BNT, Ziektewet, EZWb, gegrond
ECLI:NL:RBMNE:2026:4877
text/xml
public
2026-08-04T11:51:04
2026-07-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Midden-Nederland
2026-06-03
UTR 26/2829
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Utrecht
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4877
text/html
public
2026-08-04T11:50:46
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBMNE:2026:4877 Rechtbank Midden-Nederland , 03-06-2026 / UTR 26/2829
BNT, Ziektewet, EZWb, gegrond
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2829
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen
Faber Personeelsdiensten B.V., gevestigd te Hooglanderveen, eiseres
(gemachtigde: mr. M. Bockting),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet tijdig een besluit op de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (hierna: EZWb) van haar (ex-)werkneemster [naam] heeft genomen.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Een EZWb is een ambtshalve beslissing van verweerder. Uit de wet en
jurisprudentie volgt dat er door een belanghebbende beroep kan worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een ambtshalve te nemen beslissing.Een EZWb-besluit moet uiterlijk in week 52 van de ziekte van de (ex-)werkneemster worden genomen. De werkneemster van eiseres is op 8 oktober 2024 ziek uitgevallen. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 8 oktober 2025 een EZWb-besluit had moeten nemen.
4. Eiseres heeft verweerder per brief van 23 december 2025 in gebreke gesteld. Deze ingebrekestelling heeft verweerder per besluit van 30 december 2025 afgewezen. Bij de afwijzing stelt verweerder zich op het standpunt dat een EZWb een ambtshalve beslissing is en geen beslissing op aanvraag. Volgens verweerder is een ingebrekestelling in dit geval dan ook niet mogelijk.
5. Op 14 april 2026 heeft eiseres beroep ingesteld in verband met het uitblijven van een besluit van verweerder. Omdat verweerder niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling een besluit heeft genomen, en dat nog altijd niet heeft gedaan, verklaart de rechtbank het beroep gegrond. Dat er geen aanvraag ten grondslag ligt aan de ingebrekestelling doet hier niets aan af. Een ingebrekestelling kan worden ingediend in aanloop naar een beroep tegen het niet tijdig beslissen als bedoeld in artikel 6:12 van de Awb. Dat artikel spreekt immers niet over een besluit op aanvraag en geldt dus ook in geval van een ambtshalve te nemen besluit. De ingebrekestelling is daarom terecht ingediend en verweerder dient nog steeds binnen de wettelijke termijn een EZWb-besluit te nemen.
6. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat
verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
7. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen grote achterstanden heeft bij de afhandeling van aanvragen en bezwaarschriften. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat het hier gaat om een EZWb in plaats van een WIA-(her)beoordeling, geen aanleiding om af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.
9. In het beroepschrift vraagt eiseres om een vergoeding van de geleden schade en de nog te lijden schade. Eiseres heeft niet vermeld welke schade zij vergoed wil hebben en heeft de schade ook niet nader onderbouwd. De rechtbank zal het verzoek om de geleden schade te vergoeden daarom afwijzen.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten
die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
12. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 397,- aan
eiseres betalen.
De rechtbank:
– verklaart het beroep gegrond;
– vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
– draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
– bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
– bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
– veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres;
– wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van E.H.M. Jansen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 juni 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE6843.
Dit volgt uit artikel 19aa, eerste lid, van de Ziektewet.
ECLI:NL:RBMNE:2025:41.