Veroordeling voor o.a. poging doodslag met overweging over aanmerkelijke kans op de dood. Oplegging voorwaardelijke PIJ-maatregel met dadelijke uitvoerbaarheid.
ECLI:NL:RBGEL:2026:6121
text/xml
public
2026-08-03T11:42:12
2026-07-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Gelderland
2026-07-28
05/200556-25; 05/088652-25; 05/052140-26; 05/238454-25 (gev. ttz.); 05/173105-24 (tul)
Uitspraak
Eerste aanleg – meervoudig
NL
Zutphen
Strafrecht; Materieel strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:6121
text/html
public
2026-07-29T11:08:49
2026-08-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBGEL:2026:6121 Rechtbank Gelderland , 28-07-2026 / 05/200556-25; 05/088652-25; 05/052140-26; 05/238454-25 (gev. ttz.); 05/173105-24 (tul)
Veroordeling voor o.a. poging doodslag met overweging over aanmerkelijke kans op de dood. Oplegging voorwaardelijke PIJ-maatregel met dadelijke uitvoerbaarheid.
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/200556-25; 05/088652-25; 05/052140-26; 05/238454-25 (gev. ttz.); 05/173105-24 (tul)
Datum uitspraak : 28 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. A. van der Poel, advocaat in Apeldoorn.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op terechtzittingen achter gesloten deuren.
Aan verdachte is, na gevorderde en toegelaten wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
Parketnummer 05/200556-25:
hij op of omstreeks 30 juni 2025 te Nijmegentezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomenmisdrijf om[slachtoffer]opzettelijkvan het leven te beroven,meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntigvoorwerp, in de buik, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 juni 2025 te Nijmegentezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomenmisdrijf omaan [slachtoffer] en/of een of meerdere onbekend gebleven personenopzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengen,meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntigvoorwerp, in de buik, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 juni 2025 te Nijmegenop/bij het Station Nijmegen, in elk geval openlijkin vereniginggeweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer] ,welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit- het steken met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik vandie [slachtoffer] en/of
– het met een (sport)tas, althans een soortgelijk voorwerp, slaan tegen, althans in de richting van, het lichaam van die [slachtoffer] en/of- het filmen van voornoemd geweld.
Parketnummer 05/088652-25:
1.hij op of omstreeks 20 maart 2025 te Nijmegen,een scooter, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeftovergedragen,terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist,althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregengoed betrof
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 maart 2025 te Nijmegentezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elkgeval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van hetmisdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen scooter onderzijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/ofverbreking;
2.hij op of omstreeks 20 maart 2025 te Nijmegeneen wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie,te weten een (combat) meszijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandighedenwaaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomendat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigenheeft gedragen.
Parketnummer 05/052140-26:
hij op of omstreeks 18 februari 2026 te Nijmegeneen Iphone, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] en/of[aangever 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met hetoogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenenwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/ofbedreiging met geweld tegen voornoemde [aangever 2] en/of [aangever 3] ,gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk temaken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vluchtmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- voornoemde [aangever 2] te duwen en/of te slaan en/of,- voornoemde [aangever 3] in het gezicht te stompen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 18 februari 2026 te Nijmegenter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omeen Iphone, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] en/of[aangever 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde weg te nemenmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,- een Iphone heeft gepakt en/of- zich naar de voordeur heeft begeven,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld en/ofbedreiging met geweld tegen voornoemde [aangever 2] en/of [aangever 3]gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden en/ofgemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij devlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- voornoemde [aangever 2] te duwen en/of te slaan en/of,- voornoemde [aangever 3] in het gezicht te stompen.
Parketnummer 05/238454-25:
1.hij op of omstreeks 10 februari 2025 te Wijchen, althans in Nederland,een scooter met kenteken [kenteken] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten deleaan [aangever 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen methet oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich detoegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goedonder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
2.hij op of omstreeks 17 februari 2025 te Nijmegen, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een scooter met kenteken [kenteken] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten deleaan [aangever 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijnmededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zichwederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich detoegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg tenemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braaken/of verbreking;subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 februari 2025 te Wijchen, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een scooter met kenteken [kenteken] , althans een goed heeft verworven, voorhandenheeft gehad en/of heeft overgedragen,terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhandenkrijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoedendat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
3.hij op of omstreeks 17 februari 2025 te Wijchen, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een scooter met kenteken [kenteken] , althans een goed heeft verworven, voorhandenheeft gehad en/of heeft overgedragen,terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhandenkrijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoedendat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
4.hij op of omstreeks 18 februari 2025 te Nijmegen, althans in Nederland,een scooter met kenteken [kenteken] en/of een (boxer)helm, in elk geval enig goed,dat/die geheel of ten dele aan [aangever 6] , in elk geval aan een andertoebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijktoe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeftverschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht doormiddel van braak en/of verbreking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 18 februari 2025 te Wijchen, althans in Nederland,een scooter met kenteken [kenteken] en/of een (boxer)helm, althans een goed heeftverworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen,terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist,althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregengoed betrof.
Verdachte heeft meerdere dagvaardingen ontvangen. De rechtbank behandelt deze zaken gevoegd.
Parketnummer 05/200556-25:
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 30 juni 2025 vond op het station van Nijmegen een confrontatie plaats tussen aangever [slachtoffer] , verdachte en zijn tweelingbroer en tevens medeverdachte. Verdachte en zijn tweelingbroer hebben samen geweld gebruikt tegen aangever. Verdachte heeft aangever eenmaal met een mes in de buik gestoken. De tweelingbroer sloeg aangever met een tas.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit (poging doodslag).
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft voor het primaire feit vrijspraak bepleit. Uit het dossier volgt niet dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. Er is geen nader onderzoek gedaan naar de ernst van het letsel, de diepte van de wond en met welke kracht is gestoken.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank moet beoordelen of het handelen van verdachte (eenmaal steken in de buik van aangever) een poging doodslag oplevert zoals primair ten laste is gelegd.
Om tot een poging doodslag te komen, moet bewezen worden verklaard dat verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de dood van aangever heeft gehad. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van aangever. Daarom dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of sprake was van voorwaardelijk opzet. Daarvan is sprake wanneer het steken van verdachte een aanmerkelijke kans op de dood opleverde, verdachte zich bewust was van die kans en vervolgens die kans heeft aanvaard.
De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
In dit geval waren er de volgende omstandigheden. Verdachte en aangever stonden op zeer korte afstand van elkaar. Verdachte haalde uit met een mes richting de buik van aangever en raakte hem. Dit resulteerde in een steekwond van 2-3 centimeter breed. Het mes bleek een lemmet van 8,5 centimeter te hebben. De rechtbank stelt daarnaast vast dat met kracht is gestoken omdat er sprake is van een steekwond die een diepte reikend tot intraperitoneaal had (de rechtbank begrijpt: de buikholte, de plek waar een groot deel van de organen liggen) waarbij perforatie van de colon descendens niet uit viel te sluiten. Het is een feit van algemene bekendheid dat de buik een plek is waar zich op slechts enkele centimeters diep al belangrijke en kwetsbare lichaamsdelen zoals darmen en andere interne organen bevinden. Anders dan de verdediging vindt de rechtbank de kans dat iemand als gevolg van het krachtig steken met een mes in de buikstreek komt te overlijden, wel aanmerkelijk. Door toch te steken zoals verdachte heeft gedaan (met kracht, ongecontroleerd tijdens een confrontatie en met een mes met lemmet van 8,5 centimeter), heeft hij deze aanmerkelijke kans bewust aanvaard. De rechtbank stelt daarom vast dat verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van aangever heeft gehad. Daarmee verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging en vindt de rechtbank het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Parketnummer 05/088652-25:
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit 1 (opzetheling) en feit 2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat heling (feit 1) kan worden bewezen en heeft voor feit 2 geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1 & feit 2
Er is bij beide feiten sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen feit 1:
– het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 6;
– het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 32 – 34;
– de verklaring van verdachte afgelegd bij de rechter-commissaris op 24 maart 2025, p. 1.
Bewijsmiddelen feit 2:
het proces-verbaal van bevindingen, p. 24 – 25;
het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 52.
Parketnummer 05/052140-26:
De feiten
Op 18 februari 2026 ging verdachte naar de woning van aangevers [aangever 3] en [aangever 2] in Nijmegen. Er was via Marktplaats een afspraak gemaakt over de verkoop van een telefoon, een Iphone 15, van de aangevers aan verdachte. Toen verdachte binnen in de woning was, pakte hij de telefoon van tafel en wilde hij de woning verlaten zonder te betalen. Vervolgens is door verdachte richting de aangevers geduwd, geslagen en gestompt.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit (diefstal met geweld).
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primaire feit. Er is sprake van een poging (subsidiaire feit) omdat verdachte geen beschikkingsmacht over de telefoon heeft gehad.
Beoordeling door de rechtbank
Aangeefster [aangever 2] heeft verklaard dat zij zag dat verdachte een versnelde beweging maakte richting de eettafel, de Iphone 15 van die tafel pakte en richting de voordeur ging. Aangeefster is vervolgens voor verdachte gaan staan en riep haar man, aangever [aangever 3] . Ook deed zij de voordeur dicht. Verdachte pakte haar vast, sloeg haar en duwde haar aan de kant. Aangever [aangever 3] zag dit en rende naar zijn vrouw toe. Daarna werd hij gestompt door verdachte op zijn mond. Beide aangevers overmeesterden verdachte en wachtten op de politie. Verdachte bleef zich tot de komst van de politie verzetten.
Anders dan door de raadsvrouw bepleit, is de rechtbank van oordeel dat verdachte de telefoon heeft weggenomen. Doordat hij de telefoon van de tafel heeft gepakt en bij zich heeft gestoken, heeft hij de beschikkingsmacht over de telefoon verkregen. Dat verdachte niet de woning heeft kunnen verlaten met de telefoon, maakt niet dat sprake is van een onvoltooide diefstal. Op het moment dat verdachte de telefoon bij zich stak, heeft hij de telefoon zich namelijk al wederrechtelijk toegeëigend. De rechtbank verwerpt het verweer en vindt het primaire feit wettig en overtuigend bewezen.
Parketnummer 05/238454-25:
Feit 1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Aangeefster [aangever 4] heeft aangifte gedaan van de diefstal van haar scooter met kenteken [kenteken] op 10 februari 2025. Deze scooter stond geparkeerd bij het station van Wijchen. De scooter was afgesloten met het stuurslot. Van de diefstal zijn beelden. De politie heeft deze beelden uitgekeken en herkent daarop verdachte als de persoon die de scooter wegneemt. Dit vindt de rechtbank voldoende voor een bewezenverklaring van dit feit.
Feit 2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Er is bij dit feit sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
– het proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] , p. 40 – 41;
– het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 168 – 169.
Op de beelden van de diefstal is slechts één persoon te zien, verdachte, die de scooter wegneemt. Daarom zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen bij dit feit.
Feit 3
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Uit niets blijkt dat verdachte één van de jongens in het bosje bij de scooters was of op een andere manier iets met de scooters te maken heeft.
Beoordeling door de rechtbank
Aangever [aangever 7] heeft aangifte gedaan van de diefstal van zijn scooter met kenteken [kenteken] . Op zondag 16 februari 2025 heeft hij zijn scooter bij het station in Wijchen geparkeerd. De scooter stond op slot. Op 18 februari 2025 werd aangever door zijn vader gebeld. De scooter bleek gestolen en gevonden door de politie. De politie trof de scooter in Wijchen aan na een tip van een getuige. Deze getuige zag drie jongeren in de bosjes aan twee scooters sleutelen. Toen de politie ter plaatse kwam, zagen zij twee scooters (waaronder die van aangever) en twee jongens, medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Een derde jongen was weggerend. Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaarde dat het verdachte was die was weggerend. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de kappen van de scooters aan het wisselen was. Ook heeft verdachte verklaard dat hij wist dat de scooter van aangever gestolen was. Daarmee vindt de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen.
Feit 4
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde feit (opzetheling).
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Verdachte heeft ontkend de scooter gestolen te hebben. Ook is verdachte niet degene die op de scooter reed toen de politie dit zag. Dit was mogelijk zijn eeneiige tweelingbroer die op hetzelfde adres woonde als verdachte.
Beoordeling door de rechtbank
Aangever [aangever 6] heeft op dinsdag 18 februari 2025 aangifte gedaan van diefstal van zijn scooter met kenteken [kenteken] . Hij parkeerde de scooter omstreeks 12:00 uur in de fietsenstalling van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen aan de Kapittelweg 33 in Nijmegen. Hij zette de scooter op het stuurslot. Ook maakte hij zijn zwarte Boxer-helm vast aan de linkerkant van het zadel. Omstreeks 16:50 uur kwam aangever weer bij de fietsenstalling en zag hij dat zijn bromfiets, inclusief de helm, er niet meer stond.
Twee politieagenten stonden op diezelfde dag op [adres] in Wijchen te posten om verdachte, die op [adres] in Wijchen woont, buiten heterdaad aan te houden. Omstreeks 17:00 uur zagen zij een scooter de steeg inrijden die leidt naar [adres] . De bestuurder had een zwarte Boxer-helm op en droeg een blauwe jas. Een andere politieagent die in de buurt was kreeg deze informatie door van zijn collega’s. Hij liep de steeg in en zag halverwege iemand met een zwarte helm op een scooter zitten. Hij herkende deze persoon ambtshalve als verdachte. Verdachte droeg een blauwe, gewatteerde jas, die hij ook aan had bij eerdere incidenten van scooterdiefstal of -heling. De politieagent riep zijn collega’s erbij en zag dat verdachte richting de voordeur van zijn woning liep. Eén van de twee postende politieagenten herkende de persoon in de steeg als de persoon die hij even daarvoor op de scooter had zien rijden. De persoon draaide zich om en had een donkerkleurige Boxer-helm in zijn handen. De politieagent die verdachte al had herkend aan zijn jas, kreeg toen goed zicht op het gelaat van de persoon en herkende hem als verdachte. Verdachte liep vervolgens zijn woning aan [adres] binnen. Toen de politie de scooter bekeek, zagen zij dat het slot in de buddyseat en het contactslot waren vernield. Het kenteken van de scooter betrof [kenteken] . De postende politieagent herkende de scooter als de scooter waarop verdachte aan was komen rijden.
De rechtbank stelt vast dat de scooter en de helm van aangever op 18 februari 2025 tussen 12:00 en 16:50 uur zijn weggenomen uit de fietsenstalling. Omstreeks 17:00 uur is een persoon bij [adres] in Wijchen al rijdend op de scooter van aangever gezien, waarbij diegene tevens in het bezit was van een zwarte Boxer-helm. Deze persoon is door de politie herkend als verdachte. Aangezien verdachte ambtshalve bekend is bij de politie en meerdere politieagenten hem ‘hebben herkend, heeft de rechtbank geen enkele reden om eraan te twijfelen dat verdachte, en niet zijn eeneiige tweelingbroer, de bestuurder van de scooter was.
Gelet op het korte tijdsbestek tussen het tijdstip van de diefstal en het tijdstip waarop verdachte in het bezit van zowel de scooter als de helm is aangetroffen, kan het niet anders dan dat verdachte degene is die de scooter heeft gestolen. De rechtbank komt mede tot deze overtuiging omdat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven over hoe hij in het bezit van de scooter en de helm is gekomen. Hij ontkent bij de politie dat hij de bestuurder was, maar die verklaring kan in het licht van de herkenning als ongeloofwaardig worden bestempeld. De rechtbank vindt de primair ten laste gelegde diefstal dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
Parketnummer 05/200556-25:
primair
hij op of omstreeks 30 juni 2025 te Nijmegen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 05/088652-25:
1.hij op of omstreeks 20 maart 2025 te Nijmegen, een scooter, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
2.hij op of omstreeks 20 maart 2025 te Nijmegen een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een (combat) mes zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigenheeft gedragen.
Parketnummer 05/052140-26:
primair
hij op of omstreeks 18 februari 2026 te Nijmegen een Iphone, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] en/of [aangever 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenenwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [aangever 2] en/of [aangever 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- voornoemde [aangever 2] te duwen en/of te slaan en/of,- voornoemde [aangever 3] in het gezicht te stompen.
Parketnummer 05/238454-25:
1.hij op of omstreeks 10 februari 2025 te Wijchen, althans in Nederland, een scooter met kenteken [kenteken] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
2. primairhij op of omstreeks 17 februari 2025 te Nijmegen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een scooter met kenteken [kenteken] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
3.hij op of omstreeks 17 februari 2025 te Wijchen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een scooter met kenteken [kenteken] , althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
4. primairhij op of omstreeks 18 februari 2025 te Nijmegen, althans in Nederland, een scooter met kenteken [kenteken] en/of een (boxer)helm, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 6] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde levert op:
Parketnummer 05/200556-25 primair:
Medeplegen van een poging tot doodslag
Parketnummer 05/088652-25:
feit 1 primair:
Opzetheling
feit 2:
Handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Parketnummer 05/052140-26:
Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren
Parketnummer 05/238454-25:
feit 1:
Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak
feit 2 primair:
Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak
feit 3:
Opzetheling
feit 4 primair:
Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak
De feiten zijn strafbaar.
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Vormverzuim
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim omdat te veel geweld is gebruikt bij de aanhouding van verdachte. De hondengeleider die heeft besloten om de politiehond in te zetten en te laten bijten, heeft gehandeld in strijd met de ambtsinstructie. Verdachte vormde op het moment van de aanhouding geen bedreiging en dus kon gewacht worden op versterking en was inzet van de hond niet nodig. Bovendien heeft de hond na de eerste beet nog twee keer gebeten. Verdachte kon toen geen kant op en was al ernstig gewond. Dit levert een inbreuk op de lichamelijke integriteit van verdachte op (art. 5 EVRM). Deze vormfout moet leiden tot strafvermindering. De verdediging is ook een art. 12 Wetboek van Strafvordering procedure gestart.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht niet mee te gaan met het standpunt van de verdediging. Uit de proces-verbalen van de verbalisant die bij de aanhouding betrokken was blijkt voldoende dat verdachte zich aan zijn aanhouding wilde onttrekken en de bevelen van de politie niet wilde opvolgen.
De beoordeling van de rechtbank
De rechtbank vat het standpunt van de verdediging op als een beroep op een onherstelbaar vormverzuim (art. 359a Wetboek van Strafvordering).
Uit de processen-verbaal van aanhouding van de hondengeleider blijkt dat de hondengeleider verdachte en zijn medeverdachte (die op dat moment werden verdacht van een ernstig steekincident) meerdere malen heeft gesommeerd om uit hun verstopplek te komen. Ook werden zij gewaarschuwd voor de inzet van de politiehond als zij de instructies niet zouden opvolgen. Desondanks luisterden de verdachten niet en bewogen zij zich in tegengestelde richting dan de instructies die de hondengeleider gaf. Daarna is de politiehond ingezet. De rechtbank overweegt dat bij deze stand van zaken en gelet op de inhoud van de twee processen-verbaal, verdachte zichzelf heeft blootgesteld aan het risico van de inzet van een krachtig opsporingsmiddel zoals een diensthond. De stelling van de raadsvrouw dat ‘het daadwerkelijk inzetten en laten bijten van de hond in strijd is geweest met de ambtsinstructie’ wordt niet concreet onderbouwd en volgt evenmin uit de opgestelde processen-verbaal. Ook de stelling dat ‘makkelijk kon worden gewacht op versterking’ acht de rechtbank, zonder nadere onderbouwing en tegen de achtergrond van de geschetste situatie, onvoldoende aannemelijk geworden om aan te nemen dat sprake is geweest van een vormverzuim. De rechtbank verwerpt het verweer.
De straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot:
een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest;
een voorwaardelijke PIJ-maatregel met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming. De bijzondere voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard;
de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van 38v Wetboek van Strafrecht inhoudende een contactverbod met het slachtoffer van de steekpartij (parketnummer 05/200556-25).
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de belastende omstandigheden in de jeugd en het huidige leven van verdachte. De bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming zijn passend. Deze bijzondere voorwaarden moeten echter opgelegd worden in het kader van een voorwaardelijke jeugddetentie en geen voorwaardelijke PIJ-maatregel. Voorwaardelijke jeugddetentie is voldoende druk voor verdachte om te voorkomen dat hij opnieuw de fout in gaat.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
het uittreksel justitiële documentatie van 10 juni 2026 (het strafblad);
de Pro Justitia rapportage, dubbel persoonlijkheidsonderzoek van 6 november 2025, opgesteld door H. van der Most van Spijk, kinder- en jeugdpsychiater en H. Schoenmaker, GZ-psycholoog;
de Pro Justitia rapportage dubbel persoonlijkheidsonderzoek van 24 april 2026, opgesteld door H. van der Most van Spijk, kinder- en jeugdpsychiater en H. Schoenmaker, GZ-psycholoog;
het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 9 juli 2026.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
Verdachte is al eens eerder veroordeeld voor onder andere diefstal en heling, namelijk door de kinderrechter van deze rechtbank op 2 december 2024.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan veel (ernstige) strafbare feiten. In februari 2025 en maart 2025 heeft verdachte meerdere scooterdiefstallen gepleegd, is hij in het bezit geweest van verschillende gestolen scooters en had hij een mes op zak. Diefstallen zijn hinderlijke feiten die bovendien voor veel overlast en schade zorgen. De slachtoffers kregen hun scooters beschadigd en niet werkend terug. Verdachte had kennelijk alleen maar oog voor zijn eigen financiële gewin.
In juni 2025 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte en zijn tweelingbroer waren boos omdat het slachtoffer betrokken zou zijn geweest bij een vernedering van de tweelingbroer. Toen verdachte en zijn tweelingbroer het slachtoffer op het station van Nijmegen troffen, liep het uit de hand. Verdachte stak het slachtoffer in zijn buik. De tweelingbroer sloeg het slachtoffer met een tas. Daarna vluchtten verdachte en zijn tweelingbroer over het spoor naar een bouwterrein. Verdachte is daarna op dat bouwterrein in een kiepbak van een shovel aangehouden mede door inzet van een politiehond. De steekpartij heeft een grote impact gehad op het slachtoffer. Gevreesd werd voor een darmperforatie. Daarvoor heeft het slachtoffer behandeling in het ziekenhuis gehad. Uit zijn slachtofferverklaring blijkt dat hij tot op de dag van vandaag last heeft van de lichamelijke en psychische gevolgen van de steekpartij. Verdachte liet zich leiden door zijn emoties en heeft naar eigen zeggen gestoken omdat hij kwaad was dat het slachtoffer zijn tweelingbroer zou hebben vernederd.
Verdachte heeft na de steekpartij lang in voorarrest gezeten. Hij werd geschorst onder strenge voorwaarden. Kennelijk hield dat hem niet tegen om een nieuw strafbaar feit te plegen. In februari 2026 stal hij een Iphone uit een woning en probeerde hij met geweld richting de bewoners weg te komen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij wederom een ernstig geweldsfeit heeft gepleegd terwijl hij op dat moment in de schorsing van de voorlopige hechtenis liep. Ook dit feit heeft getuige de voorgelezen slachtofferverklaringen op zitting grote (psychische) impact gehad op de levens van de aangevers.
Het advies van de deskundigen
Verdachte is tweemaal door een psycholoog en psychiater onderzocht. Verdachte heeft een licht verstandelijke beperking, een matig ernstige normoverschrijdende gedragsstoornis en een milde stoornis in het gebruik van cannabis. Deze stoornissen maken dat de feiten verminderd aan verdachte kunnen worden toegerekend. De deskundigen schatten het risico op recidive hoog in. Intensieve behandeling en begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van ITB-harde kern is daarom nodig. In eerste instantie adviseerden de deskundigen om deze behandeling en begeleiding op te leggen als bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf. Er waren toen nog alternatieven op ambulant vlak. Daarom werd geen (on)voorwaardelijke PIJ-maatregel geadviseerd. De deskundigen hebben naar aanleiding van de diefstal met geweld van de Iphone aanvullend gerapporteerd. Ondanks het nieuwe strafbare feit, zien de deskundigen dat verdachte nog ontwikkelingsmogelijkheden heeft. Ook zijn er nog mogelijkheden voor ambulante behandeling.
Verdachte heeft echter wel een stevigere stok achter de deur nodig om voldoende gemotiveerd te blijven. Een voorwaardelijke PIJ-maatregel is die stok volgens de deskundigen. De deskundigen vragen zich wel af of verdachte als de maatregel wordt omgezet zich positief in een JJI kan ontwikkelen. Maar desondanks deze contra-indicatie, zien zij de noodzaak van een voorwaardelijke PIJ-maatregel vanwege de langdurige behandeling die verdachte nodig heeft en het hoge recidiverisico.
Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) kan zich vinden het advies van de deskundigen en adviseert de rechtbank om een voorwaardelijke PIJ-maatregel aan verdachte op te leggen met daarbij bijzondere voorwaarden die zien op het wonen bij [instelling] , het hebben van dagbesteding, ambulante behandeling bij Kairos, huisarrest en begeleid verlof, inzicht geven in het middelengebruik en indien nodig daarvoor behandeling volgen, ambulante behandeling en een contactverbod met het slachtoffer van de steekpartij.
Conclusie van de rechtbank
Volgens de richtlijnen die rechtbanken hanteren, staan op de ernstige feiten die verdachte heeft gepleegd onvoorwaardelijke jeugddetentiestraffen. De rechtbank is het echter met de deskundigen eens dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is en intensieve begeleiding en behandeling nodig heeft. Alleen dan kan het huidige hoge recidiverisico verlaagd worden. Daarom legt de rechtbank onvoorwaardelijke jeugddetentie op gelijk aan de duur van het voorarrest, te weten 171 dagen met daarnaast oplegging van de voorwaardelijke PIJ-maatregel (maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen). Voorwaardelijke jeugddetentie als stok is onvoldoende. Verdachte zat tijdens zijn voorarrest lang in de jeugddetentie en dat heeft hem niet weerhouden opnieuw een geweldsdelict te plegen. Daar komt bij dat als verdachte opnieuw de fout ingaat, hij de jeugdgevangenis in zou gaan en niet de behandeling gaat krijgen die nodig is om het hoge recidiverisico te verminderen.
De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan de vereisten voor het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel, zoals bedoeld in artikel 77s lid 1 Sr. Ten tijde van het plegen van de strafbare feiten bestond bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, zoals vastgesteld door de deskundigen. Verdachte heeft meerdere misdrijven gepleegd waarop vier jaren gevangenisstraf of meer is gesteld. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van de maatregel. Tot slot is de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.
De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd voor twee misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.
De rechtbank volgt het advies van deskundigen en zal de maatregel voorwaardelijk opleggen met daarbij een proeftijd van twee jaar. Hieraan worden de volgende (bijzondere) voorwaarden verbonden. Verdachte werkt mee aan:
jeugdreclasseringstoezicht;
het wonen bij [instelling] en het nakomen van de huisregels daar;
het hebben en behouden van een zinvolle dagbesteding;
ambulante behandeling en begeleiding bij Kairos, door een (jeugd)coach of iets soortgelijks;
huisarrest en begeleid verlof;
het geven van inzicht in zijn middelengebruik en eventueel behandeling voor het middelengebruik;
een contactverbod met het slachtoffer van de steekpartij [slachtoffer] .
De rechtbank beveelt dat de bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank vindt het van groot belang dat de jeugdreclassering de begeleiding van verdachte direct kan voortzetten, ook als verdachte in hoger beroep zou gaan tegen dit vonnis. Om die reden zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis ook niet opheffen.
38v Wetboek van Strafrecht maatregel
Ter beveiliging van de maatschappij en/of ter voorkoming van strafbare feiten kan de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. Dit is door de officier van justitie verzocht.
Zoals hierboven overwogen zal de rechtbank het contactverbod opleggen in het kader van de bijzondere voorwaarden. Verdachte heeft, in tegenstelling tot zijn tweelingbroer, na de steekpartij op geen enkele wijze contact opgenomen met het slachtoffer [slachtoffer] . De rechtbank ziet dan ook voor een zware maatregel als die van 38v Wetboek van Strafrecht geen aanleiding en vindt een contactverbod in het kader van de bijzondere voorwaarden voldoende.
Parketnummer 05/200556-25:
Er ligt beslag op de volgende goederen:
Apple Iphone wit met goednummer PL0600-2025308560-3484535;
een mes met goednummer PL0600-2025308560-3484540.
Het mes is een goed met behulp waarvan het bewezenverklaarde feit (poging doodslag) is begaan en waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Daarom onttrekt de rechtbank dit mes aan het verkeer. De rechtbank zal bepalen dat de telefoon terug kan naar verdachte. De rechtbank ziet op basis van het dossier geen aanleiding om tot een andere beslissing te komen.
Parketnummer 05/088652-25:
Er ligt beslag op de volgende goederen:
een bivakmuts met goednummer PL0600-2025127471-3416795;
een mes van ‘101 Inc’ met goednummer PL060-2025127532-G3416782.
De bivakmuts droeg verdachte ten tijde van de opzetheling, waardoor het een voorwerp betreft waarmee het feit is begaan (art. 33a lid 1 onder b Sr). De bivakmuts zal daarom worden verbeurd verklaard. Het ongecontroleerde bezit van het mes is in strijd met het algemeen belang en de wet. Daarom onttrekt de rechtbank het mes aan het verkeer.
Parketnummer 05/200556-25
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 6.641,50 aan materiële schade en € 7.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel toegewezen kan worden met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met de wettelijke rente en hoofdelijkheid.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het rechtstreeks verband tussen de studievertraging, het niet halen van het theorie-examen en het handelen van verdachte onvoldoende onderbouwd is. Ook de kosten voor beveiliging van de woning staan niet in rechtstreeks verband met het strafbare feit, nu het feit niet thuis heeft plaatsgevonden. Voor al deze bedragen moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. De immateriële schade moet gematigd worden naar € 4.000,- gelet op de Rotterdamse Schaal en de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Dit geldt in ieder geval voor de kosten die zien op medische kosten (€2.164,78), de beschadigde goederen (€180,-) en de vervoers- en parkeerkosten (€60). De kosten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst deze kosten toe.
Over de studievertraging overweegt de rechtbank het volgende. De benadeelde partij volgde een opleiding en zou deze normaliter begin juli 2025 hebben afgerond waarna hij direct zou zijn toegetreden tot de arbeidsmarkt. De vordering is onderbouwd met e-mails van een docent en een teammanager van de school. Daaruit blijkt dat de benadeelde partij vanwege het strafbare feit een examen heeft gemist. Uiteindelijk is de benadeelde partij pas op 28 oktober 2025 gestart met zijn baan nadat hij op 30 september 2025 zijn diploma behaalde. De rechtbank vindt dat hiermee voldoende vaststaat dat er een rechtstreeks verband is tussen het strafbare feit (en dus het handelen van verdachte) en de studievertraging. Voor de bepaling van de omvang van de studievertraging heeft de benadeelde partij zowel een berekening gemaakt van het gemiste loon als rekening gehouden met de Letselschade Richtlijn Studievertraging. Beide berekeningen komen rond de gevorderde € 3.600,- uit. De rechtbank vindt dit bedrag dan ook redelijk en wijst dit toe.
Voor de kosten van het theorie-examen geldt hetzelfde. De benadeelde partij heeft na het strafbare feit concentratieproblemen gekregen. Hij is na vier pogingen tijdens een poging met extra begeleiding en tijd voor zijn theorie-examen geslaagd. De verwachting was dat de benadeelde partij in een normale situatie in één of twee keer zou slagen. De rechtbank vindt dat voldoende is gebleken van een rechtstreeks verband tussen het strafbare feit en het niet halen van het theorie-examen. De benadeelde partij vordert nu de kosten voor tweemaal een theorie-examen en de toeslag voor extra begeleiding te weten € 142,75 en dat vindt de rechtbank passend en redelijk. Dit bedrag wijst de rechtbank toe.
Tot slot overweegt de rechtbank het volgende over de beveiligingskosten. De benadeelde partij heeft kosten gemaakt om hun huis te beveiligen naar aanleiding van concrete bedreigingen. Deze bedreigingen kwamen echter niet vanuit verdachte maar vanuit zijn medeverdachte, zijn tweelingbroer. Niet is gebleken dat verdachte op enige wijze na het strafbare feit in de buurt van de woning is geweest waardoor de beveiligingsmaatregelen voor verdachte nodig waren. Ook heeft het strafbare feit niet thuis plaatsgevonden. De rechtbank vindt daarom dat hier het rechtstreeks verband ontbreekt en zal de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
In totaal wijst de rechtbank dus € 6.147,53 aan materiële schade toe.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
– verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
– de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
– de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
– de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
In dit geval is sprake van lichamelijk letsel en is de benadeelde partij op andere wijze in de persoon aangetast (geestelijk letsel). Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Gelet daarop vindt de rechtbank een bedrag van € 4.500,- passend.
Voor het overige verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de immateriële vordering.
De rechtbank overweegt dat verdachte en de medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover de medeverdachte de schade heeft vergoed.
Verdachte is vanaf 10 maart 2026 (datum indiening vordering) wettelijke rente over het bedrag aan materiële schadevergoeding verschuldigd.
Verdachte is vanaf 30 juni 2025 (datum strafbare feit) wettelijke rente over het bedrag aan immateriële schadevergoeding verschuldigd.
Als het bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul.
Parketnummer 05-052140-26
[aangever 2]
De benadeelde partij [aangever 2] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 385,- aan materiële schade en € 1.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel toegewezen kan worden met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met de wettelijke rente.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die materiële schade gehouden. De rechtbank wijst de gevorderde € 385,- toe.
Immateriële schade
In dit geval is sprake van lichamelijk letsel en is de benadeelde partij op andere wijze in de persoon aangetast (geestelijk letsel). Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Gelet daarop vindt de rechtbank het gevorderde bedrag van € 1.000,- passend en zal dit toewijzen.
Verdachte is vanaf 25 maart 2026 (datum indiening vordering) wettelijke rente over het bedrag aan materiële schadevergoeding verschuldigd.
Verdachte is vanaf 18 februari 2026 (datum strafbare feit) wettelijke rente over het bedrag aan immateriële schadevergoeding verschuldigd.
Als het bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul.
[aangever 3]
De benadeelde partij [aangever 3] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 394,36,- aan materiële schade en € 1.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel toegewezen kan worden met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met de wettelijke rente.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard ten aanzien van de materiële kosten. Uit het dossier volgt niet dat de armbanden tijdens het strafbare feit kapot zijn gegaan. Ook is onduidelijk of de armbanden nog hersteld kunnen worden.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Anders dan de verdediging vindt de rechtbank dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Er is een flinke worsteling geweest tussen verdachte en de rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de verklaring van de benadeelde partij dat bij die worsteling de armbanden kapot zijn gegaan. De rechtbank vindt de kosten voldoende onderbouwd en wijst het gevorderde bedrag van
€ 394,36 toe.
Immateriële schade
In dit geval is sprake van lichamelijk letsel en is de benadeelde partij op andere wijze in de persoon aangetast (geestelijk letsel). Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Gelet daarop vindt de rechtbank het gevorderde bedrag van € 1.000,- passend en zal dit toewijzen.
Verdachte is vanaf 18 februari 2026 (datum strafbare feit) wettelijke rente over het bedrag aan materiële schadevergoeding verschuldigd.
Verdachte is vanaf 18 februari 2026 (datum strafbare feit) wettelijke rente over het bedrag aan immateriële schadevergoeding verschuldigd.
Als het bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul.
Parketnummer 05/238454-25
[aangever 4]
De benadeelde partij [aangever 4] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.102,21,- aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel toegewezen kan worden met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met de wettelijke rente.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld verdachte alleen met het slot bezig is geweest en daarom de vordering enkel kan worden toegewezen voor de bedragen die zien op de reparatie van het slot.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Anders dan de verdediging vindt de rechtbank dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden en dat alle gevorderde kosten schades zijn die door de diefstal zijn ontstaan. De rechtbank wijst de gevorderde €1.102,21 toe.
Verdachte is vanaf 10 februari 2025 (datum strafbare feit) wettelijke rente over het bedrag aan schadevergoeding verschuldigd.
Als het bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul.
[aangever 5]
De benadeelde partij [aangever 5] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 995,- aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel toegewezen kan worden met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met de wettelijke rente.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat verdachte de schade niet heeft veroorzaakt.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Anders dan de verdediging vindt de rechtbank dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden en dat alle gevorderde kosten schades zijn die door de diefstal die verdachte volgens de rechtbank heeft gepleegd, zijn ontstaan. De rechtbank wijst de gevorderde €995,- toe.
Verdachte is vanaf 17 februari 2025 (datum strafbaar feit) wettelijke rente over het bedrag aan schadevergoeding verschuldigd.
Als het bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul.
[aangever 7]
De benadeelde partij [aangever 7] (ingediend door ouder [naam] ) heeft in verband met feit 3 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert
€ 2.256,47 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard.
De beoordeling door de rechtbank
De vordering is in zijn geheel niet onderbouwd en niet voorzien van bijlagen. De benadeelde partij is evenmin op zitting verschenen, waardoor er geen nadere vragen over de (onderbouwing van de) vordering konden worden gesteld. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in de vordering.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft verdachte op 2 december 2024 veroordeeld voor opzetheling, overtreding van artikel 7 Wegenverkeerswet, diefstal en wederspannigheid tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 70 uren met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. Gelet op de strenge bijzondere voorwaarden die verdachte opgelegd krijgt, is het niet opportuun om daarnaast nog een werkstraf te moeten uitvoeren.
Beoordeling door de rechtbank
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is desondanks van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen. Verdachte krijgt momenteel twaalf uur per dag één op één begeleiding, moet behandelingen volgen en is beperkt belastbaar. Als verdachte naast zich houden aan de bijzondere voorwaarden ook een werkstraf moet verrichten, bestaat de kans dat hij overvraagd wordt. Dat zal het risico op recidive en op het mislukken van de werkstraf alleen maar verhogen. Daarom wijst de rechtbank de vordering af.
De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 287, 311, 312 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie.
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot:
een jeugddetentie voor de duur van 171 dagen;
beveelt dat de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (171 dagen) bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;
en
legt op aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 3 (drie) jaren;
bepaalt dat de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en;
stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:
zich meldt op afspraken met de jeugdreclassering, zo vaak en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. De jeugdreclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
verblijft bij [instelling] of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de jeugdreclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de jeugdreclassering opstelt;
meewerkt aan het hebben en behouden van zinvolle dagbesteding, te bepalen door de jeugdreclassering;
zich laat behandelen en begeleiden door Kairos, een (jeugd)coach of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering, zolang de jeugdreclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;
meewerkt aan huisarrest en begeleid verlof, te bepalen door de jeugdreclassering;
meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik van verdovende middelen. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek of speekseltest. De jeugdreclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
indien het middelengebruik daarvoor aanleiding geeft, zich laat behandelen door zorgverlener voor verslavingszorg, te bepalen door de jeugdreclassering. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het middelengebruik;
op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:
[slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 2007;
tenzij dit contact plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de jeugdreclassering en daarbij de aanwijzingen van de jeugdreclassering worden opgevolgd;
geeft de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland de opdracht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
en onder de voorwaarden dat verdachte:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in art. 77aa, eerste tot en met vierde lid, Wetboek van Strafrecht, uit te voeren door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, waaronder de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt, daaronder begrepen;
beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
beveelt de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven goed, te weten:
een bivakmuts met goednummer PL0600-2025127471-3416795;
beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven goederen, te weten:
een mes met goednummer PL0600-2025308560-3484540;
een mes van ‘101 Inc’ met goednummer PL060-2025127532-G3416782;
gelast de teruggave van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven goed aan verdachte, te weten:
Apple Iphone wit met goednummer PL0600-2025308560-3484535;
Beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen
veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de navolgende benadeelde partijen van de hierna genoemde bedragen, telkens vermeerderd met de kosten die de benadeelde partijen in deze procedure hebben gemaakt en de kosten die de benadeelde partijen mogelijk nog moeten maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul:
Benadeelde partij Bedrag Wettelijke rente vanaf
1. [slachtoffer] materieel 10 maart 2026
05/200556-25 € 4.500,- immaterieel 30 juni 2025
2. [aangever 2] materieel 25 maart 2026
05/052140-26 € 1.000,- immaterieel 18 februari 2026
3. [aangever 3] materieel 18 februari 2026
05/052140-26 € 1.000,- immaterieel 18 februari 2026
4. [aangever 4] materieel 10 februari 2025
05/238454-25
5. [aangever 5] materieel 17 februari 2025
05/238454-25
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] (parketnummer 05/200556-25) voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
verklaart de benadeelde partij [aangever 7] (parketnummer 05/238454-25) niet-ontvankelijk in de vordering;
bepaalt alleen in de zaak met parketnummer 05/200556-25 dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag aan de benadeelde partijen betaalt, dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
legt aan verdachte ook de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van alle voornoemde benadeelde partijen de navolgende bedragen te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum als vermeld, tot aan de dag dat het bedrag volledig is betaald. Als de genoemde bedragen niet worden betaald, kunnen 0 (nul) dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging (05/173105-24)
wijst af de vordering van de officier van justitie van 11 juni 2025 strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij aantekening mondeling vonnis van de kinderrechter van deze rechtbank van 2 december 2024 voorwaardelijk opgelegde werkstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.J. Post (voorzitter en kinderrechter), mr. E.M. van Poecke en mr. C.A.H. Pouwels, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Duis-van Grol, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 juli 2026.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025308998, gesloten op 28 januari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 27 – 28; verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 juli 2026.
Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer] , p. 32 – 33.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 30.
NFI Rapport veiligstellen van microsporen naar aanleiding van een steekincident in Nijmegen op 30 juni 2025, p. 2 (aanvullend proces-verbaal).
Geneeskundige verklaring van 1 juli 2025, p. 35.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025127566, gesloten op 23 maart 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2026080632, gesloten op 19 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van aangifte [aangever 3] , p. 5 – 6; proces-verbaal verhoor getuige [aangever 2] , p. 8.
Proces-verbaal van aangifte [aangever 3] , p. 5 – 6; proces-verbaal verhoor getuige [aangever 2] , p. 8.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 4] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025075559, gesloten op 15 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van aangifte [aangever 4] , p. 23 – 25.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 27 – 28; proces-verbaal van bevindingen, p. 30 – 31.
Proces-verbaal van aangifte [aangever 7] , p. 87 – 88.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 49 – 50.
Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 168.
Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 juli 2026.
Proces-verbaal van aangifte [aangever 6] , p. 112.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 105.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 102, en fotoblad, p. 111.