Ontbinding en ontruiming i.v.m. een huurachterstand van zeven maanden. Buitengerechtelijke kosten afgewezen i.v.m. een oneerlijk beding. In het beding is bepaald dat de buitengerechtelijke incassokosten 15% bedragen. Dit kan resulteren in een hoger bedrag dan volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is toegestaan. Dat de verhuurder de buitengerechtelijke incassokost...
ECLI:NL:RBGEL:2026:6080
text/xml
public
2026-07-30T14:46:25
2026-07-27
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Gelderland
2026-04-10
K/5004/12115309
Uitspraak
Bodemzaak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Nijmegen
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:6080
text/html
public
2026-07-30T14:45:41
2026-07-30
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBGEL:2026:6080 Rechtbank Gelderland , 10-04-2026 / K/5004/12115309
Ontbinding en ontruiming i.v.m. een huurachterstand van zeven maanden. Buitengerechtelijke kosten afgewezen i.v.m. een oneerlijk beding. In het beding is bepaald dat de buitengerechtelijke incassokosten 15% bedragen. Dit kan resulteren in een hoger bedrag dan volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is toegestaan. Dat de verhuurder de buitengerechtelijke incassokosten vordert op grond van artikel 6:96 leden 5 en 6 BW en het Besluit, maakt dit niet anders. Immers, uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie, waaronder in het bijzonder het Dexia-arrest (ECLI:EU:C:2021:68) en het Gupfinger-arrest (ECLI:EU:C:2022:971) volgt dat geen aanspraak kan worden gemaakt op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn geweest zonder het oneerlijke beding.
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 12115309 CV EXPL 26-602
Vonnis van 10 april 2026
in de zaak van
STICHTING WAARDWONEN,
gevestigd te Huissen,
eisende partij,
hierna te noemen: Waardwonen,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Eindhoven,
tegen
[naam gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
procederend in persoon.
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 27 februari 2026
– de brief / e-mail van 10 maart 2026 van de kant van Waardwonen, met een actueel overzicht van de huurachterstand
– de mondelinge behandeling van 17 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Daarna is vonnis bepaald.
2.1.
Waardwonen verhuurt met ingang van 17 september 2004 aan [de gedaagde] de woning aan het adres [adres] in [plaatsnaam] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt thans € 707,99 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
[de gedaagde] heeft (een deel van) de huur niet betaald. Waardwonen heeft [de gedaagde] aangemaand op 1 september 2025 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.
3.1.
Waardwonen vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en betaling van een totaalbedrag van € 5.092,40 aan huurachterstand tot en met februari 2026, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Tevens vordert Waardwonen de veroordeling van [de gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Waardwonen legt aan haar vordering ten grondslag dat [de gedaagde] in zijn verplichtingen als huurder tekort is geschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens Waardwonen de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. Omdat [de gedaagde] ondanks aanmaning niet is overgegaan tot betaling, is hij naast de hoofdsom en de wettelijke rente ook de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd, aldus Waardwonen.
3.3.
[de gedaagde] erkent de openstaande huurtermijnen, maar voert verweer tegen de gevorderde ontbinding en ontruiming. [de gedaagde] wijst in dit verband op tragische persoonlijke omstandigheden in de familiaire sfeer die ertoe hebben geleid dat hij tijdelijk niet heeft kunnen werken, waardoor hij in financiële problemen is gekomen. Tot slot voert [de gedaagde] aan bereid te zijn schuldhulpverlening in te schakelen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4.1.
[de gedaagde] erkent de huurachterstand van € 4.553,77, zodat dit bedrag wordt toegewezen.
4.2.
[de gedaagde] is te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen en dus zal de gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand worden toegewezen, waaronder de verschenen rente van € 52,96 tot 28 januari 2026.
4.3.
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Een oneerlijk beding moet, zo nodig ambtshalve, buiten toepassing worden gelaten. Een op een oneerlijk beding gegronde vordering is in dat geval niet toewijsbaar. Evenmin kan dan nog aanspraak worden gemaakt op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn geweest zonder het oneerlijke beding. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie, waaronder in het bijzonder het Dexia-arrest (ECLI:EU:C:2021:68) en het Gupfinger-arrest (ECLI:EU:C:2022:971).
4.4.
In de huurovereenkomst is bepaald dat de buitengerechtelijke incassokosten 15% van de uit handen gegeven vordering bedragen. Dit kan resulteren in een hoger bedrag dan volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is toegestaan. Het incassobeding is dan ook oneerlijk. Dat Waardwonen de buitengerechtelijke incassokosten thans vordert op grond van artikel 6:96 lid 5 en 6 BW en het Besluit, maakt dit niet anders. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
4.5.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (artikel 6:265 BW). Een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst wordt alleen toegewezen als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen.
4.6.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand zeven maanden. Uit het actuele overzicht dat Waardwonen op 10 maart 2026 in het geding is gebracht, en dat niet is betwist, blijkt dat de huurachterstand tot en met de maand maart 2026 gelijk is gebleven. De kantonrechter is van oordeel dat een huurachterstand van zeven maanden ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te ontbinden. De persoonlijke omstandigheden die [de gedaagde] heeft genoemd en die hebben geleid tot deze achterstand zijn, hoe vervelend ook, geen reden om tot een ander oordeel te komen. Daarbij overweegt de kantonrechter dat Waardwonen tijdens de mondelinge behandeling erop heeft gewezen dat zij al meermaals een ontruimingsvonnis heeft verkregen, maar dat voor haar de maat nu vol is.
4.7.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [de gedaagde] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
4.8.
Waardwonen wil ook dat [de gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 707,99. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [de gedaagde] nog in het gehuurde verblijft. Het bedrag is verschuldigd tot het moment dat [de gedaagde] het gehuurde ontruimt.
4.9.
Tot slot overweegt de kantonrechter het volgende.
[de gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat hij bereid is om bewindvoering aan te vragen. De kantonrechter raadt [de gedaagde] met klem aan hierover afspraken te maken en die afspraken ook daadwerkelijk na te komen, zodat het ontruimingsvonnis mogelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd.
4.10.
[de gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Waardwonen worden begroot op:
– kosten van de dagvaarding
€
153,02
– griffierecht
€
559,00
– salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
– nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.576,02
De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] in [plaatsnaam] ,
5.2.
veroordeelt [de gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Waardwonen zijn, en de sleutels af te geven aan Waardwonen,
5.3.
veroordeelt [de gedaagde] om te betalen aan Waardwonen:
– € 4.606,73, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.331,45 vanaf 28 januari 2026 tot de dag van voldoening,
– € 707,99 per maand vanaf 1 maart 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
5.4.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.576,02, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
858/560