Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBLIM:2026:6578

vordering ziektekostenverzekering toegewezen.

Rechtbank Limburg 30 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBLIM:2026:6578
text/xml
public
2026-07-30T11:41:44
2026-07-07
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Limburg
2026-07-15
12099909 CV EXPL 26-627
Uitspraak
Bodemzaak
NL
Roermond
Civiel recht; Verbintenissenrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6578
text/html
public
2026-07-29T16:19:47
2026-07-30
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBLIM:2026:6578 Rechtbank Limburg , 15-07-2026 / 12099909 CV EXPL 26-627

vordering ziektekostenverzekering toegewezen.


RECHTBANK
LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 12099909 CV EXPL 26-627

Vonnis van 15 juli 2026

in de zaak van

VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,

te Arnhem,

eisende partij,

hierna te noemen: VGZ,

gemachtigde: Inkassier,

tegen

[gedaagde]
,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

<br /> 1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

<br /> 2De feiten

2.1.

[gedaagde] is tegen ziektekosten verzekerd bij VGZ. Er is een achterstand in de betaling van de premie en andere bedragen ontstaan.

<br /> 3Het geschil

3.1.

VGZ vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.412,21 (€ 2.646,24 aan hoofdsom, € 72,46 aan rente, € 221,58 aan buitengerechtelijke kosten waarop in mindering strekt het inmiddels betaalde bedrag van € 1.528,07), vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

<br /> 4De beoordeling

4.1.

VGZ vordert betaling van het hiervoor in 3.1. genoemde bedrag. [gedaagde] is op de terechtzitting van 11 maart 2026 verschenen en heeft toen verklaard dat de vordering niet klopt. Volgens haar heeft zij alles betaald, al is dit soms wel te laat gebeurd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij een rekeningafschrift van haar betaalrekening overgelegd.

4.2.

In haar conclusie van repliek heeft VGZ het verweer van [gedaagde] besproken en heeft zij haar eigen stellingen toegelicht. Ook heeft VGZ een specificatie van de vordering overgelegd en een overzicht met daarop betalingen van [gedaagde] en de posten waarop die betalingen zijn afgeboekt.

4.3.

[gedaagde] heeft daarna nog gereageerd waarbij zij aangeeft zich bij de stellingen van VGZ neer te leggen. Ook geeft zij aan dat er een tijdelijke betalingsregeling is getroffen en dat zij maandelijks € 70,00 zal betalen.

4.4.

Omdat [gedaagde] haar verweer kennelijk prijsgeeft en VGZ de gevorderde hoofdsom voldoende heeft onderbouwd, kan de gevorderde hoofdsom worden toegewezen, met uitzondering van het daarin opgenomen bedrag van € 5,00 aan administratiekosten. Zij heeft immers zelf in de dagvaarding dat er geen administratie- of herinneringskosten in rekening worden gebracht, terwijl deze volgens productie 1 bij dagvaarding wel in het overzicht zijn opgenomen. Er wordt daarom een bedrag van € 2.641,24 aan hoofdsom toegewezen. Omdat de gevorderde hoofdsom deels wordt afgewezen, klopt de door VGZ becijferde vervallen rente niet meer. De gevorderde wettelijke rente over de toewijsbare hoofdsom zal daarom worden toegewezen vanaf de dag van verzuim tot de dag van volledige voldoening

4.5.

Naast de hoofdsom vordert VGZ ook nog betaling van rente en incassokosten.

Omdat [gedaagde] niet of te laat heeft betaald, moet zij wettelijke rente betalen. Deze is daarom toewijsbaar over de losse bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van betaling.

Voor wat betreft de gevorderde buitengerechtelijke kosten geldt het volgende. [gedaagde]

is op grond van eenzelfde rechtsverhouding termijnbetalingen aan VGZ verschuldigd. Eén of meer van de aanmaningen voldoen niet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW (te weten: de brief van 1 december 2025), omdat daarin een hoger bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is aangezegd dan op grond van artikel 6:96 lid 8 BW en artikel 2a lid 2 van het Besluit is toegestaan. Er is niet meer toewijsbaar dan het totaalbedrag aan incassokosten dat op de juiste wijze is aangezegd. Toewijsbaar is daarom een bedrag van € 119,83.

.

4.6.

De conclusie is daarom dat de vordering van VGZ zal worden toegewezen tot een bedrag van € 1.233,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over alle losse bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid daarvan tot de dag van betaling.

4.7.

[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VGZ worden begroot op:

– kosten van de dagvaarding

153,77

– griffierecht

350,00

– salaris gemachtigde

288,00

(2 punten × € 144,00)

– nakosten

72,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

863,77

De gevorderde btw over de nakosten zal, voor zover die nakosten zien op het salaris gemachtigde, worden afgewezen nu hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat.

4.8.

[gedaagde] geeft aan dat er een tijdelijke betalingsregeling is getroffen. Hiermee kan in dit vonnis geen rekening worden gehouden, maar de kantonrechter gaat ervan uit dat [gedaagde] deze gewoon kan nakomen.

<br /> 5De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen een bedrag van € 1.233,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over alle losse bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid daarvan tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 863,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.

Artikel delen