Vordering in kort geding tot nakoming van een door de rechtbank in de bodemprocedure vastgestelde voorlopige zorgregeling (in afwachting van raadsonderzoek). De voorzieningenrechter oordeelt dat nakoming van de door de rechter vastgestelde regeling het uitgangspunt is, tenzij zwaarwegende belangen van het kind zich daartegen verzetten. De vader heeft de voorlopige regeling zelf onderbroken. Tus...
ECLI:NL:RBLIM:2025:12731
text/xml
public
2026-08-26T14:59:27
2025-12-19
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Limburg
2025-12-19
C/03/347327 / KG ZA 25-449
Uitspraak
Kort geding
Op tegenspraak
NL
Maastricht
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:12731
text/html
public
2026-08-26T14:58:29
2026-08-26
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBLIM:2025:12731 Rechtbank Limburg , 19-12-2025 / C/03/347327 / KG ZA 25-449
Vordering in kort geding tot nakoming van een door de rechtbank in de bodemprocedure vastgestelde voorlopige zorgregeling (in afwachting van raadsonderzoek). De voorzieningenrechter oordeelt dat nakoming van de door de rechter vastgestelde regeling het uitgangspunt is, tenzij zwaarwegende belangen van het kind zich daartegen verzetten. De vader heeft de voorlopige regeling zelf onderbroken. Tussen de ouders speelt problematiek die door de raad wordt onderzocht. De onderbreking van de zorgregeling heeft bij het kind geleid tot onzekerheid en verlies van vertrouwen in de vader. Het kind heeft in een gesprek met de rechter ook aangegeven nu liever niet naar de vader te willen gaan. De combinatie van deze factoren leidt tot het oordeel dat er duidelijk problemen zijn die onderzocht moeten worden, maar dat een kort geding zich naar aard niet voor dat onderzoek leent. De vader zal de bodemprocedure en het raadsonderzoek moeten afwachten. Gevraagde voorziening geweigerd.
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 19 december 2025
Zaaknummer: C/03/347327 / KG ZA 25-449
De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het volgende kort gedingvonnis gewezen
inzake
[vader]
,
wonend in [plaatsnaam] ,eiser, verder te noemen: de vader,advocaat mr. M.W.M. van Doorn, kantoorhoudend in Maastricht;
tegen:
[moeder]
,
wonend in [plaatsnaam] ,gedaagde, verder te noemen: de moeder,advocaat: mr. J.G. van Ek, kantoorhoudend in [plaatsnaam] .
1.1.
De vader heeft de moeder gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag,
10 december 2025, zijn verschenen: de vader in persoon, bijgestaan door mr. Van Doorn, en de moeder in persoon, bijgestaan door mr. Van Ek.
1.2.
De vader heeft gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna hij zijn vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader heeft toegelicht.
1.3.
De moeder heeft aan de hand van de op voorhand toegezonden conclusie van antwoord verweer gevoerd tegen de vordering van de vader, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties.
1.4.
De ouders hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.
1.5.
De eveneens ter zitting verschenen vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de raad) heeft het standpunt van de raad toegelicht.
1.6.
Vervolgens is de mondelinge behandeling voor enige tijd onderbroken om de ouders in de gelegenheid te stellen hun geschil alsnog in der minne te regelen, maar zij zijn niet tot overeenstemming gekomen en hebben vonnis gevraagd.
1.7.
Op 15 december 2025 heeft de minderjarige [minderjarig kind] (verder te noemen: [minderjarig kind] ) zijn mening kenbaar gemaakt tijdens een kindgesprek. De ouders en de raad hebben, nadat zij daartoe door de voorzieningenrechter in de gelegenheid zijn gesteld, schriftelijk op gereageerd.
1.8.
De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.
2.1.
Uit de inmiddels beëindigde affectieve relatie van de ouders is op [geboortedatum] 2015 in [plaatsnaam] [minderjarig kind] geboren. De vader heeft [minderjarig kind] erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarig kind] . [minderjarig kind] verblijft bij de moeder.
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van 18 juni 2025 (zaaknummer 326404 FA RK 24-140) heeft de rechtbank als volgt beslist.
“De rechtbank:
5.1.
stelt als voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast dat [minderjarig kind] iedere woensdag van 14.30 uur tot 19.00 uur bij de vader verblijft;
5.2.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Limburg, locatie Maastricht, vanaf november 2025 het onderzoek te hervatten en te adviseren conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 4.4. is overwogen;
5.3.
verzoekt de raad aan de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, te berichten wanneer wordt gestart met het onderzoek;
5.4.
stelt de ouders op voorhand in de gelegenheid om binnen veertien dagen na ontvangst van het rapport van de raad schriftelijk te reageren op de rapportage en het advies van de raad alsook over de voortgang van de procedure, waarna de rechtbank de ouders zal informeren over het verdere verloop van de procedure.
5.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
houdt in afwachting van het door de raad uit te brengen rapport en advies iedere verdere beslissing op het verzoek van de vader aan, voorlopig pro forma
tot 8 december 2026
.”
3.1.
De vader vordert, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad, de moeder te veroordelen om met onmiddellijke ingang na betekening van het in deze te wijzen vonnis in kort geding haar medewerking te verlenen aan de bij beschikking van 18 juni 2025 door de rechtbank vastgelegde voorlopige zorgregeling, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere keer dat de moeder hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 5.000,-.
De vader heeft ter onderbouwing van zijn vordering het volgende aangevoerd. De moeder frustreert zonder enige reden de bij genoemde beschikking van 18 juni 2025 bepaalde voorlopige zorgregeling. Sinds medio juli 2025 wordt de vader (wederom) geconfronteerd met de weigerachtige houding van de moeder. De moeder heeft de vader op 15 juli 2025 laten weten dat zij een intens gesprek met [minderjarig kind] heeft gehad waarin [minderjarig kind] zou hebben aangegeven niet meer naar de vader te willen gaan. De vader heeft toen aangegeven dat hij wenste dat de moeder de regeling zou hervatten, hetgeen niet is gebeurd. Vervolgens heeft er op voorstel van de moeder op 6 augustus 2025 een gesprek met de kindertherapeut plaatsgevonden. Bij dat gesprek heeft de vader ten onrechte begrepen dat de kindertherapeut zou hebben geadviseerd om de omgang tussen de vader en [minderjarig kind] voorlopig niet te laten doorgaan. Na het gesprek heeft de vader aangegeven dat hij het contact met [minderjarig kind] een week wilde opschorten vanwege een ontstoken mond. Daarna heeft de vader een viergesprek voorgesteld om zo tot hervatting van het contact te komen, maar heeft de moeder laten weten daarvan af te zien vanwege door haar gestelde onrust en het feit dat de vader bij school van [minderjarig kind] was verschenen. Het aanvullend raadsonderzoek zal nog enkele maanden in beslag nemen en daarna volgt nog een mondelinge behandeling. De vader acht het niet in het belang van [minderjarig kind] dag gedurende die gehele periode geen contact tussen [minderjarig kind] en hem plaatsvindt. Dit zal volgens hem enkel leiden tot verdere verwijdering tussen [minderjarig kind] en hem en verwatering van het moeizaam opgebouwde contact van de afgelopen jaren.
3.2.
De moeder heeft verweer gevoerd. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Hervatting van het contact tussen de vader en [minderjarig kind] is op dit moment niet in het belang van [minderjarig kind] . Er zijn zodanige zwaarwegende omstandigheden dat nakoming van de zorgregeling nu in redelijkheid niet van de moeder kan worden gevergd. De moeder stelt dat de regeling door de vader niet stipt werd nagekomen en dat die onvoorspelbaarheid structureel heeft bijgedragen aan het gevoel van onveiligheid bij [minderjarig kind] . De vader heeft de zorgregeling op 6 augustus 2025 zelf en weloverwogen stopgezet. Daarmee [minderjarig kind] en de moeder voor een voldongen feit gesteld. Het vertrouwen van [minderjarig kind] in de vader was al broos en werd hierdoor opnieuw op de proef gesteld. Van cruciaal belang is volgens de moeder dat [minderjarig kind] sinds het onverwachte bezoek van de vader aan de school en vaders geuite wens tot hervatting van de zorgregeling ernstig ontregeld is. Thuis laat hij duidelijke stresssignalen zien, is neerslachtig en heeft meermaals benoemd liever dood te willen zijn dan naar zijn vader te moeten. Daarnaast uit hij ernstige moordgedachten richting de vader.
3.3.
Op de stellingen van de ouders zal hierna bij de beoordeling nader worden ingegaan.
De raad heeft ter zitting aangegeven dat het onderzoek momenteel loopt. Uit het gesprek met de moeder komen veel zorgen naar voren en wellicht dient er door de raad ook tot een beschermingsonderzoek te worden overgegaan. De raad vindt het lastig in dit kort geding tot een advies te komen. Het uitgangspunt is dat er contact tussen de vader en [minderjarig kind] dient te zijn, tenzij er sprake is van zwaarwegende omstandigheden die zich daartegen verzetten. Of daarvan sprake is kan de raad nog niet inschatten. De raad weet niet hoe het met [minderjarig kind] gaat, maar wel dat dat de zorgen omtrent [minderjarig kind] zijn toegenomen ten opzichte van de zorgen ten tijde van het vorige raadsrapport. [minderjarig kind] zit klem tussen de ouders. De raad moet nog met de vader en [minderjarig kind] spreken en verwacht medio februari 2026 het raadsrapport gereed te hebben. Om nu te adviseren om het contact weer te hervatten terwijl het niet goed gaat met [minderjarig kind] vindt de raad, ondanks dat het een beperkte zorgreling betreft, moeilijk. De raad stelt voor om het contact te hervatten via beeldbellen.
Spoedeisend belang
5.1.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting van de vader tijdens de mondelinge
behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de vader bij zijn vordering vast. De voorzieningenrechter zal de vader daarom in zijn vordering ontvangen en deze hierna inhoudelijk beoordelen.
Het juridisch beoordelingskader
5.2.
Volgens het bepaalde in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hierover op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van [minderjarig kind] wenselijk voorkomt.
Vooruitlopend daarop kan de voorzieningenrechter in kort geding in spoedeisende zaken een ordemaatregel geven, waarbij de voorzieningenrechter – net als de rechtbank in de bodemprocedure – het belang van [minderjarig kind] tot uitgangspunt neemt.
Op grond van het vijfde lid van artikel 1:253a BW neemt de rechter de beslissing niet nadat een vergelijk tussen de ouders is beproefd. De voorzieningenrechter zal hetgeen de ouders vorderen beoordelen, nu een vergelijk tussen de ouders tijdens de mondelinge behandeling niet mogelijk is gebleken.
5.3.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de afspraken over de zorgregeling, zoals vastgelegd in de beschikking van deze rechtbank van 18 juni 2025 van kracht blijven zolang de ouders niet anders overeenkomen of in een bodemprocedure niet anders is beslist. Er kan goede grond bestaan dit uitgangspunt los te laten maar dan zal de moeder feiten of omstandigheden moeten stellen – en bij betwisting door de vader aannemelijk moeten maken – die maken dat voortzetting van de voorlopige zorgregeling voor [minderjarig kind] ernstig nadeel zal opleveren voor zijn geestelijke en/of lichamelijke ontwikkeling dan wel dat anderszins sprake is van strijd met zwaarwegende belangen van [minderjarig kind] . Als dergelijke omstandigheden zijn gebleken, zal dit leiden tot het oordeel dat van de moeder redelijkerwijs niet langer kan worden gevergd dat zij zich aan vastgelegde zorgregeling houdt. Gelet op het door de moeder gevoerde verweer zal de voorzieningenrechter dus moeten beoordelen of deze omstandigheden zich in deze zaak voordoen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
De inhoudelijk beoordeling
5.4.
Ter zitting is gebleken dat de ouders lijnrecht tegenover elkaar staan wat betreft het contact tussen [minderjarig kind] en de vader. Ter zitting is door de raad nog voorgesteld om, in afwachting van de uitkomst van het raadsonderzoek, tot een tussenoplossing te komen in de vorm van beeldbellen. De moeder heeft daarmee ingestemd, maar de vader heeft aangegeven daar geen heil in te zien.
Hoewel ongebruikelijk in een kort geding heeft de voorzieningenrechter naar aanleiding van de zitting besloten om [minderjarig kind] uit te nodigen voor een gesprek met haar als kinderrechter, dat op 15 december 2025 heeft plaatsgevonden. In reactie op het door de voorzieningenrechter opgemaakt verslag van dat kindgesprek hebben de ouders en de raad hun eerdere standpunten ter zake de vordering van de vader gehandhaafd. De voorzieningenrechter overweegt dat hetgeen de kinderechter met [minderjarig kind] in genoemd kindgesprek heeft besproken en de reacties van de ouders en de raad daarop geen ander licht op de zaak werpen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er op dit moment te veel onduidelijkheden bestaan om nu als ordemaatregel de moeder te veroordelen om haar medewerking te verlenen aan de bij genoemde beschikking van 18 juni 2025 vastgelegde voorlopige zorgregeling. De voorzieningenrechter overweegt in dat verband dat wel duidelijk is geworden dat er veel speelt en dat er aan de zijde van de moeder ernstige zorgen zijn over [minderjarig kind] , welke zorgen door de vader worden weersproken. De raad heeft ter zitting aangegeven dat er tijdens het vorige raadsadvies ook al zorgen over [minderjarig kind] bestonden en dat deze zorgen nu lijken te zijn toegenomen. De voorzieningenrechter neemt verder in aanmerking dat de vader heeft gesteld dat hij het contact zelf heeft opgeschort vanwege een ontstoken mond en de vader vervolgens onverwacht op de school van [minderjarig kind] is verschenen. Dit draagt niet op een positieve wijze bij aan het vertrouwen van [minderjarig kind] in de vader en aan zijn gevoel van veiligheid.
Wat er precies speelt en wat er dient te gebeuren is op dit moment niet duidelijk, ook niet voor de raad die onlangs met het onderzoek is gestart. De voorzieningenrechter is van oordeel dat grondig onderzoek naar de belangen van [minderjarig kind] en de ouders is vereist en dat bij deze stand van zaken genoemde zorgregeling niet zomaar kan worden hervat. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat ter zitting is komen vast te staan dat de zaak daarvoor te complex is vanwege de verschillende belangen van betrokkenen, de tegenstrijdige standpunten van de ouders en de zorgen die er spelen. De voorzieningenrechter overweegt dat in de bodemprocedure uitvoerig kan worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval en daarin de belangen van alle betrokkenen goed kunnen worden afgewogen. Een kort geding procedure leent zich daar gezien zijn aard niet voor. Op dit moment is er onduidelijkheid over de aspecten die bij de belangenafweging betrokken dienen te worden en is onduidelijk hoe deze belangenafweging dient uit te vallen, terwijl een onderzoek daarnaar in het bestek van dit kort geding niet mogelijk is. Hieruit volgt dat het niet goed mogelijk is in deze procedure de vereiste belangenafweging te maken. De voorzieningenrechter acht het in het belang van [minderjarig kind] dat het onderzoek en advies van de raad in de bodemprocedure wordt afgewacht alvorens de bij genoemde beschikking van 18 juni 2025 vastgestelde voorlopige zorgregeling (eventueel) kan worden hervat. Gelet op al het voorgaande en onder de gegeven omstandigheden komt het de voorzieningenrechter in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarig kind] voor om nu van de moeder te verlangen dat zij genoemde zorgregeling nakomt en om nu als ordemaatregel de moeder te veroordelen haar medewerking aan die zorgregeling te verlenen. De voorzieningenrechter zal de vordering van de vader daarom afwijzen.
De voorzieningenrechter:
wijst het gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.F.M. van Swaaij, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
SV