ECLI:NL:RBLIM:2026:4831
Woningsluiting 13b Opiumwet. Verzoek voorlopige voorziening toegewezen. Onduidelijkheid omtrent de netto aangetroffen hoeveelheid harddrugs. Burgemeester heeft het standpunt dat vanuit de woning werd gehandeld en dat er sprake was van aanloop naar de woning onvoldoende onderbouwd. Belangenafweging in het voordeel van verzoeker.
Rechtbank Limburg 25 May 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBLIM:2026:4831
text/xml
public
2026-05-25T09:00:21
2026-05-18
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Limburg
2026-05-20
ROE 26/831
Uitspraak
Voorlopige voorziening
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4831
text/html
public
2026-05-18T11:58:03
2026-05-25
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBLIM:2026:4831 Rechtbank Limburg , 20-05-2026 / ROE 26/831
Woningsluiting 13b Opiumwet. Verzoek voorlopige voorziening toegewezen. Onduidelijkheid omtrent de netto aangetroffen hoeveelheid harddrugs. Burgemeester heeft het standpunt dat vanuit de woning werd gehandeld en dat er sprake was van aanloop naar de woning onvoldoende onderbouwd. Belangenafweging in het voordeel van verzoeker.
RECHTBANK LIMBURG
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/831
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 mei 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit Maastricht, verzoeker
(gemachtigde: mr. B.H.M. Nijsten),
en
De Burgemeester van de gemeente Maastricht, de burgemeester
(gemachtigden: C.M.J.J. Erdkamp en A.A. Badaljan).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de woning van verzoeker voor drie maanden te sluiten. Verzoeker is het daar niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Dat betekent dat de burgemeester de woning op dit moment niet mag sluiten. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Met het bestreden besluit van 8 april 2026 heeft de burgemeester de woning van verzoeker gesloten voor de duur van drie maanden. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De burgemeester heeft de rechtbank laten weten dat met sluiting van de woning wordt gewacht totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.
Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoeker is huurder en bewoner van de woning. De burgemeester heeft een bestuurlijke rapportage van de politie van 16 maart 2026 ontvangen. Uit de bestuurlijke rapportage volgt dat op 12 maart 2026 in de woning aan het [adres] te Maastricht drugs zijn aangetroffen. Het betreft 1,6 gram (bruto) cocaïne, aangetroffen in de woonkamer. Daarnaast is in de woning aangetroffen: een weegschaal met restanten van wit poeder, verpakkingsmateriaal zoals kleine gripzakjes, lege snowseals en een bankpasje met daaraan wit poeder. Verder was er sprake van meerdere overlastmeldingen met betrekking tot de woning. Tevens is door de politie waargenomen dat de woning veelvuldig bezocht wordt door drugsdealers en drugsgebruikers.
3.1.
De burgemeester heeft op 19 maart 2026 het voornemen tot woningsluiting voor de duur van drie maanden toegezonden en verzoeker in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Verzoeker heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Vervolgens is het besluit genomen van 8 april 2026.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
4. Gelet op het feit dat verzoeker de woning in het geval van sluiting daarvan zal moeten verlaten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende is gebleken van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De zaak zal dan ook verder inhoudelijk worden beoordeeld.
Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan?
5. Als de burgemeester gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om een woning op grond van artikel 13b, van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Dat kader is beschreven in de uitspraken van 6 juli 2022 en 16 juli 2025.
5.1.
De burgemeester is bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een woning verdovende middelen worden verkocht, afgeleverd of verstrekt, dan wel daartoe aanwezig is. Bij harddrugs (cocaïne) is er in principe sprake van een handelshoeveelheid als er meer dan 0,5 gram wordt aangetroffen. Bij een geringe overschrijding van die grens kan er nog sprake zijn van eigen gebruik. Verzoeker zal dat dan aannemelijk moeten maken.
5.2.
Verzoeker stelt allereerst dat het om een gebruikershoeveelheid gaat en dat het netto gewicht van belang is en niet het bruto gewicht waar de burgemeester van uit gaat. Daarnaast stelt verzoeker dat een tweede persoon in de woning was, een dame die in de buurt woont. Verzoeker stelt dat één sealtje voor/van haar was. Dat in de woning verpakkingsmaterialen aangetroffen zijn wil niet zeggen dat verzoeker drugs verkoopt; dit waren oude sealtjes van cocaïne die verzoeker zelf in de afgelopen maanden gebruikt heeft
en bewaard heeft. Het weegschaaltje werd gebruikt om de cocaïne fijn te maken met de aangetroffen bankpas. Verzoeker betwist dat het pand bekend staat als drugspand nu hij niet verkoopt. Er zijn meerdere personen in het complex die gebruik maken van dealers. Dit kan niet enkel op het bordje van verzoeker gelegd worden. De burgemeester is niet bevoegd om de woning te sluiten.
5.3.
De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat het netto gewicht van de aangetroffen sealtjes onduidelijk is. Er is 1,6 gram bruto aangetroffen in twee sealtjes. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij twee sealtjes van elk 0,2 gram heeft gekocht. De burgemeester zal duidelijkheid moeten verschaffen over het netto gewicht. Maar ook als de hoeveelheid van 0,5 gram wordt overschreden, zal dit een geringe overschrijding zijn. Verzoeker heeft ter zitting verklaard deze cocaïne zelf te gebruiken.
5.4.
De burgemeester heeft ter onderbouwing van het standpunt dat vanuit de woning wordt gehandeld, erop gewezen dat er aanloop was naar de woning. In de Bestuurlijke rapportage staat hierover het volgende:
“Eerdere waarnemingen: Naar aanleiding van eerdere overlastmeldingen werd door de woningstichting camera’s geplaatst in de centrale hal van het appartementencomplex, waaronder [huisnummer] , aan het [adres] te Maastricht. Door de politie werd op die beelden waargenomen dat de bewoner van [huisnummer] , [naam] , op meerdere dagen op meerdere tijdstippen ons ambtshalve bekende drugsdealers in de flat binnen laat. Tevens is op die beelden te zien dat deze drugsdealers, goederen overgeven aan andere personen of zelf verstoppen in de centrale hal van de flat. Deze goederen hebben uiterlijke kenmerken van verpakkingsmateriaal van drugs. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de politie besloten hier verder actie op de ondernemen.
Op 2 [lees 12] maart 2026, werd door de politie waargenomen dat een personenauto kwam aangereden op het [adres] te Maastricht. Vervolgens werd waargenomen dat de bestuurder uitstapte en richting de flat [huisnummer] liep. Wij zagen dat de bewoner van [huisnummer] op zijn balkon stond. Wij zagen dat hij iets van het balkon afgooide. Vervolgens ving de bestuurder van de personenauto dit voorwerp op en liep naar de voordeur. Wij zagen dat de voordeur met een sleutel werd open gemaakt. Hoogstwaarschijnlijk gooide de bewoner de huissleutel vanaf het balkon naar onder. De bestuurder van de personenauto bracht een kort bezoekje aan de bewoner van het [adres] . Deze bestuurder werd later staande gehouden. Bij hem werden 41 snowseals met wit poeder aangetroffen. De bestuurder werd aangehouden. Op 12 maart 2026 werd er een doorzoeking gedaan in de woning op het [adres] te Maastricht. Wij zagen dat de woning behoorlijk vervuild was. In de woning werden twee snowseals met daarin wit poeder aangetroffen. Ook werden er in de woning meerdere lege snowseals, kleine gripzakjes, een bankpasje met daaraan wit poeder en een weegschaal met daarop resten van wit poeder aangetroffen. Voor een compleet beeld zie de bijgevoegd fotomap. De dealer werd later aangehouden, bij hem werden 51 snowseals cocaine aangetroffen. De snowseals met cocaine in de woning kwamen overeen met de snowseals die de dealer bij zich had.”
5.5.
Desgevraagd wordt, op verzoek van de voorzieningenrechter omdat er wat onduidelijkheid blijkt uit voorgaand citaat, aangegeven door de burgemeester dat er een tweede persoon aanwezig was in de woning, dit was een vrouw uit de buurt. Deze persoon is gecontroleerd en voordat de doorzoeking begon weggestuurd. Er is geen aanleiding om te denken dat één van de sealtjes van haar was aldus de politie.
5.6.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de bestuurlijke rapportage op dit punt niet volledig is, nu de tweede persoon in het geheel niet werd niet genoemd. Verder acht de voorzieningenrechter verzoekers uitleg over de weegschaal en de bankpas niet op voorhand onaannemelijk nu hij heeft verklaard zelf drugs te gebruiken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester zijn standpunt dat vanuit de woning werd gehandeld en dat daarom sprake was van aanloop naar de woning onvoldoende heeft onderbouwd. De burgemeester geeft op zitting aan dat er ook meldingen uit het verleden zijn ten aanzien van drugsoverlast. Ten aanzien van de camera’s die zouden zijn opgehangen door de woningstichting als gevolg van overlastmeldingen stelt de voorzieningenrechter vast dat uit de bestuurlijke rapportage niet blijkt welke overlast er dan zou zijn geweest en door wie die overlast bezorgd wordt. De burgemeester heeft hierover geen stukken in het geding gebracht. Ook ten aanzien van de meldingen uit het verleden heeft de burgemeester geen stukken overgelegd, zodat niet concreet is geworden wat deze meldingen inhielden en wanneer dit speelde. Verder stelt de burgemeester op zitting dat er kennelijk nog een andere zaak speelt tussen verzoeker en de burgemeester, namelijk ook over een woningsluiting (artikel 174a van de Gemeentewet) in verband met een vuurwerkbom. In die zaak zouden, aldus de burgemeester, ook drugsgerelateerde zaken naar voren komen en zou verzoeker juist hebben verklaard níet te gebruiken. Maar de burgemeester heeft over die procedure, net als over de meldingen en de camerabeelden, geen stukken ingebracht in deze procedure. De voorzieningenrechter is dus niet bekend met deze stukken en kan deze dan ook niet betrekken in de beoordeling.
5.7.
Omdat er nog veel punten door de burgemeester niet onderbouwd zijn, is voor de voorzieningenrechter niet komen vast te staan dat vanuit de woning van verzoeker wordt gehandeld in harddrugs. Het complex bestaat immers uit zes woningen en in de bestuurlijke rapportage staat ook dat goederen worden afgegeven aan “andere personen of zelf verstoppen”. De link die de burgemeester legt met de personenauto die nadien aangehouden wordt met gelijke seals betekent – zonder nadere onderbouwing – niet dat hiermee vaststaat dat deze persoon de seals van verzoeker heeft gekregen. Het kan er ook op duiden dat het juist andersom is gegaan, dat verzoeker van deze persoon de beide sealtjes (voor eigen gebruik) gekocht heeft.
6. Gelet op het voorgaande is op dit moment nog teveel onduidelijk gebleven, dan wel onvoldoende onderbouwd. Het ligt op de weg van de burgemeester om in bezwaar voor meer duidelijkheid en een onderbouwing te zorgen. Daardoor zal beter beoordeeld kunnen worden of de burgemeester bevoegd is om de woning te sluiten en – als de bevoegdheid er is –of hiervoor een noodzaak ontstaat. De bezwaarprocedure is bij uitstek aangewezen om nadere onderbouwing van de verschillende standpunten te kunnen geven.
7. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter zich in deze voorlopige voorzieningen hangende bezwaar beperken tot een belangenafweging om te beoordelen of de gevraagde voorlopige voorziening moet worden toegewezen.
De belangenafweging
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uitvalt. Uit voorgaande overwegingen blijkt dat nog niet vaststaat dat de burgemeester bevoegd is om de woning te sluiten en of daartoe een noodzaak bestaat. Terwijl de woningsluiting voor verzoeker wel zeer nadelige gevolgen zal hebben. De burgemeester heeft mogelijk ook een groot belang bij sluiten. In dat geval kan de burgemeester echter ook na de bezwaarprocedure alsnog daartoe overgaan. Bij deze stand van zaken valt de belangenafweging daarom op dit moment van de procedure in het voordeel van verzoeker uit.
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe. De voorzieningenrechter treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar. Dat betekent dat de woning van verzoeker voorlopig niet mag worden gesloten.
9.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst met de burgemeester het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Ook krijgt hij een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een vast bedrag van € 934,- per proceshandeling. Omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen, leidt dit tot een totaalbedrag van € 1.868,-.
De voorzieningenrechter:
– wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
– schorst het bestreden besluit tot twee weken na de door de burgemeester te nemen beslissing op bezwaar;
– bepaalt dat de burgemeester aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 200,- moet vergoeden;
– veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.M. Horsten-Kuijpers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
|
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 20 mei 2026.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.