Eiseres heeft het college van B&W gevraagd om het gebruiksdoel in de zin van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen voor het verblijfsobject te wijzigen van "overige gebruiksfunctie" naar "woonfunctie". Het college heeft dit verzoek terecht afgewezen omdat er geen brondocumenten zijn die dit rechtvaardigen.
ECLI:NL:RBMNE:2026:4284
text/xml
public
2026-08-05T11:52:30
2026-07-14
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Midden-Nederland
2026-07-15
UTR 26/1747 en UTR 26/1758
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
NL
Utrecht
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4284
text/html
public
2026-08-05T11:52:04
2026-08-05
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBMNE:2026:4284 Rechtbank Midden-Nederland , 15-07-2026 / UTR 26/1747 en UTR 26/1758
Eiseres heeft het college van B&W gevraagd om het gebruiksdoel in de zin van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen voor het verblijfsobject te wijzigen van “overige gebruiksfunctie” naar “woonfunctie”. Het college heeft dit verzoek terecht afgewezen omdat er geen brondocumenten zijn die dit rechtvaardigen.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 26/1747 en UTR 26/1758
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juli 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug
(gemachtigden: mr. D. Bosch en drs. J. van der Heijden).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres om het gebruiksdoel in de zin van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen (Wet Bag) voor het verblijfsobject op het adres [adres] in [plaats] te wijzigen van “overige gebruiksfunctie” naar “woonfunctie”. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar verzoek. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van het verzoek.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Maar omdat het college het verzoek van eiseres wel terecht heeft afgewezen, doet de rechtbank nu wat het college had moeten doen en verklaart zij het bezwaar ongegrond. Eiseres krijgt dus inhoudelijk geen gelijk. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Eiseres heeft op 28 januari 2026 een verzoek ingediend om het gebruiksdoel in de zin van de Wet Bag voor het verblijfsobject op het adres [adres] in [plaats] te wijzigen van “overige gebruiksfunctie” naar “woonfunctie”.
Bij e-mailbericht van 9 februari 2026 heeft de junior projectleider particuliere ruimtelijke plannen eiseres bericht dat geen besluit wordt genomen op haar verzoek.
Op 11 februari 2026 heeft eiseres het college in gebreke gesteld en verzocht om een besluit.
Eiseres heeft vervolgens op 2 maart 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
Bij besluit van 18 maart 2026 heeft het college de ingebrekestelling van 11 februari 2026 opgevat als een bezwaar gericht tegen het bericht van 9 februari 2026. Het college heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bericht van 9 februari 2026 volgens het college geen besluit betreft in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb richt het beroep van eiseres zich mede tegen dit besluit.
Het college heeft op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van het college.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen.
Het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk, omdat het college op 18 maart 2026 alsnog heeft beslist. Het college heeft dit ook tijdig gedaan.
Eiseres heeft op 28 januari 2026 een verzoek ingediend als bedoeld in artikel 38 van de Wet Bag. Op grond van artikel 39, eerste lid, van de Wet Bag besluiten burgemeester en wethouders op een dergelijk verzoek. Op grond van artikel 41 van de Wet Bag is deze beslissing van burgemeester en wethouders een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij het besluit van 18 maart 2026 heeft het college de ingebrekestelling van 11 februari 2026 – en naar het oordeel van de rechtbank: terecht – gekwalificeerd als een bezwaarschrift en daarop beslist.
Op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb beslist een bestuursorgaan op een bezwaarschrift binnen zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Omdat het bezwaarschrift is ingediend op 11 februari 2026 had het college uiterlijk op 25 maart 2026 moeten beslissen. Het door eiseres op 2 maart 2026 ingediende beroep tegen het niet tijdig beslissen is dus ingediend voor het einde van de beslistermijn. Ook om deze reden is het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk.
Het beroep tegen het besluit van 18 maart 2026
De bevoegdheid om het besluit te nemen
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het besluit op bezwaar is genomen door de Teamleider Informatie en Gegevens. Uit het bij Algemeen mandaat-, machtiging- en volmachtbesluit 2025 behorende register volgt dat de Teamleider bevoegd is om namens het college een bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Hoewel uit het besluit op bezwaar niet blijkt dat dit is genomen namens het college, houdt de rechtbank het ervoor dat dat wel het geval is en dat het besluit dus bevoegd is genomen.
De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar
5. Het college heeft het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bericht van 9 februari 2026 volgens het college geen besluit is waartegen bezwaar en beroep open staat. Eiseres stelt dat dit niet juist is en de rechtbank is dit met haar eens. Uit artikel 41, eerste lid, van de Wet Bag volgt dat de beslissing van het college over wijziging respectievelijk opneming van een gegeven naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in artikel 38 een besluit is. Het bericht van 9 februari 2026 is dan ook een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb en het college heeft het daartegen gerichte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt.
6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 41, eerste lid, van de Wet Bag. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en verklaart het bezwaar ongegrond. Hoe hij tot dit oordeel is gekomen, legt de voorzieningenrechter hierna uit.
De weigering van het college om de gevraagde wijziging door te voeren
7. In artikel 10 van de Wet Bag staat dat het bijhouden van de basisregistratie plaatsvindt op basis van brondocumenten. In artikel 7 van het Besluit basisregistratie adressen en gebouwen (Besluit Bag) staat welke documenten als brondocument worden aangewezen. Het college heeft gesteld dat er geen brondocumenten beschikbaar zijn waaruit blijkt dat de woonfunctie is toegestaan. Eiseres heeft verwezen naar het Huisnummerbesluit van 14 november 2019, waarin een huisnummer is toegekend aan het pand. Uit dit besluit blijkt echter niet dat sprake is van een woning, sterker nog: in het besluit staat uitdrukkelijk dat het huisnummer wordt toegekend aan een schuur/paardenstal aan de Veensteeg. Bij gebruiksdoel staat “Overige”. Hieruit volgt dan ook niet dat sprake zou zijn van een woonfunctie.
8. Eiseres heeft verder verwezen naar de WOZ-aanslagen voor dit adres. Volgens eiseres blijkt hieruit dat zij wordt aangeslagen voor een woning. Maar dit is onjuist. Op de door haar overgelegde taxatieverslagen staat weliswaar een aantal maal het woord “woning”, maar er staat ook dat het gaat om een paardenstal/nachtverblijf en “grond bij niet-woning”. Verder is tijdens de zitting gebleken dat uit de berekening van de bedragen waarvoor eiseres is aangeslagen, volgt dat het tarief voor een niet-woning is gehanteerd. Eiseres is dus uitgegaan van de onjuiste aanname dat zij voor een woning werd aangeslagen. Ook hier kan dus niet uit worden afgeleid dat sprake is van een woonfunctie. Het had overigens niet uitgemaakt als in de WOZ-aanslagen wel was uitgegaan van een woning. WOZ-aanslagen zijn volgens het Besluit Bag namelijk geen brondocumenten in de zin van de Wet bag.
9. Tot slot heeft eiseres zich erop beroepen dat het object al langere tijd als woning in gebruik is. Ook dit helpt haar echter niet. Voor de registratie in de Bag is namelijk niet relevant hoe het pand in de praktijk gebruikt wordt. De door eiseres ingebrachte getuigenverklaringen waarin de getuigen verklaren dat zij hebben waargenomen dat het pand al voor 2019 werd bewoond en dat dit gebruik sinds die tijd onafgebroken is voortgezet, kunnen daarom ook geen ander licht op de zaak werpen.
10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college de huidige functie “overige gebruiksfunctie” niet hoefde te wijzigen in “woonfunctie”.
11. Het beroep is gegrond, omdat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en verklaart het bezwaar van eiseres alsnog ongegrond.
11. Omdat het beroep gegrond is en de voorzieningenrechter zelf een beslissing neemt, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
11. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
De voorzieningenrechter:
– verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
– verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 18 maart 2026 gegrond;
– vernietigt het besluit van 18 maart 2026;
– verklaart het bezwaar ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
– wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
– bepaalt dat het college het griffierecht van twee maal € 200,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zie regel 81.