Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:22996

Omgang niet in het belang van het kind vanwege te belastende spanningen tussen de moeder en persoon die met hem in nauwe persoonlijke betrekking staat.

Rechtbank Den Haag 1 September 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:22996
text/xml
public
2026-09-01T07:58:13
2026-08-17
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-07-17
C/09/696037 / FA RK 25-9411
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
Beschikking
NL
Den Haag
Civiel recht; Personen- en familierecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22996
text/html
public
2026-09-01T07:57:40
2026-09-01
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:22996 Rechtbank Den Haag , 17-07-2026 / C/09/696037 / FA RK 25-9411

Omgang niet in het belang van het kind vanwege te belastende spanningen tussen de moeder en persoon die met hem in nauwe persoonlijke betrekking staat.


Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-9411

Zaaknummer: C/09/696037

Datum beschikking: 17 juli 2026

<br /> [de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.B. Peters te Zoetermeer.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

<br /> [belanghebbende] ,

hierna te noemen: [belanghebbende] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

<br /> [de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.B. Peters te Zoetermeer.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:

het verzoekschrift, met bijlagen;

het F9-formulier van 24 december 2025 van de zijde van de moeder, met bijlage;

het F9-formulier van 16 februari 2026 van de zijde van de moeder, met bijlage.

De minderjarige [minderjarige] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Op 19 juni 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

de moeder en de vader, bijgestaan door hun advocaat;

[belanghebbende] ;

mevrouw [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Partijen hebben van 2016 tot 2022 een affectieve relatie met elkaar gehad en hebben met elkaar samengewoond.

Uit eerdere relaties van de moeder zijn de volgende drie kinderen geboren:

– [meerderjarige] , op [geboortedatum 1] 2002 te [geboorteplaats] ,

– [jongmeerderjarige] , op [geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats] ,

– [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] .

[belanghebbende] is niet de biologische vader van [minderjarige] .

De moeder oefent het eenhoofdig gezag over [minderjarige] uit.

[minderjarige] verblijft bij de moeder.

[minderjarige] heeft gedurende de relatie van partijen vanaf zijn geboorte in gezinsverband met [belanghebbende] samengeleefd en is mede door [belanghebbende] verzorgd en opgevoed.

[minderjarige] is op 16 december 2025 erkend door de huidige partner van de moeder, de heer [naam 2] .

Bij vonnis van deze rechtbank van 6 juni 2024 is – voor zover hier aan de orde –: een voorlopige omgangsregeling vastgesteld tussen [minderjarige] en [belanghebbende] , waarbij:

– [minderjarige] op zaterdag 8 juni 2024 en op zaterdag 15 juni 2024 na de scouting tot na het avondeten (19.00 uur) bij [belanghebbende] is, waartoe [belanghebbende] [minderjarige] bij de scouting ophaalt en bij de moeder terugbrengt;

– [minderjarige] vanaf zaterdag 22 juni 2024 van zaterdag na de scouting tot zondag na het avondeten (19.00 uur) bij [belanghebbende] is, waartoe [belanghebbende] [minderjarige] op zaterdag bij de scouting ophaalt en op zondag bij de moeder terugbrengt,

een en ander uitvoerbaar bij voorraad verklaard.



De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens:

primair: de omgangsregeling tussen [belanghebbende] en [minderjarige] op te schorten;

subsidiair: de omgangsregeling te beperken tot enkele uren per veertien dagen onder professionele begeleiding, dan wel een zodanige beslissing te nemen omtrent de omgangsregeling die de rechtbank passend en juist acht.

De moeder doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden nadien zijn gewijzigd.

De vader voert mondeling verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.



De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemd vonnis is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Omgang

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft een kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzegt.

Standpunt van de moeder

De moeder heeft van 2017 tot 2022 samen met [belanghebbende] gewoond en samen voor [minderjarige] gezorgd. Volgens haar heeft [belanghebbende] vooral financieel voordeel uit de relatie gehaald. [belanghebbende] had regelmatig geen werk en kampte met een gokverslaving, wat zijn situatie verslechterde. Er ontstonden steeds vaker ruzies en spanningen in huis. De moeder heeft daarvoor hulp gezocht bij verschillende hulpverleningsinstanties, maar er werd geen oplossing gevonden. Daarom heeft zij in 2022 het contact tussen [belanghebbende] en [minderjarige] stopgezet, welk contact weer is hervat met de in het genoemde vonnis vastgestelde omgangsregeling. De moeder is van mening dat [belanghebbende] ’ pogingen om via de rechter omgang af te dwingen vooral bedoeld zijn om haar emotioneel onder druk te zetten, en niet voor het welzijn van [minderjarige] .

De moeder woont inmiddels samen met een nieuwe partner, die [minderjarige] heeft erkend en met wie zij binnenkort zal trouwen. In november 2025 heeft [minderjarige] aangegeven niet meer naar [belanghebbende] te willen gaan, waarna [belanghebbende] de woning van de moeder is binnengedrongen. Daarna volgden bedreigende opmerkingen van [belanghebbende] , waarop de moeder de politie inschakelde. Diverse hulpverleners, waaronder Mentaal Beter Jong, Signtaal en Kracht zijn bij [minderjarige] betrokken en doen onderzoek naar de didactische behoeften van [minderjarige] en een mogelijke taalontwikkelingsstoornis.

Hoewel de moeder omgang op dit moment niet wenselijk acht, is haar verzoek niet gericht op beëindiging van de omgang, maar op een opschorting ervan tot de rust is wedergekeerd. Als hulpverlening in de toekomst aangeeft dat omgang weer wenselijk is, kan het contact wat haar betreft hersteld worden. Mocht de rechtbank besluiten dat omgang niet volgens de bestaande regeling kan doorgaan, dan stelt de moeder voor dat de omgang onder professionele begeleiding plaatsvindt, bijvoorbeeld via Rondom Jou, eens per twee weken enkele uren, en zonder omgang tijdens bijzondere dagen, feestdagen of vakanties en zonder overnachtingen bij [belanghebbende] .

Standpunt van [belanghebbende]

Volgens [belanghebbende] verliep de omgang tussen [minderjarige] en hem goed en deden ze vaak leuke dingen. [belanghebbende] heeft hem tot zijn zesde levensjaar opgevoed als ware het zijn eigen kind. [minderjarige] was bij hem een aanhankelijke en vrolijke jongen. De omgang is volgens [belanghebbende] door de moeder stopgezet omdat er bij hem minder strenge regels gelden dan bij de moeder. Hij betwijfelt sterk dat [minderjarige] zelf aangeeft niet meer naar hem toe te willen en noemt dat het juist in het belang is van [minderjarige] dat er omgang plaatsvindt tussen hen. Daarnaast stelt [belanghebbende] dat de moeder hem van diverse zaken beschuldigt en/of beticht, en dat de moeder [minderjarige] tegen hem zou opzetten. [belanghebbende] heeft contact gezocht met verschillende hulpverleningsinstanties en de politie, maar die konden hem niet verder helpen, omdat hij geen gezag heeft over [minderjarige] . Als de omgang weer wordt opgestart, acht [belanghebbende] het niet nodig dat die onder begeleiding plaatsvindt.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat [belanghebbende] recht heeft op omgang met [minderjarige] , en dat [minderjarige] ook recht heeft op omgang met [belanghebbende] . Desondanks vindt de rechtbank het in dit geval niet in het belang van [minderjarige] om een omgangsregeling vast te stellen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Hoewel de moeder op de zitting heeft aangegeven dat zij het belangrijk vindt dat [minderjarige] op den duur weer contact heeft met [belanghebbende] , is er op dit moment geen enkel draagvlak om omgang tot stand te brengen. Daar komt bij dat de vader van [minderjarige] inmiddels ook deel uitmaakt van het gezin van [minderjarige] en zijn moeder. Ook bij hem is geen enkel draagvlak om op dit moment omgang tot stand te brengen. Die situatie zou omgang met [belanghebbende] voor [minderjarige] belastend maken, omdat hij zich zou moeten verhouden tot twee ouders die de omgang met [belanghebbende] niet steunen. Daarnaast lopen er verschillende hulpverleningstrajecten voor [minderjarige] en is hij is een kwetsbare jongen. Partijen hebben geprobeerd hun conflict op te lossen in meerdere mediationgesprekken, maar dat is niet gelukt. Tijdens de zitting is de mogelijkheid besproken van het aanstellen van een bijzonder curator. Partijen staan daar, net als de Raad, welwillend tegenover. Toch is de rechtbank van oordeel dat, gezien alle hulpverlening die er al loopt, het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is om daar nog een hulpverlener aan toe te voegen. Van belang is dat er (eerst) rust komt voor [minderjarige] . Gelet op de verhoudingen tussen partijen en het gebrek aan vertrouwen en draagvlak bij hen, ziet de rechtbank op dit moment geen ruimte voor een omgangsregeling tussen [minderjarige] en [belanghebbende] .

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.



De rechtbank – met wijziging in zoverre van het vonnis van deze rechtbank van 6 juni 2024 – :

*

wijzigt de omgangsregeling in die zin dat er geen omgangsregeling geldt tussen de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] en [belanghebbende] ;

*

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. T.A.L. Ravenhorst als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 17 juli 2026.

Artikel delen