BNT UHT geen griffierecht
ECLI:NL:RBMNE:2026:5948
text/xml
public
2026-08-28T08:44:36
2026-08-27
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Midden-Nederland
2026-05-18
UTR 26/2320
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Utrecht
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:5948
text/html
public
2026-08-28T08:44:02
2026-08-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBMNE:2026:5948 Rechtbank Midden-Nederland , 18-05-2026 / UTR 26/2320
BNT UHT geen griffierecht
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2320
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en
Dienst Toeslagen, verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar tegen het besluit van verweerder van 22 maart 2023.
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Eiseres heeft namelijk het griffierecht niet betaald, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Iemand die in beroep gaat moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het griffierecht € 54,-
3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald, is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk behandelt. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar eiseres niets aan kan doen.
4. De rechtbank heeft eiseres op 25 maart 2026 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat eiseres het griffierecht binnen twee weken moet betalen aan de rechtbank. Ook staat in deze brief dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren als eiseres het griffierecht niet of niet op tijd betaald. Deze brief is volgens de track and trace op 27 maart 2026 bezorgd, waarbij voor ontvangst is getekend.
5. De rechtbank heeft het bedrag niet ontvangen. Eiseres heeft daar geen reden voor gegeven.
6. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 Awb). Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk zal behandelen.
7. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: