Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:27211

Faillietverklaring ontbonden vennootschap, baten summierlijk gebleken. Partijen hadden reeds regeling getroffen. Ontbindingsbesluit dag voor zitting. Verkoop en verdeling opbrengst activa niet inzichtelijk gemaakt.

Rechtbank Den Haag 30 September 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:27211
text/xml
public
2026-09-30T08:20:21
2026-09-18
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-09-16
C/09/708474 / FT RK 26/399, C/09/26/332 F
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Den Haag
Civiel recht; Insolventierecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27211
text/html
public
2026-09-30T08:19:59
2026-09-30
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:27211 Rechtbank Den Haag , 16-09-2026 / C/09/708474 / FT RK 26/399, C/09/26/332 F

Faillietverklaring ontbonden vennootschap, baten summierlijk gebleken. Partijen hadden reeds regeling getroffen. Ontbindingsbesluit dag voor zitting. Verkoop en verdeling opbrengst activa niet inzichtelijk gemaakt.

vonnis

RECHTBANK
DEN HAAG

Team Toezicht

rekestnummer : C/09/708474 / FT RK 26/399

insolventienummer: C/09/26/332 F

vonnis van 16 september 2026

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoeksters sub 1] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 1] ,

en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoeksters sub 2] B.V., gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2] ,

verzoeksters,

advocaat: mr. G. Janssen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster] B.V.,

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,

vestigingsadres: [adres]

verweerster,

advocaat: mr. F.A. Alkilic.

Waar deze zaak over gaat

Verzoeksters hebben een verzoekschrift ingediend strekkende tot faillietverklaring van verweerster. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Zij legt hierna uit waarom zij zo beslist.

Eerst volgt een overzicht van de procedure.

<br /> 1De procedure

1.1.

Verzoeksters hebben een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot faillietverklaring van verweerster.

1.2.

Het verzoekschrift is op 15 september 2026 in raadkamer behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:

– mr. G. Janssen namens verzoeksters,

– [naam] namens verweerster, bijgestaan door mr. F.A. Alkilic, voornoemd.

<br /> 2Standpunten van partijen

2.1.

Verzoekster sub 1 stelt dat zij vordering op verweerster heeft vanwege geleverde diensten voor een bedrag van € 4.603,06. Verzoekster sub 2 stelt dat zij vordering op verweerster heeft vanwege geleverde diensten voor een bedrag van € 12.443,59.

2.2.

Verweerster heeft verweer gevoerd. Zij voert aan dat de aandeelhouder de dag voor de onderhavige zitting een ontbindingsbesluit heeft genomen. Dat dat besluit nog niet in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is ingeschreven, doet niet af aan de geldigheid van dat besluit. Alle activa zijn dit jaar verkocht. De opbrengsten zijn volledig uitgekeerd aan salarissen voor het personeel. Er zijn dus geen baten ter verdeling meer. De rechtbank kan dus volgens verweerster niet tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek komen. Zij betwist de vorderingen van verzoeksters niet.

<br /> 3De beoordeling
Bevoegdheid

3.1.

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, Verordening 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (herschikking IVO), bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.

Het beoordelingskader

3.2.

Een faillissement kan op verzoek worden uitgesproken wanneer van een vorderingsrecht van een verzoeker is gebleken én is gebleken dat de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen (de faillissementstoestand). Van die toestand is sprake wanneer de schuldenaar diverse schuldeisers heeft en hij niet meer betaalt. Een en ander moet summierlijk blijken, dat wil zeggen dat zowel de toestand als de vordering na een kort, eenvoudig onderzoek moeten blijken. Voor een uitgebreid onderzoek is in een faillissementsprocedure geen plaats.

3.3.

Uit het ter zitting overgelegde aandeelhoudersbesluit van 14 september 2026 blijkt dat

de aandeelhouder heeft besloten de vennootschap te ontbinden met ingang van

14 september 2026, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn. De rechtbank dient

het er dus voor te houden dat deze vennootschap inmiddels is opgehouden te bestaan

op de wijze als bedoeld in artikel 2:19 lid 4 BW (de zogenoemde ‘turboliquidatie’).

Het beoordelingskader bij een ontbonden rechtspersoon

3.4.

Het oordeel van het bestuur – of de vereffenaar – van een ontbonden vennootschap dat

geen baten meer aanwezig zijn en dat de rechtspersoon daarom op grond van artikel

2:19 lid 4 BW is opgehouden te bestaan, is vatbaar voor toetsing door de rechter als

een schuldeiser – stellende dat de vennootschap nog baten heeft – het faillissement van

die rechtspersoon aanvraagt. Komt de rechter tot het oordeel dat summierlijk blijkt van

feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog baten zijn, dan

kan deze – als aan de overige vereisten voor faillietverklaring is voldaan – het

faillissement uitspreken en moet de rechtspersoon geacht worden voor de afwikkeling

van het faillissement te zijn blijven bestaan (Hoge Raad 27 januari 1995,

ECLI:NL:HR:1995:ZC1631).

Verloop van de onderhandelingen

3.5.

Volgens mr. Janssen komt het ontbindingsbesluit gezien de lopende onderhandelingen

volledig uit de lucht vallen en is onduidelijk wat met de activa is gebeurd. Op 6 juli

2026 heeft de rechtbank het faillissementsrekest ontvangen. De eerste behandeling zou

op 28 juli 2026 plaatsvinden, maar die is aangehouden vanwege pogingen om een

betalingsregeling tussen verzoeksters en verweerster tot stand te brengen.

Op 21 augustus 2026 heeft de bestuurder van verweerster ingestemd met het voorstel

inhoudende een betaling van een bedrag van € 7.600,– op 14 september 2026 om

12.00

uur, een bedrag van € 6.000,– op 15 oktober 2026 en een bedrag van € 5.000,–

op 15 november 2026. Op 14 september 2026, de dag voor onderhavige zitting, heeft

mr. Janssen nog contact per telefoon en e-mail gehad met de bestuurder van

verweerster over deze afgesproken maar nog niet nagekomen betalingsregeling.

De bestuurder heeft toen met geen woord gerept over een voorgenomen of reeds

genomen ontbindingsbesluit. Mr. Janssen mocht er dus van uitgaan dat nog sprake was

van mogelijke (onderhandelingen over) betalingen.

Opbrengsten van de activa

3.6.

Ter zitting is namens verweerster het ontbindingsbesluit toegelicht met de verklaring

dat verweerster slechts schulden heeft, en geen baten. Dat is onderbouwd met twee

balansen: een per 31 december 2025 en een per 10 september 2026. Op eerstgenoemde

balans staan de activa voor een totaalbedrag van € 21.945,– vermeld. De activa bestaan

uit een post Inventaris van € 6.810,–, een post Debiteuren van € 9.832,– en een

post Liquide middelen van € 5.303,–. Op de balans per 10 september 2026 staat

daarentegen aan activa vermeld: nihil. Desgevraagd heeft verweerster verklaard dat alle

activa in 2026 zijn verkocht en dat de opbrengsten zijn gebruikt om het personeel te

betalen. Die stelling is echter niet met stukken onderbouwd. Verweerster heeft niet

inzichtelijk gemaakt hoe de baten die er in 2025 nog waren, zijn aangewend ter

aflossing van schulden. Ook is overigens onduidelijk waarom de vaste activa

er niet meer zijn. Verweerster heeft immers volgens verzoeksters verklaard dat zij nog

bezig was opdrachten binnen te halen om daarmee inkomsten te genereren. De verkoop

van activa is lastig daarmee te rijmen, aangezien de activa nodig zijn om (eventuele)

opdrachten te kunnen uitvoeren. Het is de rechtbank in elk geval bij gebrek aan stukken

niet duidelijk wanneer de activa dit jaar zouden zijn verkocht, wat de opbrengsten

daarvan zouden zijn geweest en in hoeverre die inkomsten ten goede zijn gekomen aan

de schuldeisers. Dat alle (vermeende) opbrengsten zijn uitbetaald aan het personeel kan

de rechtbank niet vaststellen.

3.7.

Het vorenstaande maakt dat naar het oordeel van de rechtbank summierlijk is gebleken

van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog baten

(kunnen) zijn.

Vorderingen verzoeksters en pluraliteit

3.8.

Verweerster heeft de vorderingsrechten van verzoeksters niet weersproken. Dat maakt

dat summierlijk daarvan is gebleken en dat ook aan het pluraliteitsvereiste is voldaan.

Faillissementstoestand

3.9.

Verweerster heeft niet weersproken dat zij de vorderingen van verzoeksters niet meer

kan betalen. Ook uit het ontbindingsbesluit volgt dat verweerster is komen te verkeren

in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen, zodat daarvan wordt uitgegaan.

3.10.

De rechtbank zal het verzoek tot faillietverklaring daarom toewijzen.

3.11.

De rechtbank zal, vanwege het uit te spreken faillissement, een rechter-commissaris benoemen en een curator aanstellen. De rechtbank zal de curator de opdracht geven om de aan verweerster gerichte post in te zien.

<br /> 4De beslissing

De rechtbank:

– verklaart [verweerster] B.V. voornoemd, in staat van faillissement;

– benoemt tot rechter-commissaris mr. C.G.E. Prenger;

– stelt aan als curator mr. R. Wijn, advocaat te Rotterdam;

– geeft de curator opdracht om de post van verweerster in te zien;

bepaalt:

– dat de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam vanaf heden alle taken die de wet in een faillissement aan de rechtbank opdraagt, met uitzondering van de tegen de faillietverklaring in te stellen rechtsmiddelen, na deze beslissing en de publicatie daarvan, zal vervullen;

– dat door de griffier een afschrift van dit vonnis en de overige op de zaak betrekking hebbende stukken per post aan de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, worden verzonden;

– dat de griffier van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam wordt verzocht de ontvangst van genoemd vonnis, de genoemde stukken en het overnemen van de behandeling van het faillissement schriftelijk te bevestigen aan de griffier van de rechtbank Den Haag;

– dat het faillissement, nadat door de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam daaraan een dossiernummer is toegekend, uitsluitend met dat nummer zal worden aangeduid;

– dat de curator alleen verslag behoeft uit te brengen aan de benoemde rechter-commissaris en dat alle betrokkenen zich vanaf heden uitsluitend zullen richten tot de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, dan wel de benoemde rechter-commissaris;

– dat de rechtbank Den Haag dit vonnis zal publiceren en dat alle verdere publicaties zullen worden verricht door de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam.

Dit is een beslissing van mr. L. Mundt, rechter, in samenwerking met R. Becker, griffier.

Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026 om 10:30 uur.

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan degene die is verschenen en aan wie de Faillissementswet dat recht toekent gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.

Artikel delen