De militaire kamer veroordeelt verdachte wegens het medeplegen van gekwalificeerde opzetaanranding en het medeplegen van het opzettelijk een andere militair feitelijk aanranden tot twee weken militaire detentie, waarvan één week voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering benadeelde partij.
ECLI:NL:RBGEL:2025:12060
text/xml
public
2026-07-28T11:59:49
2026-07-16
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Gelderland
2025-12-01
05-070460-25
Uitspraak
Eerste aanleg – meervoudig
NL
Arnhem
Strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:12060
text/html
public
2026-07-22T10:06:59
2026-07-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBGEL:2025:12060 Rechtbank Gelderland , 01-12-2025 / 05-070460-25
De militaire kamer veroordeelt verdachte wegens het medeplegen van gekwalificeerde opzetaanranding en het medeplegen van het opzettelijk een andere militair feitelijk aanranden tot twee weken militaire detentie, waarvan één week voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering benadeelde partij.
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/070460-25
Datum uitspraak : 1 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige militaire kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. M.L. Koper, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 02 december 2024 in de gemeente Ermelo, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen met een persoon, te weten [aangever] een of meer seksuele handelingen heeft/hebben verricht, te weten- het (over de kleding) meermalen, althans eenmaal, slaan en/of betasten en/of aanraken van de billen en/of de anus van die [aangever] en/of- het (over de kleding) aanraken en/of brengen van de vinger in/tegen de anus van die [aangever] en/of- het (over de kleding) betasten en/of aanraken en/of vastpakken en/of vastgrijpen van de penis van die [aangever] ,althans het betasten van het lichaam van die [aangever] ,
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader, wisten, althans ernstige reden hadden om te vermoeden dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak,
en welke opzetaanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door- onverhoeds (over de kleding) de billen en/of de anus van die [aangever] te betasten en/of- onverhoeds (over de kleding) aanraken en/of brengen van de vinger in/tegen de anus van die [aangever] en/of- onverhoeds (over de kleding) betasten en/of aanraken en/of vastpakken en/of vastgrijpen van de penis van die [aangever] en/of- daarbij voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand van die [aangever] en/of- door die [aangever] bij de schouder(s) en/of arm(en) vast te pakken en/of (vervolgens) tegen de muur te drukken en/of in een hoek te drijven en/of vast te houden en/of- (aldus) een bedreigende situatie voor die [aangever] te doen ontstaan;
2.hij, als militair, in de rang van soldaat 3, op of omstreeks 02 december 2024 in de gemeente Ermelo, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk [aangever] , die toen militair, in de rang van soldaat 3 was, althans die bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam was, feitelijk heeft bedreigd met geweld en/offeitelijk heeft aangerand door toen en daar opzettelijk
– die [aangever] meermalen, althans eenmaal, op/tegen de billen te slaan en/of de billen en/of de anus van die [aangever] (over de kleding) te betasten en/of aan te raken en/of- (over de kleding) aanraken van en/of een vinger in/tegen de anus van die [aangever] te brengen en/of- de penis van die [aangever] (over de kleding) te betasten en/of aan te raken en/of vast te pakken en/of vast te grijpen en/of- die [aangever] bij de schouder(s) en/of arm(en) vast te pakken en/of (vervolgens) tegen de muur te drukken en/of in een hoek te drijven en/of vast te houden.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 primair vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende steunbewijs. Er zijn namelijk geen getuigen die de vermeende aanranding hebben waargenomen. Verder toonde aangever niet direct na het incident emoties. Bovendien zouden die emoties ook een gevolg kunnen zijn van pestgedrag. Datzelfde geldt voor de verklaring van getuige [getuige 3] dat verdachten aangever insloten en de verklaring van [getuige 1] dat verdachten aangever in een hoek hadden gedreven en dacht dat het om stoeien ging. Ook die kunnen dus niet worden gebruikt als steunbewijs voor de tenlastegelegde feiten
Subsidiair, indien de militaire kamer van oordeel is dat er voldoende steunbewijs is voor feit 1, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte partieel zou moeten worden vrijgesproken van verschillende onderdelen van de tenlastelegging. Zo kan dwang, geweld en/of bedreiging niet worden bewezen, omdat dit volgens de verdediging feitelijk niet mogelijk is in de gang waar de aanranding zou hebben plaatsgevonden. Verder heeft verdachte verklaard dat hij slechts zijn hand op de schouder van aangever heeft gelegd.
Verder heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de opzetaanranding niet kan worden bewezen wegens het ontbreken van opzet. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte zich expliciet op het standpunt stelt dat hij niet heeft begrepen dat aangever iets niet prettig vond.
Verdachte zou eveneens moeten worden vrijgesproken van de schuldaanranding, omdat hij geen seksuele handelingen heeft verricht en aangever geen duidelijk waarneembare signalen heeft gegeven die aantoonden dat zijn wil ontbrak. Daarbij komt dat aanrakingen op de schouder en het bovenbeen in de (opleidings)context van Defensie geen uitdrukkelijke wil verlangt, omdat dit soort aanrakingen bij Defensie gebruikelijk zijn.
De raadsvrouw heeft ook aangevoerd dat het tenlastegelegde medeplegen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, omdat de seksuele handelingen volgens aangever zijn verricht door de medeverdachte. Verdachte heeft hieraan geen significante bijdrage geleverd, zodat hij van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.
Tot slot kan volgens de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen worden dat seksuele handelingen zijn verricht rondom de penis en/of in de schaamstreek van aangever. Aangever zou tegen getuige [getuige 2] hebben gezegd dat hij bij zijn penis zou zijn aangeraakt, maar getuigen [getuige 1] en [getuige 3] hebben van aangever gehoord dat hij twee keer in zijn ballen zou zijn gegrepen of geknepen. Gelet op deze onduidelijkheden moet verdachte hiervan worden vrijgesproken. Verdachte heeft het bovenbeen van aangever aangeraakt, maar dit valt niet onder de schaamstreek en kan vanwege het ontbreken van een seksuele aard geen aanranding opleveren.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw eveneens vrijspraak bepleit. Militaire aanranding moet namelijk eerder worden vergeleken met eenvoudige mishandeling en staat niet in verband met een door de dader te bereiken seksueel doel. Verder heeft de raadsvrouw ten aanzien van dit feit verwezen naar hetgeen zij over feit 1 heeft aangevoerd.
Beoordeling door de militaire kamer
De betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de militaire kamer voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat alleen het vermeende slachtoffer en de vermeende dader(s) aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen mee dat slechts de verklaring van het vermeende slachtoffer als wettig bewijsmiddel kan dienen. In dit geval is dat de verklaring van [aangever] .
Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige of enkel op basis van de verklaring of aangifte van het slachtoffer. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de militaire kamer verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de in deze verklaring genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Dit betekent dat – in een geval als dit, waarin wordt ontkend dat de handelingen zijn gepleegd, dan wel wordt aangevoerd dat de handelingen niet ontuchtig zijn, en er geen getuigen van de ten laste gelegde seksuele handelingen zijn – de militaire kamer eerst de betrouwbaarheid van de verklaring van het vermeende slachtoffer moet beoordelen en daarnaast moet bepalen of voor de verklaringen van het vermeende slachtoffer voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.
Dat steunbewijs hoeft, zo volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, bij zedenzaken niet per definitie te zien op de ontuchtige handelingen zelf. Het is afdoende wanneer de verklaring van de aangever op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Met andere woorden: de bewezenverklaring van onderdelen van de tenlastelegging kan wel op één enkele verklaring berusten.
Dit steunbewijs kan onder andere worden gevormd door bewijsmiddelen over de emotie bij het slachtoffer na het delict. Het tijdsverloop is daarbij relevant, hoewel niet alleen emoties die kort na het incident zijn waargenomen voldoende steunbewijs kunnen opleveren (zie bijvoorbeeld de door de Hoge Raad gevolgde conclusie in ECLI:NL:PHR:2024:356 en ECLI:NL:PHR:2024:508).
Verder is van belang dat de militaire kamer uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting onverminderd de overtuiging moet krijgen dat het feit is gepleegd zoals het de verdachte wordt verweten. Zeker als de bewijsmiddelen schaars zijn, moet de militaire kamer behoedzaamheid betrachten om, op grond van hetgeen overigens blijkt, aan te nemen dat het feit is gepleegd.
In dit verband overweegt de militaire kamer het volgende.
In tegenstelling tot de verdediging vindt de militaire kamer de verklaringen van aangever gedetailleerd en op hoofdlijnen consistent. Hij lijkt het incident en het aandeel van verdachten daarin niet groter te maken dan het was. Eventuele onduidelijkheden en inconsistenties tussen zijn verklaring tijdens het informatief gesprek zeden en zijn uiteindelijke verhoor wijt de militaire kamer aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen. Bovendien zien deze verschillen niet op elementaire onderdelen van het tenlastegelegde, maar op ondergeschikte punten. De militaire kamer acht de verklaring van aangever dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
De verdediging heeft met betrekking tot het steunbewijs aangevoerd dat geen van de getuigen de vermeende handelingen heeft gezien of gehoord. Het klopt dat de ontuchtige handelingen niet door anderen zijn waargenomen. Dat geldt echter niet voor de dwingende, gewelddadige en/of bedreigende handelingen waarover aangever heeft verklaard. Zo heeft getuige [getuige 3] gezien dat verdachten [aangever] insloten en zag getuige [getuige 1] dat verdachten hem in een hoek dreven.
Volgens de verdediging kan niet worden uitgesloten dat deze handelingen ook bij een stoeipartij zouden kunnen passen. De militaire kamer is echter van oordeel dat hun verklaringen op dit punt de lezing van dit incident door aangever ondersteunen, zeker omdat de verklaringen van deze getuigen totaal niet passen bij de verklaringen van verdachten. Volgens hen heeft dit incident namelijk in het geheel niet plaatsgevonden. Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij enkel de schouder van aangever heeft aangeraakt toen hij een sarcastische opmerking maakte, terwijl verdachte [medeverdachte] heeft verklaard over een stoeipartij op de kamer van aangever, waarover verder geen enkele getuige heeft verklaard.
Gelet hierop is de militaire kamer van oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 3] over de handelingen van verdachten die zij hebben waargenomen, kunnen worden gebruikt als steunbewijs.
Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de emoties van aangever niet als steunbewijs kunnen worden gebruikt, omdat deze pas in de loop van de gevoerde gesprekken op gang kwamen, en dit bovendien ook zou kunnen passen bij de gevolgen van pestgedrag, omdat aangever niet lekker in de groep lag.
De militaire kamer overweegt hierover ten eerste dat het procesdossier geen enkel signaal bevat dat deze lezing ondersteunt. Er is dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat de emoties van aangever door een andere gebeurtenis zouden zijn opgeroepen dan het tenlastegelegde incident.
Verder hebben alle getuigen, behalve sergeant [getuige 2] , aangever heel kort na het incident gesproken, waarbij ze de emoties zagen waarover zij hebben verklaard. Getuigen [getuige 1] , [getuige 3] en [getuige 4] bevonden zich op de kamer van aangever, waar hij direct na het incident naartoe is gegaan. Vervolgens heeft hij hen verteld wat hem is overkomen. Daarna heeft aangever, na een tussenstop op de kamer van verdachten, op de dameskamer aan onder andere getuige [getuige 5] nogmaals zijn verhaal gedaan. Uiterlijk drie kwartier na het incident heeft aangever vervolgens ook nog sergeant [getuige 2] ingelicht. De militaire kamer is dan ook van oordeel dat hun waarnemingen over de emoties van aangever bruikbaar zijn als steunbewijs. Hierbij neemt de militaire kamer – wellicht ten overvloede, nu deze waarnemingen in een tijdsspanne van direct na het incident tot maximaal drie kwartier daarna – in aanmerking dat niet enkel emoties die kort na het incident zijn waargenomen voldoende steunbewijs kunnen opleveren.
Verder overweegt de militaire kamer dat de emoties van aangever, en de manier waarop deze op gang kwamen, authentiek overkomen. Uit de getuigenverklaringen ontstaat het beeld dat aangever in eerste instantie niet helemaal leek te kunnen bevatten wat hem zojuist was overkomen. De militaire kamer vindt het heel begrijpelijk dat dit besef pas later ontstond. Dat zijn emoties hierdoor pas in de loop van de disclosures op gang kwamen, maakt nog niet dat de emotie wordt gevoed door de getuigen of de gesprekken die aangever met hen heeft gevoerd. Aangever heeft uit eigen beweging zijn verhaal gedaan en zijn emoties kwamen voort uit hemzelf.
Ook de verklaringen van de getuigen over de emoties van aangever kunnen daarom worden gebruikt als steunbewijs.
Ten overvloede, omdat de raadsvrouw hier in haar pleidooi geen verdere conclusies aan heeft verbonden, merkt de militaire kamer op dat het resultaat van eventueel DNA-onderzoek aan de kleding van aangever de bewijskracht van de andere bewijsmiddelen niet zou hebben aangetast en daarom juridisch gezien niet relevant is.
De bewijsmiddelen
Zowel verdachten [verdachte] en [medeverdachte] als aangever [aangever] zijn soldaat der derde klasse of overeenkomstig en nemen sinds 18 november 2024 deel aan de School Initiële Vorming Onderofficier (SIVO).
[aangever] heeft verklaard dat hij op maandag 2 december 2024 rond 20:15 à 20:30 uur in de gang stond op de [kazerne] in Ermelo. [aangever] zag verdachten (in eerste instantie) niet, want hij stond met zijn rug naar hen toe. Hij voelde dat [medeverdachte] op zijn kont sloeg, waar hij voelde dat de vingers van [medeverdachte] tegen zijn kringspier aan kwam. [aangever] schrok en deed twee of drie stappen achteruit. [verdachte] pakte hem bij zijn linkerschouder en vroeg hem twee keer: ‘Vond je dat fijn, vond je dat lekker?’ [aangever] antwoordde ‘nee’. Vervolgens vroeg [medeverdachte] of de 24 uur voorbij waren, waarop [verdachte] op zijn horloge keek en zei dat de 24 uur voorbij waren. [aangever] voelde dat [verdachte] hem bij zijn lul pakte. Hierop reageerde [aangever] door 90 graden naar rechts te draaien. Daarna werd hij weer bij zijn kont gegrepen en voelde hij een vinger tegen zijn kringspier aan. [verdachte] greep hem weer bij zijn lul. [aangever] probeerde weg te lopen, maar dat lukte niet, omdat hij werd vastgehouden, door [verdachte] bij zijn linkerschouder en door [medeverdachte] bij zijn rechterbovenarm. Hierdoor werd hij met zijn linkerschouder tegen de muur gedrukt en in een hoek gedreven. Verdachte droeg tijdens het incident onder andere zijn GVT-broek.
[getuige 1] heeft verklaard dat hij op maandagavond flink wat gerommel en geroep hoorde op de gang. Hij zag dat [aangever] door [verdachte] en [medeverdachte] in een hoek gedreven was. Ze stonden om hem heen. [getuige 1] zag dat [aangever] niet recht overeind stond, maar meer voorover gebogen en deels tegen de muur gedrukt. De andere twee stonden een beetje voor hem. [getuige 1] ging zijn kamer binnen. [aangever] kwam vrijwel direct daarna ook de kamer binnen. Vrij rap daarna zei [aangever] dat hij net volledig was aangerand door die gasten. Hij zei dat hij in zijn ballen werd geknepen en dat ze met zijn vinger in zijn kont aan het porren waren. [aangever] klapte een beetje dicht. [getuige 1] had het idee dat hij niet wist wat hij ermee aan moest. Het duurde even voordat het kwartje was gevallen wat hem was overkomen. Ze zijn toen met een aantal lui aan tafel gaan zitten, waar [getuige 1] de details hoorde. [aangever] gaf aan dat ze ook niet stopten toen hij aangaf dat hij het niet fijn vond. Hoe langer [aangever] daar zat, hoe meer emotie er bij hem loskwam. Hij gaf aan dat hij nu begreep wat het voor meisjes betekent als hen dit overkomt.
[getuige 3] heeft verklaard dat hij zag dat [verdachte] en [medeverdachte] [aangever] insloten in de hoek bij de deur. Achter [getuige 3] gebeurde iets, maar hij heeft niet precies mee gekregen wat. Vervolgens liepen [getuige 3] en [aangever] hun kamer in. [aangever] vertelde dat hij twee keer bij zijn ballen werd gegrepen en dat hij twee keer een vinger in zijn kont kreeg. Daar kwam hij zelf mee. Ze konden merken dat [aangever] van streek was. Hij was heel onrustig. Toen sergeant [getuige 2] op hun kamer kwam, brak [aangever] en hij begon te huilen.
[getuige 4] heeft verklaard dat zij de kamer van [aangever] (de militaire kamer begrijpt: [aangever] ) inliep en zag dat [aangever] een beetje bedroefd en geschokt keek. Hij zei: ‘Er is net zoiets raars gebeurd’ en vertelde vervolgens dat hij gebukt stond in de gang. Vervolgens greep [medeverdachte] hem van achter. Daarna kwam [verdachte] aangelopen die hem van voren in zijn kruis greep. Toen [aangever] dit vertelde, kwam hij een beetje geschokt en in paniek op [getuige 4] over. Het leek alsof hij ieder moment in huilen kon uitbarsten, maar dat niet wilde, omdat er andere bij waren.
[getuige 5] , de buddy van aangever [aangever] , heeft verklaard dat [aangever] na het gesprek met getuige [getuige 4] in de kamer van de dames meer vertelde. Ze hadden door dat hij echt van slag was. [getuige 5] zag dat hij heel erg zoekende was en niet zo goed wist wat er was gebeurd en waarom. Het leek een beetje op paniek in zijn ogen. Zo hadden ze hem nog niet eerder gezien in die weken. [getuige 5] merkte dat hij heel erg bij zichzelf ging zoeken of hij bepaalde signalen had gegeven.
[getuige 2] , instructeur bij de SIVO, heeft verklaard dat hij op maandag rond 21:00 uur op de kamer kwam waar ook [aangever] lag. Toen [getuige 2] vroeg hoe het ging, antwoordde [aangever] dat het niet zo goed ging. Hij gaf aan dat hij aangeraakt was door anderen. [getuige 2] vroeg of [aangever] het serieus bedoelde en zag diens gezicht betrekken. [aangever] werd zichtbaar geëmotioneerd. [getuige 2] kon echt zien dat het hem wat deed. [aangever] vertelde dat hij op de gang in een hoekje was gedrukt en was aangeraakt bij zijn penis en billen en dat de twee die hem hadden aangeraakt, hadden gevraagd of de eerste 24 uur al voorbij waren. De tranen liepen over de wangen van soldaat [aangever] en aan zijn stem kon [getuige 2] horen dat het op dat moment iets met hem deed.
De beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer merkt op voorhand op dat zij de door de verdediging gevoerde verweren slechts zal bespreken voor zover deze niet reeds worden weerlegd door de bewijsmiddelen en/of haar oordeel omtrent de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen.
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de militaire kamer vast dat verdachte [medeverdachte] op de billen van aangever [aangever] heeft geslagen, waarbij de vingers van [medeverdachte] tegen [aangever] ’s anus aanraakten. Verdachte [verdachte] greep vervolgens [aangever] ’s penis vast. Daarna pakte verdachte [verdachte] of [medeverdachte] [aangever] ’s billen vast. Hierbij werd zijn anus opnieuw aangeraakt. Tot slot greep verdachte [verdachte] nogmaals [aangever] ’s penis vast. Deze aanrakingen vonden plaats over de kleding van aangever [aangever] .
Deze handelingen hebben een onmiskenbaar seksueel karakter, omdat ze gericht waren op de schaamstreek en het geslachtsdeel van aangever [aangever] . De militaire kamer is dan ook van oordeel dat deze handelingen strijdig zijn met de sociaal-ethische norm en dus ontuchtig zijn. Dat deze handelingen zouden zijn verricht in het kader van een stoeipartij, pesterijtjes of een ontgroening doet daar niet aan af.
Uit de verklaring van aangever [aangever] blijkt dat deze aanrakingen niet per ongeluk kunnen zijn verricht. Verdachten hebben hem dus opzettelijk aangeraakt. Bovendien schrok [aangever] van de eerste aanraking en deed hij een aantal stappen naar achter. Toen [verdachte] hem vroeg of [aangever] het fijn en lekker vond, antwoordde hij ontkennend. Verdachten zijn echter doorgegaan met hun aanrakingen, ook nadat [aangever] probeerde weg te draaien en vervolgens weg te lopen. De militaire kamer is dan ook van oordeel dat verdachten dus moeten hebben geweten dat [aangever] ’s wil hiertoe ontbrak.
De militaire kamer overweegt verder – wellicht ten overvloede – dat dergelijke aanrakingen niet geoorloofd of geaccepteerd zijn binnen Defensie. Zij hadden bovendien geen enkele relevantie voor de voorbereiding van de oefeningen waar zij zich mee bezig hadden moeten houden, te weten het afstellen van hun tassen en het lezen van het HAMIL, dus de stelling van de verdediging dat hiervoor geen uitdrukkelijke wil verreist was, houdt geen steek. Voor zover stoeipartijtjes, waarbij dit soort aanrakingen, voorkomen wél gebruikelijk zijn bij Defensie, verandert dat niets aan het feit dat [aangever] zijn wil, zowel verbaal als non-verbaal, ondubbelzinnig kenbaar heeft gemaakt.
Verder stelt de militaire kamer vast dat voornoemde handelingen voor [aangever] onverhoeds plaatsvonden, nu hij verdachten in eerste instantie niet heeft gezien, omdat hij met zijn rug naar hen toe stond. Zoals gezegd, heeft [aangever] aangegeven dat hij het niet fijn of lekker vond en hij heeft een aantal stappen achteruit gedaan, 90 graden naar rechts gedraaid en geprobeerd weg te lopen. Verdachten zijn echter voorbij gegaan aan deze verbale en non-verbale signalen van verzet en/of weerstand. [aangever] probeerde weg te lopen, maar dat lukte niet, omdat verdachte [verdachte] hem bij zijn linkerschouder en [medeverdachte] hem bij zijn rechterbovenarm vasthield. Hierdoor werd [aangever] tegen de muur gedrukt en in een hoek gedreven. Naar het oordeel van de militaire kamer is hiermee een bedreigende situatie voor [aangever] ontstaan. De handelingen van verdachten werden dus voorafgegaan, vergezeld van en gevolgd door dwang.
De verdediging heeft aangevoerd dat militaire aanranding eerder moet worden vergeleken met eenvoudige mishandeling. Dit is een onjuiste rechtsopvatting. Voor artikel 140 MSr is slechts de fysieke aantasting van de lichamelijke integriteit relevant. In zoverre is dit artikel een lichtere vorm van feitelijke aanranding dan een mishandeling. Het enkele (ruw) vastpakken van een andere militair kan hiervoor al voldoende zijn (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de militaire kamer van 5 november 1991, MRT 1993, blz. 93, van 10 november 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BG3848, en van 29 april 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BI5954).
Hiermee komt de militaire kamer tot bewezenverklaring van feiten 1 en 2, waarbij volgens de militaire kamer sprake is van eendaadse samenloop.
Ten aanzien van het tenlastegelegde medeplegen overweegt de militaire kamer als volgt. Beide verdachten hebben zowel ontuchtige handelingen verricht als handelingen die dwang opleveren. Dat is voldoende om de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking aan ten nemen, te meer omdat het een situatie van twee op één was en [aangever] werd ingesloten. Bovendien blijkt uit diens verklaring dat verdachten met elkaar hebben gesproken over het incident terwijl dat gaande was. De militaire kamer acht daarom voor beide feiten ook bewezen dat sprake was van medeplegen.
Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.hij op of omstreeks 02 december 2024 in de gemeente Ermelo, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen met een persoon, te weten [aangever] een of meer seksuele handelingen heeft/hebben verricht, te weten- het (over de kleding) meermalen, althans eenmaal, slaan en/of betasten en/of aanraken van de billen en/of de anus van die [aangever] en/of- het (over de kleding) aanraken en/of brengen van de vinger in/tegen de anus van die [aangever] en/of- het (over de kleding) betasten en/of aanraken en/of vastpakken en/of vastgrijpen van de penis van die [aangever] ,althans het betasten van het lichaam van die [aangever] ,
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader, wisten, althans ernstige reden hadden om te vermoeden dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak,
en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door- onverhoeds (over de kleding) de billen en/of de anus van die [aangever] te betasten en/of- onverhoeds (over de kleding) aanraken en/of brengen van de vinger in/tegen de anus van die [aangever] en/of- onverhoeds (over de kleding) betasten en/of aanraken en/of vastpakken en/of vastgrijpen van de penis van die [aangever] en/of- daarbij voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand van die [aangever] en/of- door die [aangever] bij de schouder(s) en/of arm(en) vast te pakken en/of (vervolgens) tegen de muur te drukken en/of in een hoek te drijven en/of vast te houden en/of- (aldus) een bedreigende situatie voor die [aangever] te doen ontstaan;
2.hij, als militair, in de rang van soldaat 3, op of omstreeks 02 december 2024 in de gemeente Ermelo, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk [aangever] , die toen militair, in de rang van soldaat 3 was, althans die bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam was, feitelijk heeft bedreigd met geweld en/offeitelijk heeft aangerand door toen en daar opzettelijk
– die [aangever] meermalen, althans eenmaal, op/tegen de billen te slaan en/of de billen en/of de anus van die [aangever] (over de kleding) te betasten en/of aan te raken en/of- (over de kleding) aanraken van en/of een vinger in/tegen de anus van die [aangever] te brengen en/of- de penis van die [aangever] (over de kleding) te betasten en/of aan te raken en/of vast te pakken en/of vast te grijpen en/of- die [aangever] bij de schouder(s) en/of arm(en) vast te pakken en/of (vervolgens) tegen de muur te drukken en/of in een hoek te drijven en/of vast te houden.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde levert op:
eendaadse samenloop van
feit 1:
medeplegen van gekwalificeerde opzetaanranding
en
feit 2:
medeplegen van als militair opzettelijk een andere militair feitelijk aanranden.
De feiten zijn strafbaar.
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een week onvoorwaardelijke militaire detentie en een taakstraf van 50 uur, subsidiair 25 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de militaire kamer verzocht om rekening te houden met de eendaadse samenloop van de feiten en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het feit dat hij een aantal maanden is geschorst en een negatief ambtsbericht heeft gehad. Ook heeft de raadsvrouw verzocht om rekening te houden met het VBG-beleid van Defensie.
De beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van de feiten
Verdachte en zijn medeverdachte, beiden militair, hebben zich schuldig gemaakt aan het ongewenst – over de kleding heen – aanraken van de billen, anus en penis van aangever [aangever] , die destijds ook militair was. Daarbij hebben ze een situatie gecreëerd waarin [aangever] niet weg kon, omdat verdachten hem vasthielden en tegen de muur drukten. Ze zijn voorbij gegaan aan zijn signalen, zowel verbaal als non-verbaal, dat hij daar niet van was gediend. Met hun handelen hebben verdachten [aangever] ’s fysieke en seksuele integriteit geschonden. Uit de toelichting op zijn vordering en de verschillende getuigenverklaringen blijkt wat voor impact deze feiten op [aangever] hebben gehad en nog steeds af en toe hebben.
Dit gedrag is een militair volstrekt onwaardig en tast het onderlinge vertrouwen in elkaar, dat voor militairen en hun werkzaamheden zo belangrijk is, aan. Zowel verdachten als [aangever] namen deel aan de SIVO, die pas twee weken was begonnen. De militaire kamer neemt het verdachten kwalijk dat zij een opleidingsgenoot zo hebben behandeld in wat een veilige setting had moeten zijn.
Daarbij komt dat beide verdachten geen enkele verantwoordelijkheid hebben genomen voor hun gedrag. Ze hebben geen openheid van zaken gegeven. Evenmin hebben zij spijt betuigd of hun excuses gemaakt aan [aangever] . De militaire kamer vindt ook dit niet passen bij de kwaliteiten die van een militair mogen worden verwacht, zoals eerlijkheid en oprechtheid.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
Verdachte heeft een blanco strafblad. Hij volgt momenteel een opleiding op de KMS.
Als gevolg van deze zaak heeft Defensie verdachte van 3 december 2024 tot en met 17 maart 2025 geschorst met behoud van salaris. Ook heeft hij een negatief ambtsbericht ontvangen.
Reclassering Nederland heeft op 30 oktober 2025 een advies over verdachte uitgebracht. Bij bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten heeft de reclassering vragen over het morele kompas van verdachte. Ook bagatelliseert hij het delictgedrag en neemt hij hier geen verantwoordelijkheid voor. Door de proceshouding van verdachte kan de reclassering het delictgedrag niet goed duiden. De reclassering kan niet uitsluiten dat sprake is geweest van extreem pestgedrag met een seksueel aspect.
De reclassering schat de risico’s op letsel en onttrekken aan voorwaarden in als laag. Het recidiverisico wordt ingeschat als matig-hoog. Als relevante risicofactoren noemt de reclassering onder andere dat er in enige mate sprake is van vijandigheid, wrok of slachtofferschap die, gezien de situatie, buitenproportioneel is.
De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen. Hoewel verdachte nog thuis woont, leidt hij een volwassen leven. Er is geen sprake van een verstandelijke beperking of gedragingen die jonger zijn dan zijn kalenderleeftijd.
De reclassering adviseert oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden. Gelet op de proceshouding van verdachte ziet de reclassering geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of zijn gedrag te veranderen. Uit het onderzoek van de reclassering zijn geen zwaarwegende omstandigheden naar voren gekomen die aan uitvoering van een (kortdurende) gevangenisstraf in de weg staan.
Conclusie
Alles overwegende komt de militaire kamer tot het volgende oordeel.
Gelet op het advies van de reclassering past de militaire kamer het volwassenenstrafrecht toe.
De militaire kamer is van oordeel dat, gelet op de gepleegde handelingen, het feit dat dit incident tijdens de opleiding is gepleegd en verdachten met zijn tweeën waren, enkel een militaire detentie een passende strafmodaliteit is als duidelijk signaal naar zowel verdachten als de buitenwereld dat dit soort handelingen volstrekt onacceptabel en grensoverschrijdend zijn en daarom hard worden afgestraft. Een taakstraf is daarvoor niet voldoende. Dat Defensie ook al gevolgen heeft verbonden aan het gedrag van verdachte, maakt dat niet anders, zeker omdat dit een geheel ander traject is dan onderhavige strafprocedure.
De militaire kamer zal verdachte veroordelen tot twee weken militaire detentie, waarvan één week voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. Hiermee krijgt verdachte een kans om te laten zien dat hij zich in de toekomst kan onthouden van dergelijk gedrag. Het voorwaardelijke strafdeel beoogt een stok achter de deur te zijn. Als hij weer in de fout gaat, kan de voorwaardelijke militaire detentie ten uitvoer worden gelegd, bovenop de straf die hij voor het nieuwe strafbaar feit zal krijgen.
De militaire kamer constateert dat deze straf niet uitkomt boven de maxima van het VGB-beleid van Defensie, voor zover nog sprake is van harde maxima. Daarbij wordt opgemerkt dat de eventuele intrekking van de VGB van verdachte een eigen bestuursrechtelijke beoordeling vergt, waarbij rekening wordt gehouden met alle specifieke omstandigheden van het geval.
De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met feiten 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van 600 euro, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Voor het overige deel aan smartengeld heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering vanwege de bepleite integrale vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat deze niet voldoende is onderbouwd. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden gematigd.
De beoordeling door de militaire kamer
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de militaire kamer vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door de feiten is de benadeelde immers op andere wijze in de persoon aangetast, gelet op de bijzondere ernst van de normschendingen en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij. Deze feiten vormen namelijk een dusdanig ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit dat die in zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze dienen te worden beschouwd. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De militaire kamer houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 600,- vaststellen.
De militaire kamer zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Wettelijke rente
Verdachte is vanaf 2 december 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Schadevergoedingsmaatregel
De militaire kamer ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Hoofdelijkheid
De militaire kamer overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed.
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
– 14 a, 14b, 14c, 36f, 47, 55 en 241 van het Wetboek van Strafrecht;
– 6, 11 en 140 van het Wetboek van Militair Strafrecht.
De militaire kamer:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een militaire detentie voor de duur van twee weken;
bepaalt dat een gedeelte van deze militaire detentie, te weten één week, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
veroordeelt verdachte in verband met feiten 1 en 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 600,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 december 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 600,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 december 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 12 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.H. Pennings (voorzitter) en mr. J.M. Klep, rechters, en Kolonel mr. M. Hoedeman, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 december 2025.
Mr. Klep, Kolonel mr. Hoedeman en mr. Aalbers zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door Opperwachtmeester [verbalisant] van de Koninklijke Marechaussee, Brigade Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2025.02.04.1130.125184, onderzoeksnummer 27FAE240027 (27BOMBALA), gesloten op 17 februari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van verhoor aangever [aangever] , p. 12 en een geschrift, te weten een uittreksel uit Peoplesoft, p. 55 en 77.
Proces-verbaal van verhoor aangever [aangever] , p. 13 en proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, p. 9-10.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 27-28.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 18-19.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 36.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , p. 32-33.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 23.