Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBMNE:2026:4863

BNT, sv, aanvraag herbeoordeling, gegrond

Rechtbank Midden-Nederland 28 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2026:4863
text/xml
public
2026-07-28T11:59:19
2026-07-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Midden-Nederland
2026-05-22
UTR 26/2508
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Utrecht
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4863
text/html
public
2026-07-28T11:58:56
2026-07-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBMNE:2026:4863 Rechtbank Midden-Nederland , 22-05-2026 / UTR 26/2508

BNT, sv, aanvraag herbeoordeling, gegrond

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/2508

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen
NS Groep N.V., gevestigd te Utrecht, eiseres

(gemachtigde: C. de Lange),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling van de heer [naam] zijn arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).



1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de

betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Eiseres heeft haar aanvraag om herbeoordeling ingediend op 6 februari 2025.

Verweerder heeft de aanvraag ontvangen op 10 februari 2025. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het verzoek om herbeoordeling van eiseres. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 16 april 2026. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 29 augustus 2025 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiseres heeft op 17 februari 2026 beroep ingesteld.

4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat

verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.

5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan

verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om een beslistermijn vast te stellen die aansluit bij de termijn zoals gehanteerd in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dat de rechtbank Rotterdam in een andere zaak een langere termijn heeft gehanteerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.

6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke

dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.



7. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van vier maanden na

verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op de aanvraag van eiseres.

8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten

die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.

9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 397,- aan

eiseres betalen.

De rechtbank:

– verklaart het beroep gegrond;

– vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

– draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;

– bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;

– bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;

– veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van E.H.M. Jansen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

ECLI:NL:RBROT:2025:9226.

ECLI:NL:RBMNE:2025:41.

Artikel delen