Wijziging zorgregeling. M.b.t. 16-jarig meisje wordt bepaald dat zij naar eigen inzicht van de zorgregeling mag afwijken.
ECLI:NL:RBDHA:2026:23000
text/xml
public
2026-09-01T08:02:44
2026-08-17
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-07-17
C/09/704325 / FA RK 26-4311
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
Beschikking
NL
Den Haag
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:23000
text/html
public
2026-09-01T08:01:46
2026-09-01
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:23000 Rechtbank Den Haag , 17-07-2026 / C/09/704325 / FA RK 26-4311
Wijziging zorgregeling. M.b.t. 16-jarig meisje wordt bepaald dat zij naar eigen inzicht van de zorgregeling mag afwijken.
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-4311
Zaaknummer: C/09/704325
Datum beschikking: 17 juli 2026
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. Ch.M. van Beuningen te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. Elsinga te Zoeterwoude.
het verzoekschrift van de zijde van de moeder, ingekomen op 29 april 2026;
de brief van 15 mei 2026, met bijlage, van de zijde van de moeder,
het verweerschrift van de zijde van de vader, ingekomen op 25 juni 2026.
De minderjarige [minderjarige 1] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 3 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met een tolk (A.M. van den Berg), de moeder met haar advocaat en een tolk (R.A. Caicedo Larrea), alsmede [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. De advocaat van de vader is niet verschenen. De rechtbank is van zijn afwezigheid ter zitting voorafgaand aan de zitting schriftelijk op de hoogte gesteld.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en zijn een gedeelte van die periode met elkaar getrouwd geweest.
Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats 1], [geboorteland];
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats 2];
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats 2].
– Partijen hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen.
Bij beschikking van 6 december 2018 van deze rechtbank is, voor zover hier van belang, bepaald dat:
de kinderen de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder;
de kinderen bij de vader zullen zijn de ene week maandag uit school tot woensdag naar school en vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur, waarbij de vader de kinderen op zondag om 19.00 uur bij de moeder brengt, en de andere week dinsdag uit school tot woensdag naar school;
de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld conform het aan de beschikking gehechte schema.
– Partijen hebben beiden de Spaanse nationaliteit.
De vader voert verweer en verzoekt de moeder in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek af te wijzen en haar te veroordelen in de werkelijke proceskosten van € 5.000,-, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vader vindt het onnodig dat de moeder deze procedure is gestart. Hij geeft aan dat het voor zich spreekt dat er gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] enige flexibiliteit nodig is rondom de zorgregeling. De vader vindt het voor [minderjarige 1] van belang dat de huidige zorgregeling in stand blijft, maar hij is het ermee eens dat zij hier in overleg met de ouders van moet kunnen afwijken. Dit moet dan wel gaan om kleine incidentele afwijkingen.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek van de moeder.
Inhoudelijke beoordeling
Op grond van artikel 1:253a, vierde lid, in samenhang met artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake de zorgregeling alsmede een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van de hiervoor bedoelde gewijzigde omstandigheden. Die wijziging is erin gelegen dat [minderjarige 1] inmiddels 16 jaar oud is en dus in een hele andere levensfase zit dan toen haar ouders in 2017 het ouderschapsplan opstelden.
Tussen partijen lijkt niet in geschil dat [minderjarige 1] ruimte moet krijgen om af te mogen wijken van de zorgregeling. De rechtbank acht dit ook passend voor een 16-jarig meisje. [minderjarige 1] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter duidelijk aangegeven dat zij het fijn heeft bij beide ouders en dat zij het in principe ook eens is met de geldende zorgregeling, maar dat zij wat meer vrijheid wil hebben om haar eigen gang te gaan. De rechtbank heeft geen zorgen dat [minderjarige 1], als zij die vrijheid krijgt, ervoor zal kiezen om veel minder bij één van haar ouders te verblijven. Nu [minderjarige 1] in de praktijk ervaart dat zij onvoldoende ruimte van de vader krijgt om af te wijken van de zorgregeling, ziet de rechtbank aanleiding om conform het verzoek van de moeder te bepalen dat [minderjarige 1] naar eigen inzicht van de zorgregeling mag afwijken. Dit impliceert dat [minderjarige 1] niet bij elke kleine afwijking van de zorgregeling met haar ouders hoeft te overleggen en dat ook niet de beperking geldt dat slechts incidenteel van de zorgregeling mag worden afgeweken.
Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding om de moeder te veroordelen in de proceskosten. Het verzoek van de vader hiertoe zal dan ook worden afgewezen en de proceskosten zullen worden gecompenseerd als hierna vermeld.
bepaalt in aanvulling op de geldende zorgregeling dat [minderjarige 1] naar eigen inzicht van de zorgregeling mag afwijken, en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.S. Honée, kinderrechter, bijgestaan door mr. J.R. Hokwerda als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juli 2026.