Asiel Jemen. Geloofwaardigheidsbeoordeling. 15c-beoordeling. De minister mag uitgaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in Al Hudayda. Ongegrond.
Asiel Jemen. Geloofwaardigheidsbeoordeling. 15c-beoordeling. De minister mag uitgaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in Al Hudayda. Ongegrond.
(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal)
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst.
2. Problemen met de autoriteiten door uiten kritiek.
3. Problemen door deelname aan protest in Nederland.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste motief geloofwaardig is en het tweede en het derde motief niet. Het eerste asielmotief maakt niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer. Omdat eiser zich niet onmiddellijk na binnenkomst in Nederland heeft gemeld concludeert de minister dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.
5. Eiser stelt dat het beleid omtrent de geloofwaardigheidsbeoordeling, zoals is opgenomen in WI 2024/6, een onjuiste toepassing van het Unierecht is. Elk document dat wordt overgelegd ter onderbouwing van een asielrelaas dient te worden beschouwd als element waarmee rekening dient te worden gehouden overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn. Dat eiser het originele arrestatiebevel en het origineel van het bevel tot gedwongen voorgeleiding moet indienen gaat dus te ver. Ook kopieën hebben bewijswaarde. Uit de motivering in de besluitvorming moet blijken dat de overgelegde documenten in onderlinge samenhang met de verklaringen van de vreemdeling en wat algemeen bekend is uit openbare bronnen zijn beoordeeld. Dit heeft de minister niet gedaan. Daarbij is eiser in grote lijnen wel geloofwaardig geacht, omdat artikel 31, zesde lid, onder e van de Vreemdelingenwet (Vw) niet aan eiser is tegengeworpen.
De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 8 augustus 2025 twee uitspraken
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij pas in mei 2025 voor het eerst heeft verklaard over zijn problemen met de autoriteiten door het uiten van kritiek, terwijl eiser al in september 2022 Nederland is ingereisd, zijn asielaanvraag van 7 april 2023 dateert en hij al verschillende keren was gehoord. Volgens eiser zou hij in 2015 kritiek hebben geuit
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister terecht heeft overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij problemen heeft ondervonden of zal ondervinden door de deelname aan een protest of demonstratie in Nederland. Allereerst was de demonstratie waar eiser bij aanwezig was, gericht op het Nederlandse asielbeleid ten aanzien van Jemen en niet tegen de Houthi’s. Eiser heeft
De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister in de bestreden beschikking eisers verklaringen en de ingediende stukken kenbaar in onderlinge samenhang heeft beoordeeld en gewogen. Dat eiser in grote lijnen geloofwaardig is bevonden en artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw (oud) niet aan eiser is tegengeworpen, betekent niet dat eiser op alle onderwerpen geloofwaardig heeft verklaard. De minister heeft alle relevante aspecten betrokken en voldoende gemotiveerd waarom het asielrelaas niet geloofwaardig is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister in dit geval niet een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt, zodat het beroep op dit punt ongegrond is.
7. Als gevolg van het arrest X en Y
uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;
relatief hoger niveau van willekeurig geweld;
relatief lager niveau van willekeurig geweld.
Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister het hoogste niveau van willekeurig geweld. In WBV 2024/9 heeft de minister dit niet langer aangenomen en is, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen de middelste gradatie van willekeurig geweld geldt: een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.
De Afdeling is in de uitspraak van 16 juli 2025
slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;
de recente confrontaties;
het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en
de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen.
Op het moment van genoemde Afdelingsuitspraak was het Algemeen Ambtsbericht Jemen 2025 al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen een nieuwe beoordeling te maken met inachtneming van dit nieuwe Ambtsbericht. In de Kamerbrief van 8 oktober 2025
8. De rechtbank stelt vast dat bij de beoordeling van 15c, allereerst moet worden vastgesteld waar eiser zijn normale woon- en verblijfplaats had, zodat duidelijk is waar hij naar terug zal moeten keren. De minister heeft Al Hudayda aangewezen als vaste woon- en verblijfsplaats, eiser meent dat dit Taiz moet zijn. Bij de beoordeling van de normale woon- en verblijfsplaats dient te worden bezien waar de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst feitelijk gedurende enige tijd heeft verbleven en onder welke omstandigheden dit verblijf plaatsvond. De geboorteplaats is daarbij niet van belang.
De volgende vraag is of de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiser kan terugkeren naar deze vaste woon- en verblijfplaats. De minister heeft erop gewezen dat hij bij zijn beoordeling niet alleen de aantallen dodelijke slachtoffers van geweld in verhouding tot de totale bevolking heeft betrokken, maar ook de humanitaire omstandigheden en op welke wijze deze beïnvloed werden door methoden van oorlogsvoering. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat het zorgelijk is dat veel mensen in Jemen afhankelijk zijn van humanitaire hulp zowel in het door de regering gecontroleerde gebied als in Houthi-gebied, maar dat uit het Ambtsbericht Jemen 2025 ook volgt dat met name de Houthi’s oorlog bewust gebruikten om de humanitaire situatie te verslechteren in frontlinies, regio’s onder eigen controle en indien mogelijk regeringsgebieden. Het aantal incidenten kent daarbij in Al Hudayda echter nog altijd een zeer sterke daling ten opzichte van het niveau van 2022 en daarvoor. Verder vindt er in Al Hudayda nog steeds nieuwe ontheemding plaats, maar ondanks dat in deze provincie ook overstromingen hebben plaatsgevonden wordt Al Hudayda niet genoemd als provincie waar de meeste voedselonzekerheid voorkomt. Ook is de minister nagegaan of er relevante wijzigingen in de veiligheidssituatie van Al Hudayda zijn geweest. Zoals volgt uit het arrest CF en DN moeten de relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen. Dat heeft de minister conform de opdracht van de Afdeling van 16 juli 2025 naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate gedaan. De rechtbank is in lijn met uitspraken van de meervoudige kamer van 10 augustus 2026 van deze zittingsplaats, van oordeel dat de minister met de aanvullende motivering in voldoende mate alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen die van belang zijn voor de beoordeling van de mate van willekeurig geweld in, in dit geval, Al Hudayda, Jemen.
De rechtbank oordeelt dat de minister op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat de landeninformatie in onderlinge samenhang bezien – de afgenomen algemene geweldsintensiteit, de daling van het aantal burgerslachtoffers afgezet tegen het inwonertal, de omvangrijke ontheemdenstromen in Jemen die in Al Hudayda, afgezet tegen het inwoneraantal, beperkt is en de slechte maar niet doorslaggevende humanitaire situatie – onvoldoende grond biedt voor het standpunt dat in de provincie Al Hudayda sprake is van het hoogste niveau van willekeurig geweld. Wat eiser daartegen heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
Bovenstaande betekent dat de minister uit mag gaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in Al Hudayda. Dit houdt in dat eiser op basis van zijn individuele omstandigheden aannemelijk moet maken waarom juist hij specifiek een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat hij door zijn psychische problemen een verhoogd risico loopt. Hij heeft een uitdraai van zijn medisch dossier ingediend en een tussentijdse berichtgeving van Kleur GGZ. Uit deze stukken volgt dat eiser depressieve klachten heeft die voortkomen uit de duur en onzekerheid van zijn asielprocedure. Zoals de minister ter zitting terecht heeft toegelicht is hiermee door eiser onvoldoende onderbouwd waarom juist eiser als individu door zijn psychische problemen een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van het willekeurige geweld. Eiser heeft eerder zelf juist verklaard dat hij niet meer risico loopt dan ieder ander in Jemen. Het beroep slaagt op dit punt niet.
9. Eiser stelt dat hij door de problemen en zijn (psychische) gezondheid bij terugkeer naar Jemen in een situatie van materiele deprivatie terecht zal komen.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het tweede en derde asielmotief niet geloofwaardig zijn. Daarnaast komt de slechte psychische gezondheid van eiser, volgens de ingediende stukken, voort uit de duur en onzekerheid van zijn asielprocedure. Eiser heeft niet toegelicht hoe deze gezondheidsproblemen er bij terugkeer voor zouden zorgen dat hij in een situatie van materiele deprivatie terecht zal komen. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er geen reden is om aan te nemen dat eiser terecht zal komen in een situatie van materiële deprivatie of in slechte humanitaire omstandigheden als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.
10. Tot slot stelt eiser dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser benoemt dat hij inderdaad eerst ondergedoken heeft gezeten zodat hij binnen de Dublinprocedure niet teruggestuurd kon worden naar Frankrijk. Aan onderduiken of frustreren van een Dublinoverdracht is echter enkel de sanctie verbonden van het verlengen van de overdrachtstermijn in de Dublinprocedure. Dit mag volgens eiser niet doorwerken in de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag. Eiser verwijst daartoe naar een uitspraak van de zittingsplaats Roermond.
De aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h van de Vw (oud), omdat eiser zich niet onverwijld heeft gemeld. Dit volgt uit artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn. De Procedureverordening is op grond van artikel 79 van de Procedureverordening van toepassing op aanvragen van ná 12 juni 2026. Voor aanvragen van vóór 12 juni 2026 geldt de Procedurerichtlijn nog. Artikel 32 van de Procedurerichtlijn geldt hier dus nog. Daarin is opgenomen dat in nationale wetgeving bepaald kan worden wanneer een aanvraag als kennelijk ongegrond wordt afgedaan. In dit geval is het oude artikel 30b van de Vw (oud) nog van toepassing
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser geen verblijfsvergunning krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBDHA:2026:22370, ECLI:NL:RBDHA:2026:22376 en ECLI:NL:RBDHA:2026:22379.
Uitspraken van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14846 en ECLI:NL:RBDHA:2025:14853.
Pag. 9 nader gehoor.
Pag. 11 nader gehoor.
Pag. 10 nader gehoor.
De rechtsopvolger van de op 12 juni 2026 ingetrokken Kwalificatierichtlijn.
HvJEU 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:2927.
Artikel 15 van de Kwalificatieverordening komt overeen met ditzelfde artikel in de Kwalificatierichtlijn en hieraan moet daarom, voor zover voor deze uitspraak relevant, dezelfde uitleg worden gegeven.
ECLI:NL:RVS:2025:3153.
19 637, nr. 3489.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:3628 en 18 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:357.
Uitspraken van 10 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:22376, ECLI:NL:RBDHA:2026:22370 en ECLI:NL:RBDHA:2026:22379.
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden.
Uitspraak van 19 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5570.
Artikel IX, zesde lid, aanhef en onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026.