Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBLIM:2026:8012

Veroordeling tot gevangenisstraf van 240 dagen waarvan 194 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden alsmede een taakstraf voor de duur van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis ter zake 2 mishandelingen en een poging tot zware mishandeling betreffende caféruzies in Maastricht alsmede vernieling van een ruit. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij

Rechtbank Limburg 4 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBLIM:2026:8012
text/xml
public
2026-08-04T14:30:10
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Limburg
2026-08-04
03/245215-25 en 03/072728-24
Uitspraak
Eerste aanleg – meervoudig
NL
Maastricht
Strafrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:8012
text/html
public
2026-08-04T12:07:56
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBLIM:2026:8012 Rechtbank Limburg , 04-08-2026 / 03/245215-25 en 03/072728-24

Veroordeling tot gevangenisstraf van 240 dagen waarvan 194 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden alsmede een taakstraf voor de duur van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis ter zake 2 mishandelingen en een poging tot zware mishandeling betreffende caféruzies in Maastricht alsmede vernieling van een ruit. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummers: 03/245215-25 en 03/072728-24 (ttz.gev.)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 augustus 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte]
,

geboren te [geboortegegevens] 1996,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat te Maastricht.

<br /> 1Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 juli 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Hij is ter terechtzitting verschenen met zijn gemachtigde [naam 1] . De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.

<br /> 2De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er in de zaak met parketnummer 03/245215-25, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: [slachtoffer 2] heeft mishandeld met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg;

Feit 2: [slachtoffer 3] heeft mishandeld;

Feit 3: [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (primair), heeft geprobeerd [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (subsidiair), dan wel dat hij [slachtoffer 1] heeft mishandeld met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg (meer subsidiair).

In de zaak met parketnummer 03/072728-24 wordt de verdachte, kort en feitelijk weergegeven, verweten dat hij op 2 maart 2024 het glas van een deur heeft vernield.

<br /> 3De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

In de zaak met parketnummer 03/245215-25:

De onder feit 1 tenlastegelegde mishandeling kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Nu niet kan worden geconcludeerd dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel, dient de verdachte daarvan partieel te worden vrijgesproken. Feit 2 kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. De verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 3 primair tenlastegelegde, nu niet kan worden geconcludeerd dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. De subsidiair tenlastegelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan wel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

In de zaak met parketnummer 03/072728-24:

Dit feit kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

3.2

Het standpunt van de verdediging

In de zaak met parketnummer 03/245215-25:

Ten aanzien van feit 1 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de tenlastegelegde mishandeling, maar verzoekt zij de verdachte partieel vrij te spreken ten aanzien het zwaar lichamelijk letsel als gevolg daarvan. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 2. Van het onder feit 3 primair tenlastegelegde dient de verdachte te worden vrijgesproken, nu niet kan worden geconcludeerd dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde.

In de zaak met parketnummer 03/072728-24:

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

In de zaak met parketnummer 03/245215-25

:

Bewijsmiddelen ten aanzien van feiten 1 en 2:

[slachtoffer 2]
deed aangifte en verklaarde op 4 september 2025 – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt:

Op 23 augustus 2025 omstreeks 01:00 uur was ik aanwezig in café De Pieter te Maastricht. Ik was samen met [slachtoffer 3] en [naam 2] . (…) Ik zag dat de man agressief werd en binnen enkele seconden zag ik dat hij [slachtoffer 3] opzettelijk en met kracht tegen zijn neus sloeg. Ik zag dat [slachtoffer 3] naar achter stapte door de klap. Ik zag dat de bediening de man meteen vastpakte en ertussen sprong. Ik hoorde de bediening tegen ons zeggen: “jullie kunnen nu beter gaan”. Ik wilde mijn tas van de grond pakken. Ik voelde toen dat ik opzettelijk en met kracht hard tegen mijn rechteroor werd geslagen. Ik merkte dat ik meteen een dof geluid had in mijn oor. De pijn viel mee maar ik voelde het wel, de klap. Ik zag dat de man zich toch los had gerukt van de bediening en mij geslagen had. Mijn oor bleef een dof geluid houden. [slachtoffer 3] had een sneetje op zijn neus. [naam 2] kon mij vertellen dat die man zijn naam [verdachte] was.

[slachtoffer 3]
deed aangifte en verklaarde op 20 september 2025 – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt:

Op 23 augustus 2025, omstreeks 01.00 uur was ik met mijn vrienden [naam 2]

en [slachtoffer 2] in café De Pieter op de Sint Pietersstraat in Maastricht. (…) Toen ik dit gesprek beëindigde en opnieuw in gesprek wilde met mijn vrienden, zag ik dat de man met een van zijn handen uithaalde. Door deze klap voelde ik een stekende pijn en zag ik dat ik op mijn neus bloedde. Ik schrok enorm en ik stapte naar achter. Toen zag ik dat twee medewerkers van café de Pieter de man vastpakten en zij zeiden tegen ons: “ga naar huis”. Ik hoorde dat de man zei: “er hangen toch geen camera’s, ik sla jullie kapot”. [slachtoffer 2] zijn tas stond nog onder de bar. Toen [slachtoffer 2] deze wilde pakken, zag ik dat de man zich losrukte van de medewerkers. Ik zag dat de man [slachtoffer 2] een klap gaf.

Getuige [naam 2] verklaarde op 8 september 2025 – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt:

Toen wij aanstalten maakten om te vertrekken, zag ik dat [verdachte] zich losrukte van het barpersoneel en met een platte hand in het zicht van [slachtoffer 3] sloeg. Ik hierbij dat [verdachte] de neus van [slachtoffer 3] raakte. Ik zag toen dat [verdachte] wederom werd vastgepakt door het barpersoneel. Vervolgens liep [slachtoffer 3] weg. Ik zag dat [verdachte] zich weer losrukte van het barpersoneel en richting [slachtoffer 2] liep. Ik zag dat [slachtoffer 2] net op dat moment zijn spullen pakte om ook te vertrekken. Ik zag toen dat [verdachte] [slachtoffer 2] een slag op zijn oor gaf. Ik hoorde zelfs de klap.

V: Hoe ben je uiteindelijk aan de gegevens gekomen van [verdachte] ?

A: [verdachte] stelde zich voor in het gesprek dat ik had met hem voorafgaand aan de mishandeling. Ik heb toen op social media gezocht op zijn naam en kwam toen bij [verdachte] uit. Ik herkende de persoon op de profielfoto direct als de persoon die mijn vrienden heeft geslagen.

De verdachte verklaarde op 15 september 2025 – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt:

V: Waar was u op zaterdag 23 augustus 2025, omstreeks 01.00 uur?

A: Ik ben wel in café De Pieter geweest, maar voor de rest weet ik het niet.

Overwegingen ten aanzien van feiten 1 en 2:

De rechtbank stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte op 23 augustus 2025 in café De Pieter is geweest. Daar raakte hij in gesprek met aangevers. Op enig moment heeft de verdachte eerst [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) op zijn neus en vervolgens [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) tegen een oor geslagen, als gevolg waarvan zij pijn en/of letsel hebben ondervonden. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft mishandeld.

Ten aanzien van het letsel van [slachtoffer 2] bevat het dossier weliswaar een medische verklaring, maar op grond daarvan kan de rechtbank niet oordelen over de daadwerkelijke aard van het letsel, de eventuele noodzaak van medisch ingrijpen en het uitzicht op volledig herstel. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank dan ook van oordeel dat ten aanzien van feit 1 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [slachtoffer 2] als gevolg van de mishandeling zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank spreekt de verdachte hiervan partieel vrij.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3:

[slachtoffer 1]
deed aangifte en verklaarde op 13 september 2026 – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 27 augustus 2025 omstreeks 23.50 uur zat ik aan de bar in café In de Karkol te Maastricht. Ik zag dat er een man binnen kwam die ik van aanzien kende. (…) Ik zag dat de man met het bierglas in zijn rechterhand, een slaande beweging maakte richting de rechterkant van mijn hoofd. Ik probeerde de klap te ontwijken door mijn gezicht naar links te draaien echter voelde ik dat ik tegen mijn rechteroor werd geraakt. Ik voelde in eerste instantie geen pijn maar ik voelde wel dat ik bloedde. Uiteindelijk was ik naar de Spoed Eisende Hulp gegaan in Maastricht. Onderweg hiernaartoe voelde ik dat ik een kloppende pijn had aan mijn oor. In het ziekenhuis bleek dat mijn oor gehecht moest worden. Ik heb negen hechtingen in mijn oor gehad.

In het proces-verbaal van bevindingen van 15 september 2025, is – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende vermeld:

Op 15 september deed ik, verbalisant [naam verbalisant] , onderzoek naar de camerabeelden van Café in de Karkol gerelateerd aan de mishandeling in deze zaak. Op de camera-beelden zag ik het navolgende: Ik zag dat het slachtoffer op een barkruk aan de bar zat. Ik zag dat de verdachte naast het slachtoffer stond en zich binnen een halve meter van het slachtoffer bevond. Ik zag dat zij met elkaar in gesprek waren. Ik zag dat de verdachte in zijn rechterhand een glas bier vasthield. Ik zag dat de verdachte vanuit het niets met zijn linkerhand het slachtoffer een vuistslag in het gezicht gaf. Ik zag dat door deze klap het hoofd van het gezicht naar links deinsde. Ik zag dat de verdachte gelijk daarna met zijn rechterhand, waar hij op het moment nog steeds het glas bier mee vasthield, een vuistslag op het gezicht van het slachtoffer gaf. Ik zag dat het slachtoffer hierdoor achterover van de kruk viel. Ik zag dat het slachtoffer weer opstond. Ik zag dat een omstander het slachtoffer wees naar het oor van het slachtoffer en dat het slachtoffer vervolgens een doek van het personeel kreeg welke hij tegen zijn rechteroor aanhield.

In het proces-verbaal van bevindingen van 15 september 2025 is – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende vermeld:

Op 15 september deed ik, verbalisant [naam verbalisant] , onderzoek naar de identiteit

van de verdachte in deze zaak. Aan de hand van de aangifte bevroeg ik [verdachte] in de politiesystemen en daar kwam een persoon uit naar voren welke in Maastricht geboren was en tevens in Maastricht woonachtig is. Deze persoon betreft:

[verdachte] geboren op 17 maart 1996 te Maastricht. Ik zag dat er een SKDB foto van deze persoon voorhanden was en zag dat deze persoon overeenkwam met de verdachte op de camerabeelden.

Overwegingen ten aanzien van feit 3:

De rechtbank stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte op 27 augustus 2025 in café De Karkol is geweest. Daar sloeg hij [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) eerst met een vuist in zijn gezicht en vervolgens met een glas tegen een oor.

Door het slaan met het glas heeft [slachtoffer 1] verwondingen opgelopen aan zijn oor die gehecht moesten worden. Daar heeft hij littekens aan overgehouden. Op grond van de beschikbare medische informatie kan evenwel niet worden geconcludeerd dat er bij [slachtoffer 1] sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Aan de wettelijke criteria voor zwaar lichamelijk letsel is niet voldaan. Evenmin is sprake van zwaar lichamelijk letsel met inachtneming van de in de rechtspraak ontwikkelde gezichtspunten, waarbij het uiterlijk en de ernst van de littekens en daarmee samenhangend de mate waarin die littekens het lichaam ontsieren en eventuele daarmee samenhangende pijnklachten een rol spelen. Met name is hier van belang dat de littekens in dat oor niet dermate ontsierend zijn dat zij in juridische zin als zwaar lichamelijk letsel kunnen worden aangemerkt. De rechtbank is dan ook met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de verdachte van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Wel levert naar algemene ervaringsregels het slaan met een glas tegen het oor de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel, bijvoorbeeld in de vorm van blijvende ontsierende littekens in of rond het gezicht, oploopt. De rechtbank is voorts van oordeel dat het door de verdachte uitgeoefende geweld naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte deze aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht derhalve bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] . Dat dat gevolg niet is ingetreden, is niet te danken aan de handelingen van de verdachte.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] , door hem met een glas tegen het oor te slaan.

In de zaak met parketnummer 03/072728-24:

Bewijsmiddelen:

De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het glas van een voordeur heeft vernield, op grond van:

de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 21 juli 2026;

de aangifte van [naam 3] van 2 maart 2024.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

in de zaak met parketnummer 03/245215-25:

feit 1: op 23 augustus 2025 te Maastricht [slachtoffer 2] heeft mishandeld door [slachtoffer 2] te slaan;

feit 2: op 23 augustus 2025 te Maastricht [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door hem tegen zijn gezicht te slaan;

feit 3 subsidiair: op 27 augustus 2025 te Maastricht ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, [slachtoffer 1] met een glas tegen zijn oor heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

in de zaak met parketnummer 03/072728-24:

op 2 maart 2024 te Maastricht opzettelijk en wederrechtelijk het glas van een voordeur die aan Woonpunt Maastricht toebehoorde heeft vernield.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

<br /> 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

in de zaak met parketnummer 03/245215-25:

feit 1 en feit 2 telkens: mishandeling;

feit 3 subsidiair: poging tot zware mishandeling;

in de zaak met parketnummer 03/072728-24:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

<br /> 5De strafbaarheid van de verdachte

Psycholoog [naam 4] heeft over de geestvermogens van de verdachte een rapport uitgebracht. Uit dit rapport blijkt dat bij de verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis en een stoornis in alcoholgebruik. De psycholoog rapporteert dat daarvan sprake was ten tijde van het plegen van de feiten en dat deze stoornissen de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte op dat moment beïnvloedden. De psycholoog adviseert om het tenlastegelegde in enigszins verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

De rechtbank neemt dit advies over en is – gelet op voornoemd rapport – van oordeel dat de feiten de verdachte in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend. De rechtbank is, mede op grond van dat rapport, van oordeel dat bij de verdachte geen sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

<br /> 6De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 194 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden alsmede een taakstraf voor de duur van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft kenbaar gemaakt dat zij de strafeis van de officier van justitie redelijk vindt en zich kan vinden in een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Wel geeft de verdediging de rechtbank in overweging om de hoogte van een eventuele taakstraf te matigen, gelet op de werkuren van de verdachte en het hulpverleningstraject dat reeds loopt.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich in een tijdsbestek van enkele dagen in verschillende uitgaans-gelegenheden schuldig gemaakt aan twee mishandelingen en één poging tot zware mishandeling, door de slachtoffers tegen hun gezicht en oor te slaan. Ten aanzien van [slachtoffer 1] sloeg de verdachte zelfs met een glas. In alle gevallen hebben de slachtoffers geen enkele aanleiding gegeven om zo gewelddadig te worden bejegend. Dit soort onverhoedse, gewelddadige incidenten wordt binnen de samenleving als bijzonder schokkend ervaren en wakkert het gevoel van onveiligheid aan. Daarnaast is de psychische impact van het feit op [slachtoffer 1] groot, zo bleek uit de schriftelijke slachtofferverklaring die namens hem ter terechtzitting van 21 juli 2026 is voorgedragen. Tot slot heeft de verdachte uit woede (en onder invloed van alcohol) het glas van de voordeur van de woning van zijn toenmalige vriendin vernield.

Gelet op de ernst van de feiten, het gegeven dat de verdachte blijkens zijn strafblad eerder voor uitgaansgeweld is veroordeeld en de straffen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd, acht de rechtbank in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.

Toch zal de rechtbank de verdachte niet opnieuw naar de gevangenis sturen. Volstrekt helder is dat het gewelddadige gedrag van de verdachte voor een belangrijk deel te wijten was aan het overmatig gebruik van alcohol; de verdachte heeft nota bene naar eigen zeggen geen enkele herinnering aan de voorvallen. Aan dat alcoholgebruik heeft de verdachte gewerkt en hij heeft zich, blijkens het reclasseringsrapport van 6 juli 2026, gemotiveerd ingezet om zijn leven weer op de rit te krijgen. Inmiddels werkt hij lange dagen als chef-kok en is hij abstinent van alcohol. Het is zowel voor de verdachte zelf als voor het beperken van het recidivegevaar (en dus voor de samenleving) van belang dat de verdachte deze positieve lijn doorzet. Daarom zal de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, inclusief de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Daarnaast zal de rechtbank een forse taakstraf opleggen. De rechtbank begrijpt dat een taakstraf van 180 uren, zoals door de officier van justitie geëist, voor de verdachte, vooral gelet op de lange dagen die hij in de horeca maakt, zeer pittig is, maar gelet op de voren omschreven omstandigheden acht de rechtbank een lagere werkstraf niet aan de orde.

Alles afwegende legt de rechtbank, conform de strafeis van de officier van justitie, aan de verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 194 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met oplegging van de door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden. Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte een taakstraf op voor de duur van 180 uur. De rechtbank heeft daarbij de feiten – conform het advies van de psycholoog – enigszins verminderd aan de verdachte toegerekend.

Tenslotte heft de rechtbank het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis op.

<br /> 7De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij vordert – na vermindering van eis ter terechtzitting – schadevergoeding tot een bedrag van € 22.266,85 ter zake van feit 3 in de zaak met parketnummer 03/245215-25. Deze vordering is opgebouwd uit de volgende posten:

ziektekosten (eigen risico zorgverzekering): € 385,00;

vervoerskosten (taxirit naar het ziekenhuis na incident): € 50,00;

kleding: € 159,98;

immateriële schade: € 21.671,87.

De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

Nu niet kan worden geconcludeerd dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel, dient ten aanzien van de immateriële schade een lager schadebedrag te worden toegewezen dan gevorderd. Voor het overige kan de vordering worden toegewezen.

7.3

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de materiële schade heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging heeft de rechtbank verzocht om een lager bedrag aan immateriële schade toe te wijzen dan gevorderd.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De vordering is ten aanzien van de materiële schade door de verdediging niet weersproken. Nu de vordering de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voorkomt, acht de rechtbank de vordering toewijsbaar.

De gevorderde immateriële schade acht de rechtbank deels toewijsbaar. De rechtbank overweegt dat, gelet op het verhandelde ter terechtzitting en het dossier, voldoende vaststaat dat [slachtoffer 1] immateriële schade heeft geleden. De verdachte heeft hem immers eerst in zijn gezicht en vervolgens met een glas tegen zijn oor geslagen, waardoor hij letsel heeft opgelopen. In dit lichamelijke letsel ligt de grondslag voor immateriële schadevergoeding besloten. De schade betreffende dit letsel begroot de rechtbank naar billijkheid op € 2.000,00.

De rechtbank begrijpt dat de benadeelde partij ook de psychische gevolgen van de mishandeling en de negatieve gevoelens die zij daaraan heeft overgehouden graag op de verdachte zou willen verhalen. De wet stelt echter strenge eisen aan het verhalen (op daders) van deze negatieve gevoelens. Verhaal is alleen dan mogelijk als er sprake is van dusdanig geestelijk letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon. Hiervan is slechts sprake indien het geestelijk letsel een voldoende ernstig karakter heeft. Gevoelens van angst, schrik, onzekerheid en nervositeit vallen niet onder het bereik van het wetsartikel. Het bestaan van ernstigere psychische schade is op basis van de door de benadeelde partij aangevoerde gegevens onvoldoende gebleken, zodat de rechtbank hiermee bij de bepaling van de omvang van de schade geen rekening zal houden.

Kortom: de rechtbank wijst de vordering betreffende de immateriële schade toe tot een bedrag van € 2.000 en wijst haar voor het overige af.

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij derhalve toe tot een totaalbedrag van € 2.594,98, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2025 tot aan de dag van volledige voldoening. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedings-maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

<br /> 8De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 63, 300, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

<br /> 9De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

– spreekt de verdachte vrij van het onder parketnummer 03/245215-25 onder 3 primair tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte voor het onder parketnummer 03/245215-25 onder 1, 2 en 3 subsidiair en het onder parketnummer 03/072728-24 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf van 240 dagen, waarvan 194 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met SVG Reclassering Limburg (Mondriaan), zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;

dat de veroordeelde zich, indien de reclassering dat noodzakelijk vindt, gedurende de proeftijd laat behandelen door een behandelaar, gespecialiseerd in ASS of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;

dat de veroordeelde gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltesten. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

– geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

– voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

veroordeelt de verdachte voor onder parketnummer 03/245215-25 onder 1, 2 en 3 subsidiair en het onder parketnummer 03/072728-24 tenlastegelegde tot een taakstraf voor de duur van 180 uren;

beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

wijst ten aanzien van parketnummer 03/245215-25 feit 3 subsidiair de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 2.594,98, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bestaande uit € 594,98 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

wijst de vordering voor het overige af;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] van een bedrag van € 2.594,98, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;

Voorlopige hechtenis:

– heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.J. Quaedvlieg, voorzitter, mr. S.L.M. van Venrooij en mr. K. Bruns, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 4 augustus 2026.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

parketnummer 03/245215-25

feit 1:

hij op of omstreeks 23 augustus 2025 te Maastricht [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel te weten een trommelvliesperforatie en /of blijvende gehoorschade ten gevolge had;

feit 2:

hij op of omstreeks 23 augustus 2025 te Maastricht [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door hem tegen zijn gezicht en/of hoofd, althans zijn lichaam te slaan;

feit 3 primair:

hij op of omstreeks 27 augustus 2025 te Maastricht aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten snij- en of steekverwondingen in zijn oor heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] met een glas tegen zijn oor en/of gezicht, althans het hoofd, te slaan;

feit 3 subsidiair:

hij op of omstreeks 27 augustus 2025 te Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 1] met een glas tegen zijn oor en/of gezicht, althans het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3 meer subsidiair:

hij op of omstreeks 27 augustus 2025 te Maastricht [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] met een glas tegen zijn oor en/of gezicht, althans het hoofd te slaan,terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel te weten snij- en of steekverwondingen in zijn oor ten gevolge had.

parketnummer 03-072728-24

hij op of omstreeks 2 maart 2024 te Maastricht opzettelijk en wederrechtelijk het glas van een voordeur en/of een deur, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 3] en/of Woonpunt Maastricht, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield.

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders vermeld – gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg proces-verbaalnummer PL2300-2025157607 gesloten op 22 september 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 57.

Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] van 4 september 2025, p. 6 – 9.

Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] van 20 september 2025, p. 14 – 16.

Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] van 8 september 2025, p. 17 – 20.

Proces-verbaal van verhoor verdachte van 15 september 2025, p. 48 – 53.

Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] van 13 september 2025, p. 21 – 23.

Proces-verbaal van bevindingen van 15 september 2025, p. 31 – 32.

Proces-verbaal van bevindingen van 15 september 2025, p. 33.

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders vermeld – gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg proces-verbaalnummer PL2300-2024034682 gesloten op 2 maart 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 38.

Proces-verbaal van aangifte van 2 maart 2024, p. 19 – 21.

Artikel delen