Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBGEL:2026:4284

Voorlopige voorziening, beroep ongegrond, urgentieverklaring, eigen verantwoordelijkheid, hardheidsclausule.

Rechtbank Gelderland 3 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBGEL:2026:4284
text/xml
public
2026-06-03T17:03:49
2026-05-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Gelderland
2026-05-29
AWB-26_2331 en AWB-26_2332
Uitspraak
Voorlopige voorziening
NL
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4284
text/html
public
2026-06-01T08:39:13
2026-06-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBGEL:2026:4284 Rechtbank Gelderland , 29-05-2026 / AWB-26_2331 en AWB-26_2332

Voorlopige voorziening, beroep ongegrond, urgentieverklaring, eigen verantwoordelijkheid, hardheidsclausule.

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummers: ARN 26/2331 en ARN 26/2332

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

en

Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen

(gemachtigde: M.M.J. de Vries).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een verklaring van woonurgentie van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.

1.1.

De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet op alle punten juist gemotiveerd is, maar dat de afwijzing wel in stand kan blijven. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

2. Eiseres heeft een partner en vier kinderen. Zij woonde tot 2021 in [plaats]. Van maart 2021 tot januari 2026 heeft zij in Turkije gewoond. De oudste zoon ([naam zoon 1]) is in Nederland gebleven bij zijn vader, de ex-partner van eiseres. De tweede zoon ([naam zoon 2]) is in juli 2025 teruggekeerd naar Nederland en is bij zijn vader gaan wonen. In januari 2026 is eiseres weer naar Nederland gekomen met haar partner en twee jongste kinderen. Zij zijn bij haar broer gaan wonen aan de [locatie 1] in [plaats].

2.1.

Eiseres heeft op 6 maart 2026 een aanvraag gedaan voor woonurgentie. Enkele weken na de aanvraag heeft eiseres de woning van haar broer verlaten en is zij verhuisd naar een eengezinswoning aan de [locatie 2] in [plaats].

2.2.

Het college heeft met het besluit van 30 maart 2026 de aanvraag afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. Met het besluit van 13 april 2026 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

2.3.

Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Ook heeft het college nog advies gevraagd aan een deskundige. Deze deskundige heeft op 15 mei 2026 gerapporteerd.

2.4.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het college.

2.5.

Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen.

Wat is het beoordelingskader?

3. Het college heeft in de Huisvestingsverordening gemeente Arnhem 2024 (Verordening) en het Reglement aanvragen urgentie woonruimteverdeling Groene Metropoolregio 2024 (Reglement) bepaald wanneer iemand in aanmerking kan komen voor een verklaring van woonurgentie.

In het vierde lid van artikel 10 van Verordening is bepaald:

Het college van burgemeester en wethouders kan een noodurgentieverklaring verstrekken aan een woningzoekende die zich in een persoonlijke noodsituatie bevindt, indien deze noodsituatie:

a. niet door betrokkene zelf is veroorzaakt of kon worden voorkomen;

b. niet door betrokkene zelf kan worden opgelost; en

c. zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze situatie langer dan 4 maanden te laten voortbestaan, geteld vanaf het moment van de aanvraag om een urgentieverklaring.

In artikel 20 van het Reglement aanvragen urgentie woonruimteverdeling Groene Metropoolregio 2024 (Reglement) is bepaald:

Er is sprake van een persoonlijke noodsituatie als:

– het probleem een directe relatie heeft met de woning of de woonomgeving. Een (andere) woning in de woningmarktregio moet een oplossing zijn voor de huidige noodsituatie,

– de huidige woning niet geschikt is (te maken) om het probleem, waarin het huishouden verkeert, te verhelpen, en

– de noodsituatie zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze langer dan vier maanden te laten voortbestaan, geteld vanaf het moment van behandeling van de aanvraag om een urgentieverklaring.

In artikel 20, onder van het Reglement aanvragen urgentie woonruimteverdeling Groene Metropoolregio 2024 (Reglement) is bepaald wanneer er sprake is van geen eigen verantwoordelijkheid voor het ontstaan van de noodsituatie:

De woonnoodsituatie moet buiten de schuld van betrokkene zijn ontstaan. Betrokkene is niet verwijtbaar verantwoordelijk te stellen voor het ontstaan of voortbestaan van de problemen;

De woonnoodsituatie was voor betrokkene niet te voorzien, ofwel betrokkene was niet in staat tijdig maatregelen te nemen om de (huidige of aanstaande) woonnoodsituatie te voorkomen;

Betrokkene was niet in staat tijdig te anticiperen door middel van tijdig reageren c.q. inschrijven als woningzoekende;

Van betrokkene wordt verwacht eerst zelf aantoonbaar naar een oplossing van het probleem gezocht te hebben, voordat een urgentie wordt aangevraagd.

Is er sprake van een woonnoodsituatie?

4. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat er geen woonnoodsituatie is. Eiseres staat met haar twee jongste kinderen in de Basisregistratie personen ingeschreven op het adres van haar broer. Deze woning is adequaat voor het aantal personen. Het is niet gebleken dat eiseres hier niet zou kunnen wonen en zij heeft niet onderbouwd dat zij ergens anders woont. Op de zitting heeft het college zijn standpunt aangevuld en gesteld dat eiseres onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven rondom haar bewoning van het huis aan de [locatie 2], waardoor ook daarom niet vastgesteld kan worden dat sprake is van een woonnoodsituatie.

4.1.

Eiseres is het hier niet mee eens. Zij bevestigt dat zij ingeschreven staat op het adres van haar broer, maar zij verblijft feitelijk aan de [locatie 2] in [plaats]. Dit volgt uit het huisbezoek van de onderzoeker van het CIZ en uit het schoolvervoer van de jongste zoon. Zij moet deze woning eind juni 2026 verlaten. Inwoning bij haar broer is niet houdbaar, omdat er sprake was van oplopende spanningen.

4.2.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Ten aanzien van inwoning bij de broer is het op basis van de stukken waar eiseres op gewezen heeft voldoende aannemelijk dat zij momenteel niet verblijft in de woning van haar broer. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat uit het rapport van de deskundige van 15 mei 2025 blijkt dat hij verzoekster op het adres aan de [locatie 2] heeft bezocht in het kader van een huisbezoek. Eiseres heeft weliswaar geen verklaring van haar broer ingebracht waaruit volgt dat zij en haar gezin niet meer in zijn woning kunnen verblijven, maar de voorzieningenrechter overweegt dat de broer niet gehouden kan worden om eiseres en haar gezin in huis op te vangen. Wat betreft de bewoning van het huis aan de [locatie 2] heeft eiseres toegelicht dat zij dit tijdelijke verblijf via vrienden heeft kunnen regelen. Zij moet de woning eind juni verlaten, omdat de eigenaar het huis dan beschikbaar wil stellen aan nieuwe bewoners. De voorzieningenrechter overweegt dat eiseres dit niet met objectieve stukken heeft onderbouwd. In zoverre volgt de voorzieningenrechter het college in haar standpunt dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een woonnoodsituatie. Op zitting heeft verzoekster aangeboden deze stukken alsnog te overleggen. De voorzieningenrechter ziet geen reden om verzoekster hiervoor alsnog de gelegenheid te geven. Ook al zou sprake zijn van een woonnoodsituatie dan is verzoekster verantwoordelijk voor het ontstaan ervan waardoor zij niet in aanmerking komt voor woonurgentie. Dit licht de voorzieningenrechter hieronder toe.

Is er sprake van eigen verantwoordelijkheid voor het ontstaan van de noodsituatie?

5. Het college stelt dat, als er sprake is van een noodsituatie, eiseres zelf verantwoordelijk is voor het ontstaan van de noodsituatie. Zij heeft niet aangetoond dat zij in het belang van haar jongste zoon (acuut) naar Nederland moest verhuizen. Uit het advies van Leijten & van Hoek (het deskundigenadvies) van 15 mei 2026 blijkt ook dat er geen hoge nood was waardoor een acute verhuizing noodzakelijk was. Verder is niet gebleken dat de woonsituatie reden is voor dat de oudste zoon het minder goed doet op school. Dat de twee oudste zoons bij de vader wonen is overigens ook geen gevolg van de huidige woonsituatie, nu hier al sprake van was voordat eiseres terug naar Nederland verhuisde. Het college gaat ervan uit dat eiseres het welzijn van haar kinderen heeft meegewogen in haar keuzes.

5.1.

Eiseres vindt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat er sprake is van verwijtbare eigen verantwoordelijkheid. Zij is vanuit Turkije naar Nederland verhuisd uit de noodzaak voor passende zorg en begeleiding voor haar jongste zoon, die het syndroom van Down heeft. Op de zitting heeft zij toegelicht dat de zoon vanaf augustus 2025 naar school ging in Turkije, maar dat de begeleiding daar te kort schoot. Gezien het belang van goede begeleiding op die leeftijd heeft zij ervoor gekozen om weer naar Nederland te verhuizen. Zij heeft aantoonbaar en tijdig gezocht naar passende woonruimte. Zo had ze geregeld dat ze bij haar broer in kon wonen. Het was echter niet te voorzien dat de situatie zou escaleren. Verder wil ze in [plaats] wonen in verband met de scholen van de kinderen en de ziekenhuisafspraken voor de jongste zoon.

5.2.

Het betoog van eiseres slaagt niet. Eiseres en haar gezin zijn teruggekeerd naar Nederland, zonder dat zij in Nederland zicht hadden op een vaste, eigen woning. De aanstaande woonnoodsituatie was daarmee te voorzien.

5.2.1.

Ten eerste is niet aannemelijk gemaakt dat de situatie van de jongste zoon van eiseres in Turkije onhoudbaar was, waardoor van haar en het gezin redelijkerwijs niet verwacht kon worden om nog langer in Turkije te blijven. Uit de afspraakbevestigingen van het Rijnstate ziekenhuis en Radboud UMC blijkt geen urgente, medische noodsituatie. Ook de deskundige komt in het deskundigenadvies tot de conclusie dat geen sprake was van een acute noodsituatie. Verzoekster had in Turkije woonruimte, werk en inkomen en was in staat om extra hulp voor haar jongste zoon in te schakelen. De voorzieningenrechter begrijpt dat eiseres haar keuze gemaakt heeft op basis van wat haar het beste leek voor haar zoon, maar dat betekent niet dat van eiseres niet verwacht mag worden dat zij eerst eigen woonruimte regelt, voordat zij naar Nederland verhuist.

5.2.2.

Ten tweede is de voorzieningenrechter onvoldoende gebleken dat eiseres met inwoning bij haar broer zekerheid had op vaste woonruimte. Op zitting heeft zij toegelicht dat zij vanuit Turkije contact met hem heeft gehad en heeft afgesproken dat zij en het gezin bij hem in konden wonen. Het is echter niet gebleken dat zij een overeenkomst hebben gesloten over de duur van de inwoning, eventuele vergoeding daarvoor en welke ruimtes in het huis eiseres en haar gezin aanspraak op konden maken. De voorzieningenrechter kan de inwoning bij de broer dan ook niet zien als dat eiseres voldoende heeft gedaan ter voorkoming van haar woonprobleem bij terugkeer naar Nederland.

5.2.3.

Tot slot mag van eiseres verwacht worden dat zij in een grotere regio dan alleen [plaats] en de directe omgeving zoekt naar een woning. Daarmee vergroot zij haar kans om het woonprobleem op te lossen. Dat eiseres vanwege de scholen van de kinderen en de bezoeken aan het ziekenhuis in de buurt van [plaats] wil wonen is voorstelbaar, maar dit is geen zwaarwegende reden waarom van eiseres niet verlangd mag worden om haar zoekgebied te verbreden. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoekster een lange inschrijftijd heeft bij Entree. Op zitting is door het college onweersproken gesteld dat zij buiten de regio [plaats] meer kans maakt op een woning.

5.3.

Dit betekent dat, in het geval moet worden aangenomen dat sprake is van een woonnoodsituatie, eiseres een eigen verantwoordelijkheid heeft in het ontstaan daarvan. In beginsel staat de eigen verantwoordelijkheid in de weg aan het verlenen van urgentie. Dit kan anders zijn als dat in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of hoger, Europees recht. Het beroep van eiseres hierop beoordeelt de voorzieningenrechter hierna.

Is het besluit onevenredig?

6. Het college heeft in het bestreden besluit toegelicht dat de situatie van eiseres moeilijk is, maar niet dusdanig uitzonderlijk en schrijnend dat (op grond van de hardheidsclausule) voorrang gegeven moet worden op andere woningzoekenden. Ook is toegelicht dat er strenge regels worden gehanteerd bij het verlenen van urgentie, vanwege de zeer beperkte sociale woningvoorraad en het groot aantal woningzoekenden. Dit strenge beleid is in het belang van een rechtvaardige verdeling van beschikbare woonruimte.

6.1.

Eiseres vindt dat de afwijzing van haar aanvraag voor onevenredige, nadelige gevolgen heeft. Er is onvoldoende gewicht toegekend aan de bijzondere omstandigheden. De zorg voor de jongste zoon met het syndroom van Down, die naar speciaal onderwijs gaat maakt een stabiele woonplek noodzakelijk. Het adres voor taxivervoer naar school kan niet dagelijks worden gewijzigd. Verder geeft de woonsituatie stress aan alle gezinsleden, waaronder ook de dochter van elf jaar. Haar hulpvraag wordt uitgesteld, in afwachting van een vaste woning. Er is sprake van inbreuk op het recht op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

6.2.

Het betoog van eiseres slaagt niet. De voorzieningenrechter ziet geen reden om aan te nemen dat het college onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van eiseres. Haar belangen zijn kenbaar meegewogen. De voorzieningenrechter begrijpt dat het besluit negatieve gevolgen voor eiseres en haar gezin heeft, maar dit maakt het besluit niet onevenredig. Gelet op de grote schaarste in sociale huurwoningen heeft het college het belang van een rechtvaardige verdeling van woonruimte zwaarder mogen wegen. Daarbij heeft het college er in beroep terecht op gewezen dat uit het advies van de deskundige volgt dat de psychosociale problematiek van de dochter niet gerelateerd is aan de woonproblematiek. Verder ziet de deskundige geen bezwaren tegen tijdelijk verblijf in een maatschappelijke opvang, ondanks dat de jongste zoon het syndroom van Down heeft.

6.3.

Ook het beroep van eiseres op artikel 8 van het EVRM leidt niet tot een andere uitkomst. Het is vaste rechtspraak dat dit artikel geen recht op woonruimte garandeert.

7. Het beroep is ongegrond. Daargelaten de vraag of het college terecht heeft gesteld dat geen sprake is van een woonnoodsituatie, heeft zij wel terecht bepaald dat, als er wel sprake is van woonnood, het ontstaan hiervan onder de eigen verantwoordelijkheid van eiseres valt en dat zij daarom geen urgentieverklaring krijgt. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag voor een urgentieverklaring in stand kan blijven. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De voorzieningenrechter:

– verklaart het beroep ongegrond;

– wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier.

Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:412).

Artikel delen