Bpm; ongegrond; artikel 10(8) Wet bpm; taxatiemethode; waardevermindering niet aannemelijk gemaakt; VIS-ORT.
ECLI:NL:RBNHO:2026:5908
text/xml
public
2026-07-27T14:56:51
2026-05-26
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Noord-Holland
2026-05-20
HAA 24/7661
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Haarlem
Bestuursrecht; Belastingrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5908
text/html
public
2026-07-27T14:54:11
2026-07-27
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBNHO:2026:5908 Rechtbank Noord-Holland , 20-05-2026 / HAA 24/7661
Bpm; ongegrond; artikel 10(8) Wet bpm; taxatiemethode; waardevermindering niet aannemelijk gemaakt; VIS-ORT.
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/7661
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: R. Lammers ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Verweerder heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd (hierna: de naheffingsaanslag).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026 te Haarlem.
Namens belanghebbende is zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] , mr. [naam 2] en [naam 3] .
Feiten
1. Op 14 augustus 2023 heeft belanghebbende een aangifte bpm ingediend met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte [merknaam] (hierna: de auto). De auto is afkomstig uit [land] .
2. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld:
Datum eerste toelating
10-03-2017
CO2-uitstoot
219 g/km
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 87.727
Bruto bpm
€ 37.690
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 143.839
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 7.683
Verschuldigde bpm
€ 2.013
3. Bij de aangifte is een taxatierapport, met als opschrift ‘Taxatierapport’, gevoegd van het bedrijf [bedrijf] B.V. Dat taxatierapport, met datum 9 augustus 2023, is ondertekend door [naam 4] . In het rapport is vermeld dat de fysieke opname van de auto heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2023 tussen 12:40 uur en 13:00 uur.
4. In het taxatierapport is vermeld dat de algehele staat van onderhoud van de auto ‘redelijk’ is, gelijk de indruk van de wielophanging, de stuurinrichting, de reminrichting, de (automatische) versnellingsbak en aandrijving en de elektrische installatie. De staat van de wielen en banden, de motor, de carrosserie en het lakwerk en het interieur en de bekleding is beoordeeld als ‘in beschadigde staat’. De vermelde herstelkosten bedragen (afgerond) € 19.818. Verder is een post ‘Correctie i.v.m. geen oordeel km stand’ opgenomen van € 3.500. Deze twee bedragen tezamen zijn in mindering gebracht op een aan een koerslijst van XRay ontleende handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 31.001, zodanig dat een waarde van de auto van € 7.683 resteert. In het taxatierapport is een afgelezen kilometerstand van 145.212 vermeld.
5. Verder is bij de aangifte gevoegd een factuur van 1 augustus 2023 betreffende de (ver)koop van de auto voor een bedrag van € 25.630,25 (exclusief opgeld). Op de factuur is een kilometerstand van 144.732 vermeld. Op de factuur is vermeld dat de auto een ‘defekte Zylinderkopfdichtung’ heeft.
6. Op 11 augustus 2023 is de auto gekeurd en ingeschreven door de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: RDW).
7. Op 16 augustus 2023 is de auto geschouwd door Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). In het verslag van die schouw heeft DRZ de volgende gegevens vermeld die afwijken van de gegevens in de aangifte:
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 88.784
Historische nieuwprijs
€ 145.119
Handelsinkoopwaarde zonder schade
€ 32.091 (koerslijst Xray)
Vastgestelde waardevermindering door schade
€ 738 (31% van € 2.380)
Handelsinkoopwaarde
€ 31.353
Verder is in het verslag bij ‘Bevindingen/opmerkingen’ ten aanzien van ‘defect aan motor’ vermeld:
‘Voertuig is rijdend binnengekomen’
En:
‘Geen storingslampjes branden. Tevens zou dit een essentieel gebrek zijn ivm afwijking van de co-uitstoot.’
8. Bij brief van 20 september 2023 heeft verweerder aan belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens is hem een naheffingsaanslag op te leggen uitgaande van de gegevens in het verslag van DRZ. Verweerder komt uit op een verschuldigde bpm van € 8.141. Dat is € 6.128 meer dan het bedrag van € 2.013 dat op aangifte is voldaan.
9. Belanghebbende heeft niet op het voornemen tot naheffing gereageerd, hoewel daartoe uitdrukkelijk door verweerder in de gelegenheid te zijn gesteld. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag met dagtekening 10 november 2023 opgelegd conform zijn voornemen.
10. Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 14 november 2024 heeft verweerder de naheffingsaanslag in stand gelaten.
12. Tevens heeft belanghebbende verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Beoordeling van het geschil
Vooraf – de taxatiemethode
13. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de taxatiemethode (als bedoeld in artikel 10, lid 8, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet bpm) (tekst 2023)) niet kan worden toegepast bij de bepaling van de afschrijving. Zonder nadere toelichting, is het onduidelijk waarom verweerder dit standpunt inneemt. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de auto een voertuig is met meer dan normale gebruiksschade, zal de rechtbank uitgaan van de toepassing van de taxatiemethode bij de bepaling van de afschrijving.
14. Voor zover verweerder betoogt dat de taxatiemethode niet van toepassing is omdat aan het taxatierapport van belanghebbende dusdanige gebreken kleven, dat het niet bruikbaar is en dat daarom de afschrijving niet kan worden bepaald met de taxatiemethode, volgt de rechtbank verweerder hierin niet. Ook bij gebreken aan een taxatierapport dient het geschil beoordeeld te worden binnen de kaders van de taxatiemethode (vgl. HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640 en 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310).
Het taxatierapport van belanghebbende
15. Volgens verweerder dient het door belanghebbende gebruikte taxatierapport terzijde te worden geschoven, reeds omdat volgens verweerder niet sprake is geweest van een gedegen fysieke opname door de taxateur van belanghebbende. De opname heeft twintig minuten geduurd en volgens verweerder is het in deze tijd niet mogelijk om alle aspecten van de auto (goed) op te nemen en 171 foto’s te maken.
16. De rechtbank acht het feit dat de fysieke opname twintig minuten heeft geduurd van onvoldoende gewicht om het taxatierapport (reeds daarom) in zijn geheel terzijde te schuiven. Voor zover in het rapport gebreken zitten, kunnen die gevolgen hebben voor de bewijskracht die aan het taxatierapport toekomt.
Waardevermindering wegens schade
17. De door belanghebbende gestelde waardevermindering bestaat uit een totaalbedrag van € 19.818 voor (zijnde 100% van de bruto) schade. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van zijn stellingen (onder meer) verwezen naar het taxatierapport en het daarin opgenomen fotomateriaal.
18. Volgens verweerder bedraagt de vermindering € 738 (zijnde 31% van de bruto schade van € 2.380). Veel van de door belanghebbende in het taxatierapport opgegeven schadeposten zijn niet aangetroffen of kunnen als gebruikssporen worden aangemerkt, aldus verweerder. Ter ondersteuning heeft verweerder verwezen naar de (individuele) waardebepaling verricht door DRZ.
19. Nu verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een hogere taxatiewaarde, rekening houdende met de wel bruikbare gegevens uit het taxatierapport van belanghebbende, geldt dat belanghebbende moet stellen en aannemelijk moet maken dat verweerder de taxatiewaarde als geheel genomen te hoog heeft vastgesteld (zie 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310, r.o. 3.2.6).
20. Belanghebbende stelt dat ten onrechte geen, dan wel te weinig rekening is gehouden met de door zijn taxateur opgevoerde schadeposten. In het onderhavige geval kwalificeert volgens belanghebbende iedere schade als meer dan normale gebruiksschade, omdat het gaat om een relatief jonge auto met weinig kilometers. Kopers van dit type voertuig verwachten dat deze in complete nieuwstaat verkeert. Het is daarom noodzakelijk dat alle aanwezige schade wordt hersteld. Daarnaast is volgens belanghebbende op de foto’s te zien dat beschadigingen aanwezig zijn die niet kwalificeren als normale gebruiksschade. Zo zou verweerder ten onrechte geen rekening hebben gehouden met banden die aan vervanging toe zijn.
21. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij de auto sprake is van meer schade dan waarmee verweerder bij de berekening van de naheffingsaanslag reeds rekening heeft gehouden. De enkele stelling dat bij een relatief jonge auto met weinig kilometers iedere schade als meer dan normale gebruiksschade moet worden beschouwd omdat kopers een complete nieuwstaat verwachten, is niet onderbouwd, reden waarom de rechtbank daaraan voorbij gaat. Ook gaat de rechtbank voorbij aan de niet nader onderbouwde stelling dat uit de foto’s volgt dat beschadigingen aanwezig zijn die niet kwalificeren als normale gebruiksschade.
22. Verder stelt belanghebbende dat ten onrechte geen rekening is gehouden met een motorstoring, meer specifiek een lekkende koppakking. Ter onderbouwing verwijst belanghebbende naar de factuur waarop is vermeld ‘defekte Zylinderkopfdichtung’. Dat deze schade niet door DRZ is geconstateerd wijt belanghebbende aan een onvolledig onderzoek. Verweerder betwist dit en betoogt dat de lekkende koppakking reeds hersteld is voor de keuring bij de RDW. Hiertoe heeft verweerder aangevoerd dat tussen het moment van de taxatie en het moment van de fysieke opname door DRZ 316 kilometer met de auto is gereden. Dit is volgens verweerder niet mogelijk dan wel zeer onlogisch als sprake is van een lekkende koppakking.
23. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto ten tijde van de inschrijving een lekkende koppakking had. Uit de door belanghebbende overgelegde factuur volgt dat sprake was van een lekkende koppakking ten tijde van de koop van de auto op 1 augustus 2023. Vervolgens is de door belanghebbende gestelde lekkende koppakking niet opgemerkt bij de schouw van DRZ. Uit de stukken kan niet worden afgeleid op welk moment de schade is hersteld, zodat onduidelijk is of dit op het moment van inschrijving bij de RDW al was gebeurd. Deze onduidelijkheid komt voor rekening en risico van belanghebbende, die de bewijslast heeft.
24. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende, gelet op het vorenstaande, niet in het leveren van de bewijslast geslaagd. Dit betekent dat geen aanleiding bestaat de naheffingsaanslag vanwege een hoger bedrag aan meer dan normale gebruiksschade te verminderen.
Percentage waardevermindering in verband met schade
25. Belanghebbende stelt dat het door verweerder gehanteerde percentage van de schadeaftrek van 31% te laag is. Volgens belanghebbende dient de waardevermindering op 100% vastgesteld te worden.
26. Het is aan belanghebbende aannemelijk te maken dat de volledige schade in aanmerking moet worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende hier niet in geslaagd. Belanghebbende heeft geen onderbouwing gegeven waarom voor de auto een hoger percentage in aanmerking genomen moet worden. De rechtbank merkt daarbij op dat belanghebbende heeft volstaan met algemene stellingen en zich daarbij niet heeft toegespitst op de concrete situatie van de onderhavige auto.
Waardevermindering in verband met ‘geen oordeel RDW over de kilometerstand’
27. Belanghebbende stelt dat de omstandigheid dat de RDW geen oordeel heeft gegeven over de juistheid van de kilometerstand reden is de waarde van de auto te verminderen met een bedrag van € 3.500. Ook betoogt belanghebbende dat sprake is van discriminatie als bedoeld in artikel 110 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: VwEU) indien geen waarde wordt gehecht aan het ontbreken van een oordeel over de kilometerstand.
28. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat rekening moet worden gehouden met een waardevermindering wegens het ontbreken van een oordeel over de kilometerstand. De rechtbank overweegt dat voor een vermindering slechts plaats is als er gerede twijfel is aan de juistheid van de kilometerstand. Feiten en omstandigheden die aan dergelijke twijfel grond geven, heeft belanghebbende niet gesteld en zijn ook niet gebleken.
29. Gezien het oordeel hiervoor is van enige strijd met artikel 110 van het VwEU in dit kader evenmin sprake.
Slotsom
30. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.
Verzoek om vergoeding van immateriële schade
31. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
32. Het bezwaarschrift is ontvangen op 14 november 2023, de uitspraak op bezwaar is gedaan op 14 november 2024 en de rechtbank doet uitspraak op 20 mei 2026, zodat in deze zaak de redelijke termijn is overschreden met afgerond zeven maanden. Bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn kunnen rechtvaardigen, zijn gesteld noch gebleken. Belanghebbende heeft daarmee recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000.
33. De termijnoverschrijding dient geheel aan de bezwaarfase te worden toegerekend. Verweerder zal daarom worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 1.000.
Proceskosten en griffierecht
34. Nu aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Omdat de uitspraak op bezwaar bekend is gemaakt na 1 januari 2024, moet de hoogte van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase worden bepaald aan de hand van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: WHpkv). Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46), moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een ‘bijzonder geval’ als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van dat arrest. De stelplicht en de bewijslast dat sprake is van een ‘bijzonder geval’, rust op belanghebbende (zie HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 en HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670). Belanghebbende heeft niet gesteld dat van een bijzonder geval sprake is, zodat de rechtbank niet toekomt aan een beoordeling of sprake is van een ‘bijzonder geval’.
35. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de proceskosten met inachtneming van de WHpkv (artikel 19a, lid 2, van de Wet bpm), het Besluit proceskosten bestuursrecht en het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1526) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 23,35 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 0,25, vermenigvuldigd met factor 0,10). Deze kosten komen voor rekening van verweerder.
36. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade is immers niet gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 (ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 en 7.1.2).
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt verweerder tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.000, en
veroordeelt verweerder tot betaling van € 23,35 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Huisman, rechter, in aanwezigheid van mr. F.C. Claushuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).