Vordering over verdeling kosten van verbouwing van een huis. Partijen zijn overeengekomen dat de kosten 50/50 verdeeld zullen worden. Gedaagde heeft onvoldoende onderbouwd dat partijen nog aanvullende voorwaarden zijn overeengekomen. De door eiser voorgeschoten kosten worden toegewezen. De overige posten worden afgewezen.
ECLI:NL:RBNHO:2026:5779
text/xml
public
2026-06-04T09:04:06
2026-05-22
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Noord-Holland
2026-05-20
12019481 CV EXPL 25-8539
Uitspraak
Bodemzaak
NL
Haarlem
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5779
text/html
public
2026-06-04T09:03:06
2026-06-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBNHO:2026:5779 Rechtbank Noord-Holland , 20-05-2026 / 12019481 CV EXPL 25-8539
Vordering over verdeling kosten van verbouwing van een huis. Partijen zijn overeengekomen dat de kosten 50/50 verdeeld zullen worden. Gedaagde heeft onvoldoende onderbouwd dat partijen nog aanvullende voorwaarden zijn overeengekomen. De door eiser voorgeschoten kosten worden toegewezen. De overige posten worden afgewezen.
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12019481 CV EXPL 25-8539
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. M.G. Lodewijk,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding- de mondelinge conclusie van antwoord en het schriftelijk ingediende verweer- het tussenvonnis van 28 januari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald
– het bericht van 10 april 2026 met productie(s) van [eiser]
– de pleitaantekeningen van [eiser]
– de pleitaantekeningen van [gedaagde]- de mondelinge behandeling van 23 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben op 28 december 2023 gezamenlijk een pand gekocht aan het adres [adres] te [plaats 3], Spanje (verder: de woning) met als doel de woning samen te renoveren.
2.2.
[eiser] en [gedaagde] zijn ieder voor 50% eigenaar van de woning.
2.3.
Het door partijen in overleg uitgekozen aannemingsbedrijf [bedrijf 1] (verder: [bedrijf 1]) heeft diverse offertes uitgebracht, waaronder drie door [eiser] overgelegde offertes.
2.4.
[bedrijf 1] is eind juni 2024 gestart met de werkzaamheden. Naast de in de offertes genoemde werkzaamheden, heeft [bedrijf 1] ook andere werkzaamheden uitgevoerd, waaronder het verwijderen van de septic tank, werkzaamheden aan het elektra en het leveren van een marmeren keukenwerkblad.
2.5.
Op 31 juli 2024 heeft [gedaagde] een document opgesteld waarin staat:
“Hierbij verklaren [eiser] en [gedaagde] dat (…) zij beiden de kosten voor de helft (50%) dragen om het huis verkoopklaar te maken.
(…)
Zowel de kosten als de baten worden 50/50 gedeeld. Per betaling vindt deze verdeling plaats, ongeacht op wiens naam de factuur staat. Op de facturen en offertes behoren beide namen vermeld te staan.
(…)
Tevens spreken ondergetekende af dat:
-eventuele afspraken met aannemers, werklui en huurders worden door beiden schriftelijk bevestigd en beiden dragen zorg voor een app, waarbij alle belangrijke zaken direct gecommuniceerd worden. Communicatie vindt volledig open plaats, de offerte, de afspraak met aannemer, het akkoord gaan vindt gezamenlijk en in alle openheid plaats. Idem met eventuele cashbetalingen. Beiden zijn volledig op de hoogte van de afspraak, betalingen en beiden weten exact wat we van de aannemer kunnen verwachten. Dit blijkt uit de offerte en het getekende akkoord op de offerte”
Dit document is door beide partijen ondertekend.
2.6.
[eiser] en [gedaagde] zijn zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk bij de woning geweest en/of hebben overleg met [bedrijf 1] gehad om werkzaamheden te bespreken of deze te coördineren.
2.7.
[eiser] en [gedaagde] hebben ieder afzonderlijk en in delen € 23.750,00 betaald aan [bedrijf 1] voor het uitvoeren van diverse werkzaamheden. Dit bedrag van € 47.500,00 betreft in totaal 66% van de totaalsom van de offertes en extra werkzaamheden.
2.8.
Medio 2024 hebben partijen een gezamenlijk bezoek gebracht aan groothandel [bedrijf 2] om badkamermeubilair uit te zoeken en zijn foto’s gemaakt. [eiser] heeft in augustus en september 2024 vervolgens badkamermeubilair aangeschaft ter waarde van € 2.628,86.
2.9.
[bedrijf 1] heeft bij [eiser] en [gedaagde] ieder apart een restpost van € 11.796,00 (€ 9.749,09 exclusief btw) in rekening gebracht. [eiser] heeft een bedrag van € 9.749,09 in oktober 2024 voldaan. [gedaagde] wenste eerst de corresponderende offertes en/of specificatie te zien voordat hij tot betaling overging. [eiser] heeft aan [gedaagde] toegelicht dat door alle deelbetalingen, voor het bedrag € 11.796,00 (€ 9.749,09 ex btw) geen corresponderende offerte bestaat en dat het om een restpost gaat. [gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.
2.10.
[eiser] heeft op 10 december 2024 het bij [gedaagde] in rekening gebrachte bedrag van € 11.796,29 voldaan aan [bedrijf 1], omdat [bedrijf 1] dreigde met beslaglegging op de woning.
2.11.
[gedaagde] heeft contact gehad met [bedrijf 1] voor het leveren van een marmeren keukenblad. [gedaagde] en [bedrijf 1] hebben ook gesproken over het vervangen van de septic tank en het daarmee noodzakelijke openbreken van het terras. Ook is gesproken over werkzaamheden worden verricht met betrekking tot een lekkage in de kelder en badkamerdeur.
2.12.
Op 3 februari 2025 heeft [gedaagde] [bedrijf 1] schriftelijk te kennen gegeven alle bouwactiviteiten direct te staken. [bedrijf 1] mocht van [gedaagde] geen werkzaamheden meer verrichten in en om de woning.
2.13.
In maart 2025 heeft [gedaagde] contact gehad met [bedrijf 1] over de prijs voor het marmeren keukenblad. Op 22 april 2025 vraagt [gedaagde] [bedrijf 1] of te garanderen is dat in de zomer het keukenblad geleverd is en stroom geregeld kan zijn. Het keukenblad is in mei 2025 afgeleverd, de septic tank werd uit het terras verwijderd.
2.14.
[bedrijf 1] heeft een bedrag van € 5.109,10 bij [eiser] en [gedaagde] in rekening gebracht voor het keukenblad, werkzaamheden aan de septic tank en werkzaamheden met betrekking tot lekkage in de kelder en badkamerdeur. Dit bedrag is door zowel [eiser], als [gedaagde] onbetaald gelaten.
2.15.
[bedrijf 1] heeft aangegeven dat de werkzaamheden met betrekking tot de kelder en badkamerdeur pas zullen worden uitgevoerd na betaling door [eiser] en [gedaagde].
3.1.
[eiser] vordert – samengevat en na vermindering eis op de mondelinge behandeling – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 19.580,91 te vermeerderen met rente en (incasso)kosten. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
-Voorgeschoten bedrag aan restpost
aan [bedrijf 1] € 11.796,29, min 50% van de btw: € 10.772,64
-Factuur inzake keukenblad, septic tank
en andere uitgevoerde werkzaamheden: € 5.109,10
-Restant van 50% van € 4.769,48 van het
kostenoverzicht van [bedrijf 1]: € 2.384,74
-Betalingen van badkamermeubilair: € 1.314,43
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat partijen hebben afgesproken dat de kosten voor de verbouwing gelijk 50/50 verdeeld zouden worden. [gedaagde] is op grond hiervan de door [eiser] voorgeschoten bedragen verschuldigd. [eiser] vordert tevens betaling van de door [gedaagde] onbetaald gelaten facturen van [bedrijf 1].
3.3.
[gedaagde] voert verweer en voert – samengevat – het volgende aan. De afspraak om de kosten 50/50 te verdelen is gemaakt onder de voorwaarde dat de werkzaamheden zijn gebaseerd op deugdelijke offertes of facturen die door beide partijen zijn ondertekend en/of akkoord zijn bevonden. Nu hiervan geen sprake is, is hij niet gehouden tot betaling. Hij heeft door het ontbreken hiervan zelfs een bouwstop ingeroepen. [gedaagde] voert verder aan dat [eiser] de enige opdrachtgever is geweest voor [bedrijf 1] en [eiser] zonder overleg met hem opdracht heeft gegeven voor allerlei werkzaamheden. Ook daarom hoeft [gedaagde] niet tot betaling over te gaan.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Wat hebben partijen afgesproken over verdeling van de kosten?
4.1.
[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd de tussen partijen tot stand gekomen afspraak dat alle kosten 50/50 verdeeld zouden worden. [gedaagde] voert aan dat het logisch is dat de kosten gelijk verdeeld worden maar omdat het vertrouwen in [eiser] weg was, aanvullende voorwaarden zijn overeengekomen, zoals het beiden akkoord zijn met de opdracht en gelijk en transparant gefactureerd wordt.
4.2.
[gedaagde] heeft zijn standpunt dat sprake is van aanvullende voorwaarden onvoldoende onderbouwd. Zowel [eiser] als [gedaagde] hebben in 2024 ieder € 23.500,00 aan [bedrijf 1] overgemaakt zonder gezamenlijk ondertekende offertes of specificaties. Het argument van [gedaagde] dat hij tot betaling overging omdat hij geen discussie wilde, kan na een dergelijke lange periode en na zoveel uitgevoerde werkzaamheden, niet (meer) slagen. Verder heeft [gedaagde] zelf zonder gezamenlijk ondertekende offertes opdracht gegeven om een keukenblad te leveren en heeft hij zelf ook aangevoerd dat hij diverse betalingen heeft verricht aan [bedrijf 1], zoals voor de elektra en een hemelbed. Hoe dit zich verhoudt tot zijn standpunt dat sprake moet zijn van gezamenlijke ondertekende offertes of akkoorden, heeft [gedaagde] onvoldoende verklaard en onderbouwd.
4.3.
Naast voornoemde gedragingen van partijen wordt in de overeenkomst van 31 juli 2024 tweemaal expliciet vermeld dat de kosten 50/50 zullen worden verdeeld. [gedaagde] heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat die overeenkomst later en enkel en alleen ten behoeve van de verkoop van de woning is opgesteld. Partijen hadden echter van meet af aan de bedoeling om de woning te verbouwen en te verkopen en vastgesteld kan worden dat de overeenkomst ook vlak na aanvang van de werkzaamheden is opgesteld. Waarom de daarin gemaakte afspraken zouden afwijken van wat partijen in eerste instantie hadden afgesproken, is onvoldoende toegelicht door [gedaagde].
In de overeenkomst staat weliswaar ook dat afspraken en offertes door beiden ondertekend dan wel schriftelijk bevestigd moeten worden maar zoals hiervoor is overwogen, blijkt niet uit het gedrag van beide partijen dat dit als voorwaarde zou gelden.
4.4.
Bij gebrek aan voldoende onderbouwing van [gedaagde] dat nadere voorwaarden zijn afgesproken, is de conclusie dat partijen hebben afgesproken dat partijen voor 50/50 bijdragen aan de gemaakte kosten voor de verbouwing aan het huis, zonder nadere voorwaarden.
4.5.
Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat hij geen betalingsverplichting heeft omdat hij niet als opdrachtgever geregistreerd staat bij [bedrijf 1] wordt dit verweer gepasseerd. De betalingsverplichting van [gedaagde] vloeit immers voort uit de tussen partijen gemaakte afspraken dat de kosten 50/50 worden gedeeld en niet uit wie opdrachtgever was voor [bedrijf 1]. Overigens is niet vast komen te staan dat alleen [eiser] opdrachtgever is geweest. [eiser] heeft onbetwist gesteld en toegelicht dat het niet mogelijk was om twee opdrachtgevers in te voeren in het systeem van [bedrijf 1]. Daarnaast geldt dat partijen gezamenlijk overleg hebben gehad met [bedrijf 1] en dat is gebleken dat [gedaagde] zelf ook opdracht heeft gegeven tot diverse werkzaamheden, zodat zij gezamenlijk althans niet alleen [eiser] als opdrachtgever gekwalificeerd kunnen worden.
4.6.
Voor zover [gedaagde] heeft gesteld (maar niet onderbouwd) dat werkzaamheden niet of niet deugdelijk zijn uitgevoerd, dient hij dit met [bedrijf 1] te bespreken. Voor de onderlinge kostenverdeling met [eiser] is dit niet van belang.
4.7.
Het voorgaande maakt dat uitgangspunt is dat de kosten van de verbouwing 50/50 verdeeld moet worden tussen [eiser] en [gedaagde].
Welk bedrag is [gedaagde] verschuldigd?
4.8.
[eiser] heeft bij dagvaarding vier specifieke posten gevorderd. In de stukken worden diverse andere posten opgevoerd (zoals verzekeringskosten) maar omdat deze niet gevorderd zijn, zal hieraan voorbij worden gegaan. In het hiernavolgende zullen de in de dagvaarding vermelde posten besproken worden.
€ 10.772,64 aan voorgeschoten bedrag
4.9.
Dit bedrag zal worden toegewezen. [eiser] heeft voldoende concreet gesteld en met stukken onderbouwd dat hij, naast zijn eigen deel, ook dit bedrag namens [gedaagde] aan [bedrijf 1] heeft overgemaakt. Op grond van de 50/50 afspraak is [gedaagde] gehouden dit bedrag te voldoen. Voor zover [gedaagde] heeft aangevoerd dat diverse werkzaamheden niet zijn verricht, dient [gedaagde] zich te wenden tot [bedrijf 1].
€ 5.109,10 inzake werkzaamheden septic tank en keukenblad
4.10.
Dit bedrag zal worden afgewezen. [eiser] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat hij niet alleen zijn deel nog onbetaald heeft gelaten maar ook dat hij het deel van [gedaagde] (nog) niet heeft voorgeschoten. Terugvorderen op grond van 50/50 afspraak is daarom niet aan de orde.
€ 2.384,74 als 50% van € 4.769,48
4.11.
Dit bedrag zal worden afgewezen. [eiser] heeft onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd waarom [gedaagde] dit bedrag verschuldigd is. Zo heeft [eiser] niet gesteld dat hij dit bedrag voor [gedaagde] heeft voorgeschoten en de betaalbewijzen bij dagvaarding tonen alleen aan dat [eiser] € 1.692,37 aan [bedrijf 1] heeft overgemaakt, welke betaling zijn eigen deel lijkt in te houden. Terugvorderen op grond van de 50/50 afspraak kan daarom ook hier niet aan de orde zijn. Daarnaast is [eiser] niet consequent over het gevorderde bedrag of de berekening ervan. Bij dagvaarding wordt een bedrag van € 2.384,74 gevorderd als 50% van een aan [bedrijf 1] verschuldigde restpost € 4.769,48, maar in de nagekomen stukken wordt melding gemaakt van een verschuldigd bedrag van € 1.692,37, zijnde 34% van de restpost waarna bij de betaalbewijzen wel € 1.692,37 wordt genoemd maar dan als 50% van de restpost. Omdat [eiser] niet heeft voldaan aan de stelplicht wordt niet toegekomen aan bewijslevering hieromtrent.
€ 1.314,43 aan kosten van badkamermeubilair
4.12.
Dit bedrag zal worden toegewezen. Uit de stukken volgt dat partijen overleg hebben gehad over het aanschaffen van de meubels en de bedragen van de afschriften corresponderen met de nota’s van de badkamermeubels. Daartegenover heeft [gedaagde] slechts gesteld dat de creditcardafschriften vals zouden zijn, zonder concreet te maken waarom of waarop hij zijn beschuldiging baseert. Dat is gezien de onderbouwing van [eiser] van deze post onvoldoende. De helft van de aanschafkosten komt daarom voor rekening van [gedaagde].
Conclusie:
4.13.
De gevorderde bedragen van € 10.772,64 en € 1.314,43 (derhalve in totaal € 12.087,07) aan hoofdsom zullen worden toegewezen. De overige gevorderde bedragen aan hoofdsom zullen worden afgewezen.
4.14.
[eiser] vordert wettelijke rente vanaf de dag van verzuim. Omdat [eiser] niet heeft toegelicht wanneer naar zijn inzicht dit verzuim is ingetreden en een andere hoofdsom zal worden toegewezen, zal de gevorderde wettelijke rente van € 1.381,28 worden afgewezen. De vanaf 22 oktober 2025 gevorderde wettelijke rente zal wel worden toegewezen.
4.15.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Omdat [eiser] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw en zal een bedrag van € 1.081,83 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal eveneens worden toegewezen.
4.16.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 12.087,07, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 22 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling,5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.081,83 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 22 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.