Ambtshalve beoordeling over de inhoud van het beroep. Geen beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar dat ziet op de verleende omgevingsvergunning. Verweerder heeft terecht het handhavingsverzoek geweigerd, omdat de overtredingen zijn gelegaliseerd met een omgevingsvergunning die inmiddels onherroepelijk is. Het beroep van eisers is ongegrond.
ECLI:NL:RBLIM:2026:4903
text/xml
public
2026-05-26T17:50:31
2026-05-19
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Limburg
2026-05-19
ROE 24/5126
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Roermond
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4903
text/html
public
2026-05-26T17:49:38
2026-05-26
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBLIM:2026:4903 Rechtbank Limburg , 19-05-2026 / ROE 24/5126
Ambtshalve beoordeling over de inhoud van het beroep. Geen beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar dat ziet op de verleende omgevingsvergunning. Verweerder heeft terecht het handhavingsverzoek geweigerd, omdat de overtredingen zijn gelegaliseerd met een omgevingsvergunning die inmiddels onherroepelijk is. Het beroep van eisers is ongegrond.
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/5126
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen
[eisers] , uit [woonplaats 1] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, verweerder
(gemachtigde: mr. M.A. Jonkers).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] , uit [woonplaats 2] .
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het door verweerder genomen besluit om het handhavingsverzoek van eisers te weigeren. Eisers hebben verzocht om handhavend op te treden vanwege een poort en een parkeerplaats op het adres [adres 1] in [plaats] . De rechtbank heeft ambtshalve beoordeeld of het beroep ook ziet op de door verweerder aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning voor het legaliseren van de poort en de parkeerplaats.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers geen beroep hebben ingediend tegen het besluit op bezwaar van 5 november 2024 dat ziet op de verleende omgevingsvergunning. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder terecht het handhavingsverzoek van eisers heeft geweigerd, omdat geen sprake is van overtredingen ten tijde van het bestreden besluit omdat de overtredingen zijn gelegaliseerd met een omgevingsvergunning die in bezwaar in stand is gelaten en inmiddels onherroepelijk is. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Bij besluit van 18 juni 2024 heeft verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een bestaande poort en parkeerplaats aan de [adres 1] in [plaats] .
Bij besluit van 24 juni 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen diverse overtredingen met betrekking tot de woning aan de [adres 1] in [plaats] van de derde-partij afgewezen.
Eisers hebben bezwaar ingediend tegen het besluit van 18 juni 2024 en het primaire besluit.
Verweerder heeft bij twee afzonderlijke besluiten van 5 november 2024 het bezwaar van eisers tegen de verleende omgevingsvergunning deels gegrond verklaard, zij het vanwege een gewijzigde motivering en het bezwaar tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
Eisers hebben beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en een USB-stick overgelegd.
De derde-partij heeft een reactie ingediend.
Eisers hebben nog aanvullende stukken ingediend.
Verweerder heeft nadere stukken overgelegd. Eisers hebben hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van verweerder en de derde-partij.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eisers zijn woonachtig aan de [adres 2] te [woonplaats 1] en geven aan dat er sprake is van een illegale schutting met poort, een illegale parkeerplaats en een illegaal perkje bij hun buren (de derde-partij) aan de [adres 1] te [plaats] . Tevens geven eisers aan dat er sprake is van hinder op de buurweg door obstakels en parkeren en vinden eisers dat de bezoekers van de muziekschool van de buren storend gedrag vertonen. Eisers hebben hiertoe een handhavingsverzoek bij verweerder ingediend.
2.1.
Naar aanleiding van het handhavingsverzoek heeft verweerder diverse controles uitgevoerd en een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom aan de derde-partij kenbaar gemaakt met betrekking tot de poort en het parkeren achter de poort.
2.2.
De derde-partij heeft naar aanleiding van het voornemen een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning zodat de poort en de parkeerplaats gelegaliseerd kunnen worden. Verweerder heeft deze omgevingsvergunning bij besluit van 18 juni 2024 verleend. Verweerder heeft vervolgens bij het primaire besluit het handhavingsverzoek afgewezen, omdat de poort en de parkeerplaats inmiddels gelegaliseerd zijn, het perkje niet in strijd is met het bestemmingsplan en er tijdens de controles geen obstakels zijn waargenomen op de buurweg. Volgens verweerder is het storende gedrag van bezoekers van de muziekschool van privaatrechtelijke aard.
2.3.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen zowel het besluit van 18 juni 2024 als het primaire besluit. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Ambtshalve beoordeling over de inhoud van het beroep
3. De rechtbank ziet zich gesteld voor de ambtshalve beoordeling of eisers tegen beide besluiten van 5 november 2024 beroep hebben ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat eisers geen beroep hebben ingesteld tegen het besluit van 5 november 2024 dat ziet op het bezwaar tegen de verleende omgevingsvergunning. Wel is door eisers beroep ingesteld tegen het besluit van 5 november 2024 dat ziet op het bezwaar tegen het afwijzen van het handhavingsverzoek (het bestreden besluit). De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
3.1.
Het beroep van eisers ziet naar het oordeel van de rechtbank alleen op het bestreden besluit. Redengevend daarvoor is dat er op het moment van het instellen van pro forma beroep volgens eisers zelf nog geen besluit op het bezwaar over de omgevingsvergunning bekend was bij eisers. Immers, in het aanvullend beroepschrift van 12 januari 2025 maken eisers er melding van dat zij ook dan nog niet weten of er op het bezwaar tegen de omgevingsvergunning van 5 november 2024 al is beslist of niet. Er kan dus niet tegelijkertijd met het beroep tegen het bestreden besluit beroep zijn ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar tegen de omgevingsvergunning.
3.2.
Verweerder heeft zich ter zitting nog op het standpunt gesteld dat volgens hem wel degelijk twee beroepen lopen tegen zowel het bestreden besluit als de beslissing op bezwaar tegen de omgevingsvergunning. Verweerder onderbouwt dit door het standpunt in te nemen dat eisers tegen de beslissing op bezwaar over de omgevingsvergunning beroep hebben ingesteld in hun email van 2 februari 2025 jegens verweerder. Dat is een e-mail waarin eisers reageren op het op 28 januari 2026 door verweerder per e-mail versturen van de beslissing op bezwaar tegen de omgevingsvergunning aan eisers. Dat beroep is volgens verweerder ook tijdig ingesteld omdat de beroepstermijn voor eisers met betrekking tot de beslissing op het bezwaar tegen de omgevingsvergunning is begonnen te lopen de dag na 28 januari 2025, omdat op die datum het besluit per e-mail aan eisers is gestuurd en verweerder kennelijk aanneemt dat eisers daar niet eerder bekend mee waren. De rechtbank is van oordeel dat het emailbericht van 2 februari 2025 als reactie op het alsnog ontvangen van het besluit niet kan worden gezien als het instellen van beroep. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat het e-mailbericht om te beginnen niet is gericht aan de rechtbank, maar aan verweerder en verweerder op geen enkel moment voorafgaand aan de zitting het standpunt heeft ingenomen dat de e-mail een beroepschrift zou zijn. Uit de enkele stelling van eisers in het emailbericht dat de motivatie van het besluit schokkend is blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat ook niet aannemelijk is dat er beroep is ingesteld. Eisers geven alleen een reactie op het besluit, maar daaruit blijkt niet dat ze dat aan de rechter willen voorleggen op dat moment. Eisers hebben op zitting ook aangegeven niet apart beroep te hebben ingesteld tegen het besluit op bezwaar over de omgevingsvergunning.
3.3.
Gelet op het voorgaande hebben eisers dus geen beroep ingesteld tegen het besluit op het bezwaar met betrekking tot de verleende omgevingsvergunning. Hierdoor beperkt de rechtbank zich tot beoordeling van enkel het bestreden besluit.
Beoordeling besluit op bezwaar afwijzen handhavingsverzoek
4. Ter zitting is komen vast te staan dat de beroepsgronden van eisers enkel (nog) zien op de poort en het parkeren achter de poort.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht het handhavingsverzoek van eisers heeft geweigerd, omdat voor de poort en het parkeren achter de poort een omgevingsvergunning is verleend zodat er ten tijde van het bestreden besluit geen sprake meer was van overtredingen en verweerder reeds om die reden niet handhavend kon optreden. Reeds om die reden is het beroep van eisers ongegrond.
5. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder terecht het bezwaar tegen het afwijzen van het handhavingsverzoek van eisers ongegrond heeft verklaard zodat het hiertegen gerichte beroep ook ongegrond is.
5.1.
Het beroep is ongegrond en daarom krijgen eisers het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.J.M. Thelen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 19 mei 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 19 mei 2026