Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:22396

Dublin Roemenië - voorlopige voorziening bij bezwaar tegen feitelijke overdracht in spoedpiketfase - overdrachtstermijn rechtmatig verlengd naar drie jaar op grond van artikel 46 lid 2 AMBV - verweerder mocht concluderen dat sprake was van onderduiken bij eerdere geplande overdracht - verlengingsbesluit rechtmatig bekendgemaakt aan eiser - verzoek afgewezen.

Rechtbank Den Haag 26 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:22396
text/xml
public
2026-08-26T14:50:29
2026-08-10
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-07-29
NL26.42883
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
Voorlopige voorziening
NL
Den Haag
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22396
text/html
public
2026-08-26T14:50:11
2026-08-26
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:22396 Rechtbank Den Haag , 29-07-2026 / NL26.42883

Dublin Roemenië – voorlopige voorziening bij bezwaar tegen feitelijke overdracht in spoedpiketfase – overdrachtstermijn rechtmatig verlengd naar drie jaar op grond van artikel 46 lid 2 AMBV – verweerder mocht concluderen dat sprake was van onderduiken bij eerdere geplande overdracht – verlengingsbesluit rechtmatig bekendgemaakt aan eiser – verzoek afgewezen.


RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.42883

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juli 2026 in de zaak tussen

</p> <p> [verzoeker], verzoeker

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Loth),

en



(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).

1. In deze uitspraak oordeelt de voorzieningenrechter over een verzoek tot voorlopige voorziening in het kader van de landelijke spoedpiketregeling, teneinde de geplande overdracht van verzoeker naar Roemenië op 30 juli 2027 om 09:25 uur op te schorten.

1.1

Op 19 november 2025 heeft verzoeker een asielaanvraag gedaan in Nederland.

1.2

Bij besluit van 27 maart 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen op grond van artikel 30 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat Roemenië daarvoor verantwoordelijk is.

1.3

Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 26 juni 2026 is het beroep van verzoeker tegen het overdrachtsbesluit – met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – ongegrond verklaard.

1.4

Op 29 juli 2026 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen de feitelijke overdracht van 30 juli 2026 en heeft – samenhangend met dit bezwaar – de voorzieningenrechter verzocht een verzoek om voorlopige voorziening (NL26.42883), teneinde de geplande overdracht van verzoeker op 30 juli 2026 op te schorten.

1.5

Verweerder heeft op dit verzoek gereageerd met een verweerschrift.

1.6

De voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek gesloten en vanwege onverwijlde spoed – op grond van artikel 8:83, vierde lid van de Awb – op 29 juli 2026 zonder zitting uitspraak gedaan op dit verzoek.

Waar gaat deze zaak over?

2. Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Kameroense nationaliteit. De asielaanvraag van verzoeker is niet in behandeling genomen door verweerder, omdat niet Nederland maar Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Wat zijn de standpunten van partijen over dit verzoek?

3. Verzoeker voert ten eerste aan dat de overdrachtstermijn van 6 maanden verlopen is op 28 juli 2026 en dat zijn asielaanvraag daarom van rechtswege overgenomen is in de nationale procedure. De verlenging van de overdrachtstermijn is onrechtmatig, want verweerder heeft het besluit niet op de juiste wijze bekendgemaakt en daarmee is het besluit ook niet in werking getreden. Ook heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat verzoeker opzettelijk niet heeft meegewerkt aan de overdracht op 15 juli. Verzoeker had op 13 en 14 juli namelijk medische afspraken. Van onderduiken was geen sprake. Ook heeft verweerder er onvoldoende rekening mee gehouden dat hij vanwege deze medische omstandigheden op 15 juli niet kon worden overdragen aan Roemenië.

4. Verweerder heeft schriftelijk gereageerd op de gronden van dit verzoek en geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en overweegt daartoe als volgt.

5.1

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in lopende of toekomstige bodemprocedures over deze feitelijk overdracht.

5.2

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de verlenging van de overdrachtstermijn op rechtmatige wijze bekendgemaakt en is dit besluit van 23 juli 2026 op diezelfde dag nog in werking getreden. Uit de verzendadministratie van verweerder blijkt namelijk dat dit besluit per e-mail aan de gemachtigde van verzoeker is toegezonden op een hem bekend en aan zijn kantoor toebehorend e-mailadres. De stelling dat dit besluit niet tijdig en in goede orde is ontvangen en dat verzoeker niet bekend was met dit besluit of niet had kunnen zijn, wordt dan ook niet gevolgd. Dat de gemachtigde het liever op een ander emailadres had ontvangen maakt dit oordeel niet anders.

5.3

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter mocht verweerder ook concluderen dat verzoeker met onbekende bestemming vertrokken was en mocht de overdrachtstermijn om die reden worden verlengd. Verweerder mocht hierbij betrekken dat verzoeker op 6 juli 2026 – via een e-mail aan zijn gemachtigde – schriftelijk is geïnformeerd over zijn geplande overdracht op 15 juli 2026. Ook heeft op 6 juli 2026 een vertrekgesprek met verzoeker plaatsgevonden, waarin hem dit is verteld. Hierbij is verzoeker uitgelegd hoe de dag van overdracht er feitelijk uit zal zien en dat het belangrijk is dat hij beschikbaar is. Ook is hij uitdrukkelijk gewezen op de gevolgen van niet beschikbaar zijn op de dag van de overdracht. Verzoeker heeft in dit gesprek op 6 juli 2026 aangegeven dat hij alles goed begrepen heeft. Uit het in het procesdossier aanwezige “Standaardformulier tijdelijk buiten bereik” blijkt bovendien dat verzoeker op 14 juli 2026 door het personeel van het COA ook nog mondeling geïnformeerd is over zijn ophaaltijd. Hij gaf toen aan dat hij op tijd bij de receptie aanwezig zou zijn. Op 15 juli 2026 was hij echter niet op locatie en kon de eerst geplande overdracht niet doorgaan. Onder deze omstandigheden heeft verweerder mogen concluderen dat verzoeker zich welbewust heeft onttrokken.

5.4

Uit de eerst in deze procedure overgelegde medische dossierstukken blijkt overigens weliswaar dat verzoeker, zoals hij stelt, op 13 en 14 juli 2026 het ziekenhuis heeft bezocht, maar hieruit blijkt niet dat verzoeker vanwege medische problemen niet kon worden overgedragen. Voor zover hij op dat moment vond dat dit zo was, lag het op zijn weg om hierover in gesprek te gaan met de DT&V, maar dat heeft hij niet gedaan.

5.5

Gelet op het voorgaande heeft verweerder de overdrachtstermijn rechtmatig verlengd en ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de feitelijke overdracht van verzoeker op te schorten.

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de geplande overdracht van verzoeker op 30 juli 2026 naar Roemenië kan doorgaan.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.

De uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen mogelijk.

ECLI:NL:RBDHA:2026:17348.

Artikel delen