loyale samenwerking door concrete gegevens te verstrekken over zijn gestelde gezin. De minister heeft zich daarmee terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat zijn familie- en/of gezinsleven zich verzet tegen uitzetting.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
De rechtbank:
– verklaart het beroep ongegrond;
– wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr.drs B.E.C. Bertens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 5 augustus 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb 2000.
ECLI:NL:RVS:2026:329, r.o. 7.2..
HvJEU 4 september 2025, Adrar, C-313/25, ECLI:EU:C:2025:647.
Pagina 5 en 6 van de M110 (proces-verbaal van gehoor bij bewaring-terugkeerbesluit en of inreisverbod) van 24 juli 2026.
Pagina 6 van de M110 van 24 juli 2026.
HvJEU, 25 juni 2026, Hardeker, C-182/26, ECLI:EU:C:2026:518.
Zie naar analogie arrest van 5 maart 2026, Aroja, C‑150/24, ECLI:EU:C:2026:148, punt 100
In rechtsoverweging 82 en 83 van het arrest.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.