Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:29202

Afwijzing asiel Syrië. Geen procesbelang. In beroep met onbekende bestemming vertrokken. Geen contact met gemachtigde. Beroep niet-ontvankelijk.

Rechtbank Den Haag 2 October 2026

Jurisprudentie – Uitspraken





ECLI:NL:RBDHA:2026:29202
text/xml
public
2026-10-02T18:34:28
2026-10-02
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-10-02 NL26.27633 Uitspraak Eerste aanleg – enkelvoudig NL
Den Haag
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht


Rechtspraak.nl




http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:29202
text/html
public
2026-10-02T18:33:55
2026-10-02
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:29202 Rechtbank Den Haag , 02-10-2026 / NL26.27633





Afwijzing asiel Syrië. Geen procesbelang. In beroep met onbekende bestemming vertrokken. Geen contact met gemachtigde. Beroep niet-ontvankelijk.


RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.27633
<br /> [naam], eiser,
geboren op [datum] 1996,

van Syrische nationaliteit,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),
en



(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 12 mei 2026 waarbij de minister zijn asielaanvraag van 30 december 2023 heeft afgewezen als ongegrond. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld op 17 mei 2026.
1.1.

De minister heeft bericht dat eiser op 13 augustus 2026 met onbekende bestemming is vertrokken.
1.2.

De rechtbank heeft bepaald dat een behandeling op zitting achterwege blijft, omdat partijen niet hebben aangegeven dat zij hier gebruik van wensen te maken. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser een actueel en reëel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Dat is volgens de rechtbank niet het geval. Daartoe overweegt zij als volgt.
3. De minister heeft de rechtbank op 27 augustus 2026 bericht dat eiser met onbekende bestemming (MOB) vertrokken is gemeld op 13 augustus 2026, omdat eiser zelfstandig zijn woonruimte heeft verlaten. Bij brief van 21 september 2026 heeft de minister bericht dat eiser zich niet opnieuw heeft gemeld. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens op 21 september 2026 bericht dat hij geen contact meer heeft met eiser. 3.1.

Uit vaste rechtspraak volgt dat als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in principe vanuit gegaan kan worden dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming. Dit is anders als de vreemdeling nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde. In dat geval kan worden aangenomen dat de vreemdeling nog prijs stelt op bescherming in Nederland.
3.2.

Op basis van de informatie van de minister en de gemachtigde van eiser, neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Er zijn geen concrete aanknopingspunten om anders te oordelen.

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser niet inhoudelijk beoordeelt. De afwijzing van zijn asielaanvraag en het terugkeerbesluit blijven daarom in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000.



Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dit mogelijk.



Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662).

Artikel delen