Geen instemming van beide partijen voor doorhaling, zodat de zaak niet kan worden doorgehaald. Eiser heeft vorderingen verminderd tot nihil, zodat zij in de proceskosten wordt veroordeeld. Geen sprake van misbruik van procesrecht.
ECLI:NL:RBLIM:2025:9460
text/xml
public
2026-08-26T14:49:10
2025-09-30
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Limburg
2025-10-01
11690704 CV 25-2250
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
Op tegenspraak
NL
Roermond
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:9460
text/html
public
2026-08-26T14:48:27
2026-08-26
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBLIM:2025:9460 Rechtbank Limburg , 01-10-2025 / 11690704 CV 25-2250
Geen instemming van beide partijen voor doorhaling, zodat de zaak niet kan worden doorgehaald. Eiser heeft vorderingen verminderd tot nihil, zodat zij in de proceskosten wordt veroordeeld. Geen sprake van misbruik van procesrecht.
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11690704 CV EXPL 25-2250
Vonnis van 1 oktober 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaatsnaam] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Stichting Rechtswinkel Amsterdam,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaatsnaam] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H. den Besten.
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding met producties 1 tot en met 14;- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
– de brief van Stichting Rechtswinkel Amsterdam van 29 juli 2025 houdende verzoek tot doorhaling van de procedure;
– de reactie van mr. Den Besten van 31 juli 2025 op het doorhalingsverzoek;
– de e-mail van de kantonrechter van 4 augustus 2025;
– de e-mail van Stichting Rechtswinkel Amsterdam van 5 augustus 2025;
– de e-mail van mr. Den Besten van 21 augustus 2025 met aanvullende productie 4;
– de mondelinge behandeling van 28 augustus 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.1.
Bij vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 13 september 2024 is [persoon X] (hierna te noemen: [persoon X] ) veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 8.363,77 aan [eiser] .
2.2.
Omdat [persoon X] niet betaalde en gelegde beslagen geen doel troffen, heeft [eiser] bij exploot van 17 februari 2025 derdenbeslag gelegd op de huurpenningen die [gedaagde] aan – zo stelt [eiser] – [persoon X] betaalt.
2.3.
[gedaagde] heeft hierna schriftelijk verklaard geen rechtsverhouding met [persoon X] te hebben en dat [persoon X] niets te vorderen heeft en zal hebben van [gedaagde] . De juistheid van deze verklaring wordt door [eiser] betwist.
3.1.
In deze procedure vorderde [eiser] aanvankelijk (samengevat):
een verklaring voor recht dat zij de juistheid van de verklaring terecht heeft betwist;
[gedaagde] te veroordelen tot het afleggen van een nieuwe verklaring waaruit volgt of er een rechtsverhouding met [persoon X] bestaat en/of geld aan [persoon X] verschuldigd is;
[gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 8.363,77 aan [eiser] als vast komt te staan dat tussen [gedaagde] en [persoon X] een rechtsverhouding bestaat uit hoofde waarvan [gedaagde] geld aan [persoon X] verschuldigd is.
3.2.
Omdat de vordering van [eiser] uiteindelijk alsnog door [persoon X] is betaald, heeft [eiser] verzocht om de procedure door te halen.
3.3.
[gedaagde] verzet zich tegen doorhaling van de procedure en verzoekt [eiser] te veroordelen in de werkelijke proceskosten.
4.1.
Op grond van artikel 246 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan een zaak alleen met instemming van beide partijen worden doorgehaald. [gedaagde] heeft aangegeven zich tegen doorhaling te verzetten, omdat zij een veroordeling van [eiser] in de werkelijke proceskosten wenst. Omdat geen instemming van beide partijen is verkregen voor doorhaling, is doorhaling van de zaak niet mogelijk. Dit heeft de kantonrechter op 4 augustus 2025 aan partijen meegedeeld.
4.2.
Uit het doorhalingsverzoek begrijpt de kantonrechter dat [eiser] haar vorderingen conform artikel 129 Rv vermindert tot nihil. Nu deze vorderingen niet meer hoeven te worden beoordeeld, moet alleen nog worden beslist over de proceskosten.
4.3.
In beginsel moet [eiser] , als de partij die de vorderingen tot nihil heeft verminderd, worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief de nakosten). De kantonrechter ziet geen aanleiding om van dit beginsel af te wijken.
4.4.
Voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten, zoals door [gedaagde] verzocht, moet sprake zijn van misbruik van procesrecht. Daar is in dit geval geen sprake van. De kantonrechter licht dit als volgt toe.
4.5.
Er waren ten tijde van dagvaarden voldoende aanknopingspunten voor [eiser] om het bestaan van een huurovereenkomst, en dus van een rechtsverhouding, tussen [persoon X] en [gedaagde] te vermoeden. Zo heeft de deurwaarder op 21 maart 2025 verklaard dat [gedaagde] staat ingeschreven op het [adres] in [plaatsnaam] . Dit adres was het postadres zowel van [gedaagde] , als van [persoon X] . Die woning was volgens kadastrale informatie (mede-)eigendom van [persoon X] . Het deel van de woning waar [gedaagde] woont, werd volgens de website van [makelaar] sinds 3 augustus 2024 te huur aangeboden voor € 950,00 per maand. Gelet op deze feiten en omstandigheden is het niet vreemd dat [eiser] de verklaring van [gedaagde] , inhoudende dat tussen hem en [persoon X] geen rechtsverhouding bestond, in twijfel trok. Van een kansloze procedure was dus geen sprake. Ook anderszins was geen sprake van misbruik van procesrecht.
4.6.
Gelet op het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat door [eiser] geen misbruik van procesrecht is gemaakt, zodat zij ook niet in de werkelijke proceskosten zal worden veroordeeld. De proceskosten worden begroot aan de hand van het geldende liquidatietarief.
4.7.
Bij dagvaarding heeft [eiser] gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 8.363,77 als vast komt te staan dat tussen [gedaagde] en [persoon X] een rechtsverhouding bestaat. De kantonrechter zal de proceskosten dan ook begroten aan de hand van het liquidatietarief dat bij deze vordering moet worden toegepast.
4.8.
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
– salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
– nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
813,00
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 813,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.2.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025.