Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBNHO:2026:9175

Eindvonnis na deskundigenbericht inzake waarde onderneming waarvan de aandelen onderwerp waren van koop en bijbehorende geldlening. Deskundigenbericht leidt tot gedeeltelijke toewijzing vorderingen eiseres.

Rechtbank Noord-Holland 5 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBNHO:2026:9175
text/xml
public
2026-08-05T17:00:09
2026-07-22
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Noord-Holland
2026-07-29
C/15/356599
Uitspraak
Bodemzaak
NL
Haarlem
Civiel recht; Verbintenissenrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:9175
text/html
public
2026-08-03T11:22:55
2026-08-05
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBNHO:2026:9175 Rechtbank Noord-Holland , 29-07-2026 / C/15/356599

Eindvonnis na deskundigenbericht inzake waarde onderneming waarvan de aandelen onderwerp waren van koop en bijbehorende geldlening. Deskundigenbericht leidt tot gedeeltelijke toewijzing vorderingen eiseres.

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/356599 / HA ZA 24-511

Vonnis van 29 juli 2026

in de zaak van

[eiser]
,

te [plaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. M. Bitter,

tegen

[gedaagde] B.V.,

te [plaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. I.N.A. Denninger.

<br /> 1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– het tussenvonnis van 23 juli 2025- het deskundigenbericht van de door de rechtbank benoemde deskundige drs. G. Rooijackers RC RV (Sman Business Value) van 9 maart 2026

– de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagde]

– de conclusie na deskundigenbericht tevens van voorwaardelijke uitbreiding van de grondslag van de eis, tevens van rectificatie tevens van uitbreiding van de eis in (méér) subsidiaire zin van [eiser]

– de antwoordakte van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

<br /> 2De verdere beoordeling

Het tussenvonnis van 30 april 2025

2.1.

De rechtbank heeft bij het tussenvonnis van 30 april 2025 bepaald dat mogelijk sprake is van wederzijdse dwaling over de financiële waarde van Sterk in Kinderopvang B.V. (hierna: SIK) in 2022 en daarmee de hoogte van de koopsom van de aandelen in die vennootschap omdat beide partijen niet over de juiste jaarcijfers 2022 van SIK beschikten. Om de definitieve waarde van de vennootschap vast te stellen heeft de rechtbank een deskundige benoemd.

2.2.

De rechtbank heeft de deskundige verzocht de volgende vragen te beantwoorden:

“1. Wat is de EBITDA van SIK over het jaar 2022, indien wordt uitgegaan van de werkelijke financiële positie van SIK op 31 december 2022? Hierbij dient er vanuit te worden gegaan dat geen sprake is van ‘dubieuze debiteuren’, zoals [gedaagde] aanvoert. De deskundige wordt in dit verband gevraagd om de consistentie van de wijze van omgang met de handelsdebiteuren -zie onder 4.17 van het tussenvonnis van deze rechtbank van 30 april 2025- met partijen te bespreken en de beantwoording van de vragen in het licht van zijn bevindingen over de wijze waarop deze post in het geheel van de waardering wordt behandeld zo nodig bij te stellen.

2. Op welke bedrag moet de waarde van de vennootschap worden vastgesteld, uitgaande van de volgende berekeningswijze: de gemiddelde EBITDA over 2021 en 2022 maal vier?”

Het deskundigenrapport

2.3.

Blijkens zijn rapport heeft de deskundige de hem toegezonden stukken bestudeerd en onderzoek gedaan naar de jaarcijfers 2022 van SIK en op grond van dit onderzoek de EBITDA van SIK over 2022 en de waarde van de vennootschap berekend. Vervolgens heeft de deskundige zijn bevindingen vastgelegd in een concept rapportage en konden partijen daarop reageren. Die reacties heeft de deskundige in het eindrapport verwerkt.

2.4.

In het rapport staat onder meer het volgende.

“3.2.5 Dubieuze debiteuren

De door [gedaagde] gestelde voorziening voor dubieuze debiteuren ten bedrage van € 31.336 is door de rechtbank niet gevolgd. (…) De verwerking van deze post in de resultatentekening onder de verkoopkosten is derhalve niet in overeenstemming met de feitelijke uitgangspunten en dient te worden gecorrigeerd. (…)

3.3

Beantwoording vraagstelling

3.3.1

EBITDA 2022

(…) Op basis van de aldus vastgestelde resultatenrekening bedraagt de EBITDA over het boekjaar 2022 € 36.274. (…)

3.3.2

Consistentie van de wijze van omgang met de handelsdebiteuren

(…) In ons overleg met partijen hebben partijen ons geen eensluidend antwoord verschaft op de vraag onder welke titel eventuele doorbetalingen door SIK (van ontvangen gelden van debiteuren van SIK) aan [betrokkene] zouden plaatsvinden.

Door [betrokkene] (mevrouw [betrokkene]) is in het overleg aangegeven dat zij die betalingen beschouwt als aanvulling op de koopsom omdat, kort gezegd, dit omzet betrof uit werk dat zij in 2022 nog had verricht. [betrokkene] gaf daarbij aan dat dit mondeling met [gedaagde] zou zijn overeengekomen. De koopovereenkomst bevat echter geen bepalingen hieromtrent.

[gedaagde] heeft in het overleg aangegeven dat zij er vanuit ging dat deze betalingen dienden ter verrekening van de balans (naar deskundige begrijpt om het eigen vermogen van SIK te reduceren tot het in de koopovereenkomst contractueel overeengekomen niveau van € 100).

In de koopovereenkomst is
geen
bepaling opgenomen omtrent een correctie op de koopsom in de situatie dat na 31 december 2022 door debiteuren nog betalingen worden verricht op facturen uit 2022. In de situatie dat door SIK na 31 december 2022 ontvangen betalingen van debiteuren zijn (of zouden worden) betaald aan [betrokkene], dan geldt onzes inziens dat die betalingen in mindering strekken op de koopsom.(…)

De koopsom voor de aandelen SIK is gebaseerd op een EBITDA-multiple. Binnen deze methodiek representeert de EBITDA de operationele winstcapaciteit van de onderneming over de betreffende boekjaren. De omzet over 2022 is volledig verwerkt in de resultatenrekening 2022 en maakt onderdeel uit van de EBITDA. Daarbij is onder toepassing van het verplichtingenstelsel niet relevant of de betalingen uit hoofde van de betreffende omzet ultimo 2022 reeds volledig zijn ontvangen dan wel dat een deel daarvan nog openstaat als handelsdebiteur. De opbrengst wordt verantwoord op het moment van realisatie.

Indien per 31-12-2022 nog openstaande debiteuren in 2023 worden geïnd, betreft dit geen nieuwe opbrengst, maar uitsluitend de omzetting van een reeds verantwoorde vordering in liquide middelen. Er ontstaat derhalve geen aanvullende winst en geen verhoging van de EBITDA over het boekjaar 2022.

Indien de ontvangsten van debiteuren die betrekking hebben op in 2022 verantwoorde omzet aan de verkoper zouden toevallen, terwijl de koopsom is gebaseerd op een EBITDA waarin deze omzet volledig is begrepen, zou dit vanuit waarderingskundig perspectief leiden tot een dubbeltelling. (…)

<br /> 4Vraag 2: Waarde van SIK

(…)

4.2

Beantwoording vraagstelling

Bij de beantwoording van deze vraag gaan wij uit van:

het oordeel van de rechtbank dat de koopsom van de aandelen SIK wordt berekend op basis van 4 maal de gemiddelde EBITDA over 2021 en 2022.(…)

de bepaling in de koopovereenkomst dat de vennootschap wordt overgedragen met een balans per 1 januari 2023 en dat koper en verkoper eventuele verschillen tussen het eigen vermogen in de jaarcijfers 2022 en het overeengekomen boekhoudkundig eigen vermogen van € 100 in de koopsom zullen verrekenen.(…)

Voor de vaststelling van de EBITDA 2022 verwijzen wij naar de analyse in hoofdstuk 3.

De EBITDA 2021 is herleid uit de jaarrekening zoals overgelegd in productie G1 bij de conclusie van antwoord. Deze EBITDA betreft een resultaat over de periode 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021. Tijdens de met partijen gevoerde bespreking is zijdens [gedaagde] opgemerkt dat de EBITDA van 2021 aangepast dient te worden. Volgens [gedaagde] is deze EBITDA gebaseerd op een verlengd boekjaar. [gedaagde] verwijst naar een jaarrekening van SIK met een winst- en verliesrekening over de periode 27 oktober 2020 (datum van inbreng van eenmanszaak in besloten vennootschap) tot 31 december 2021. Deze maakt onderdeel uit van de aan ons overgelegde dataroom en is toegevoegd als bijlage 8 bij dit deskundigenbericht. Dit is echter niet de EBITDA 2021 die in onze calculatie is gehanteerd.

Uit het procesdossier blijkt niet dat de EBITDA 2021 tussen partijen op enigerlei wijze ter discussie heeft gestaan (behoudens de door [gedaagde] gemaakte opmerking ten aanzien van het verlengd boekjaar). Wij hebben daarom geen nader onderzoek verricht naar de EBITDA over het boekjaar 2021.

Bij deze uitgangspunten bepalen wij de waarde van (100% van de aandelen) SIK op € 167.398 per 31 december 2022. Deze waarde bestaat voor een bedrag van € 136.167 uit hoofde van de berekening 4x gemiddelde EBITDA 2021/2022. Daarnaast is een bedrag van € 31.231 opgenomen voor het verschil in de boekwaarde van het eigen vermogen per 31 december 2022 en het in de koopovereenkomst genoemde normbedrag aan eigen vermogen van € 100.

(…)

Wij merken op dat wij aan de beantwoording van deze vraagstelling mede ten grondslag hebben gelegd de bepaling in de koopovereenkomst dat de vennootschap wordt overgedragen met een balans per 2023 en dat koper en verkoper eventuele verschillen tussen het eigen vermogen in de jaarcijfers 2022 en het overeengekomen boekhoudkundig eigen vermogen van € 100 in de koopsom zullen verrekenen. (…) Deze contractuele bepaling wordt echter niet genoemd in de door de rechtbank opgenomen instructie aan deskundige:

(…)

Indien de rechtbank van oordeel is dat bij de beantwoording van de vraagstelling voornoemde contractuele bepaling buiten beschouwing dient te worden gelaten, dan bedraagt de waarde van de vennootschap € 136.167 (zie tabel 13).”

Reactie [gedaagde]

2.5.

[gedaagde] heeft in haar reactie op het deskundigenbericht het volgende naar voren gebracht.

De rechtbank moet uitgaan van een waarde van € 136.167,00, omdat dat volgens de deskundige de juiste koopsom is.

Verder moeten de betalingen van [gedaagde] voor handelsdebiteuren van na 1 januari 2023 voor in 2022 al verricht werk, zoals de betaling op 26 januari 2023 van € 16.543,65, worden aangemerkt als aflossing op [gedaagde]’s schuld aan [eiser], al dan niet via verrekening.

Daarnaast betoogt [gedaagde] dat als de rechtbank het bedrag van € 167.398,00 als koopsom aanneemt, de goodwill in de balans moet worden weggestreept tegen de post waarderingsreserve in het eigen vermogen. Op die basis ontstaat daardoor een andere vermogensopstelling en rekeningcourantverhouding die moet worden verrekend. In dat geval heeft SIK een vordering van € 26.548,00 op [eiser]. Dit bedrag moet in mindering op de koopsom komen, althans op hetgeen [eiser] van [gedaagde] vordert.

Ook kan [gedaagde] zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank over de ‘dubieuze debiteuren.’

Reactie [eiser]

heeft in reactie op het deskundigenbericht en hetgeen [gedaagde] naar voren heeft gebracht, het volgende aangevoerd.

[eiser] kan zich met het deskundigenbericht verenigen. Daarbij moet de rechtbank uitgaan van het bedrag van € 167.398,00, omdat de deskundige conform de koopovereenkomst dit bedrag heeft bepaald.

De balans zoals genoemd in artikel 1.4 van de koopovereenkomst van 5 januari 2023 heeft zich nooit bij de koopovereenkomst bevonden. Er kon ook geen balans zijn op dat moment, omdat het due diligence onderzoek nog niet was afgerond. De koopsom van € 230.000,00 kon en mocht daarom vóór de overdracht van de aandelen aangepast worden. [eiser] is echter wel bereid zich neer te leggen bij de koopsom van € 167.398,00.

[gedaagde] moet de proceskosten en de kosten voor het deskundigenbericht betalen, omdat [eiser] grotendeels in het gelijk is gesteld.

[eiser] heeft haar vordering uitgebreid met subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen die gelijk zijn aan de primaire vorderingen, maar zij heeft met inachtneming van het deskundigenbericht de door haar gevorderde bedragen verlaagd. Met betrekking tot de vordering van € 13.731,99 refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank.

Reactie [gedaagde] op [eiser]

[gedaagde] heeft in reactie op hetgeen [eiser] naar voren heeft gebracht, het volgende aangevoerd.

De bijtelling van € 31.231,00 in de koopsom van SIK is niet toewijsbaar, omdat artikel 2.4 van de koopovereenkomst geen onderdeel uitmaakte van de door de rechtbank geformuleerde vraagstelling. De bijtelling leidt ook tot een onjuiste uitkomst, want de goodwill ligt al in de EBITDA besloten. Dit zou een dubbeltelling opleveren die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Voor zover [eiser] daarnaast nog enige vordering van € 13.731,99 handhaaft, geldt dat ook die post niet naast de door de deskundige berekende EBITDA-waarde kan worden toegewezen. [eiser] stelt zelf dat deze post in de EBITDA 2022 is verwerkt. Afzonderlijke toewijzing zou tot een dubbeltelling leiden.

De gevorderde rente is niet verschuldigd over de door [eiser] gevorderde periode, voor zover [gedaagde] haar betalingsverplichting rechtsgeldig mocht opschorten. Voor zover de opschorting gerechtvaardigd was, is [gedaagde] niet in verzuim geraakt en is over die periode geen rente verschuldigd. Er is verder geen wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW verschuldigd, omdat [eiser] aan haar vordering een ongedaanmakingsverbintenis op grond van ontbinding van de koop- en geldleningsovereenkomst met [gedaagde] ten grondslag heeft gelegd. De wettelijke handelsrente is op die verbintenis niet van toepassing.

Ook de buitengerechtelijke incassokosten zijn niet toewijsbaar. Zolang [gedaagde] niet in verzuim was, waren die incassomaatregelen prematuur en kunnen de daarmee gemoeide kosten niet als redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte ten laste van [gedaagde] worden gebracht.

2.6.

De rechtbank zal hierna eerst het deskundigenrapport beoordelen. Vervolgens zal zij ingaan op de bezwaren van [gedaagde] omtrent de correctie van het eigen vermogen van SIK inzake de goodwill en de bindende eindbeslissing van de rechtbank op het punt van de ‘dubieuze debiteuren.’ De rechtbank zal daarna naar aanleiding van het deskundigenrapport beoordelen of sprake is van wederzijdse dwaling en of [gedaagde] rechtsgeldig de betaling van de termijnen van de geldlening van [eiser] heeft opgeschort. Tot slot zal de rechtbank de gevolgen hiervan voor de vorderingen van [eiser] bespreken.

Beoordeling deskundigenrapport

2.7.

In beginsel neemt de rechter de bevindingen van de deskundige over, gesteld dat het rapport voldoet aan de beginselen van relevantie, kwaliteit, consistentie en coherentie, en vergt het volgen van die bevindingen in de regel geen verdere motivering. Alleen wanneer de rechtbank de bevindingen van de deskundige niet volgt, moet zij dat oordeel motiveren.

2.8.

De rechtbank is van oordeel dat het deskundigenrapport aan de hiervoor genoemde beginselen voldoet, omdat partijen geen bezwaren tegen de keuze en de deskundigheid van de deskundige hebben geuit.

Geen van partijen heeft inhoudelijke bezwaren tegen het deskundigenbericht naar voren gebracht. Partijen verschillen wel van mening over welke door de deskundige genoemde koopsom de rechtbank in haar eindbeslissing moet volgen. De rechtbank ziet geen aanleiding om niet van het deskundigenbericht uit te gaan en zal daarom de conclusies van het deskundigenbericht overnemen. Zij zal hierbij het bedrag van € 167.398,00 als koopsom van de aandelen van SIK aannemen, omdat dit conform de tussen partijen gesloten koopovereenkomst is. Hoewel artikel 2.4 van de koopovereenkomst niet in de vraagstelling van de rechtbank was opgenomen, betekent dit niet dat de deskundige de bepalingen van de koopovereenkomst buiten beschouwing kon laten. De deskundige heeft op goede gronden ingezien dat deze bepaling onderdeel vormt van de rechtsverhouding tussen partijen.

De rechtbank zal niet een bedrag van € 26.548,00 in mindering op de koopsom brengen

2.9.

De rechtbank zal de door [gedaagde] aangevoerde vordering van SIK op [eiser] van € 26.548,00 niet in mindering op de koopsom brengen, gelet op het volgende.

2.10.

[gedaagde] stelt dat een compensatie van eigen vermogen geen voorwerp van debat heeft gevormd en geen onderdeel uitmaakte van de opdracht aan de deskundige.

Bij de inbreng van de eenmanszaak van SIK in de B.V. op 27 oktober 2020 werd een goodwill van € 101.685,00 op de balans opgenomen. Dit bedrag werd geboekt als rekeningcourantvordering of lening aan SIK. Op dit bedrag is geleidelijk wat afgeschreven. In de balans per 31 december 2022 is de goodwill van € 78.806,00 onderdeel gemaakt van het totaal aan activa en daarmee van het eigen vermogen van SIK. [gedaagde] betoogt verder dat via de EBITDA-multiple de ondernemingswaarde al volledig is gewaardeerd, inclusief de onderliggende goodwill. Dan hoort de goodwill niet opnieuw als balanspost het eigen vermogen op te hogen en langs die weg te leiden tot een extra goodwill-verrekenpost van nog € 31.231,00, want dat zou neerkomen op goodwill op goodwill. Om dit te voorkomen had bij de bepaling van het uiteindelijk te bepalen bedrag de goodwill in de balans weggestreept moeten worden tegen de post waarderingsreserve in het eigen vermogen. Op basis hiervan ontstaat een andere vermogensopstelling en rekeningcourantverhouding, die moet worden verrekend. Dit levert volgens [gedaagde] een vordering van SIK op [eiser] van € 26.548,00. Dat strekt dan in mindering op de koopsom, aldus het betoog van [gedaagde].

2.11.

[gedaagde] heeft haar standpunt met betrekking tot de goodwill ook als commentaar op het conceptrapport van de deskundige gegeven. De deskundige heeft het commentaar van [gedaagde] op dit punt op de volgende wijze in het deskundigenbericht verwerkt:

“Voor zover [gedaagde] stelt dat goodwill “doorwerkt” in de eigen vermogen-correctiecomponent omdat wordt aangesloten bij het eigen vermogen per 31 december 2022, merken wij op dat de goodwill in 2020 is ontstaan bij de inbreng van de eenmanszaak en boekhoudkundig is verwerkt als immaterieel vast actief, met een financiering (lening/rekening-courant) als tegenpost. Dit vormt een bestendige gedragslijn met eerdere jaarrekeningen. Wij merken voorts op dat het de accountant van [gedaagde] is die deze post ook in de jaarrekening van 2022 conform bestendige gedragslijn heeft verwerkt. Wij zien daarom primair geen aanleiding om deze post te corrigeren en de goodwill af te schrijven.

Ook inhoudelijk zien wij echter geen aanleiding om te komen tot een herwaardering van de in de balans geactiveerde goodwill. Hierbij redeneren wij dat de ondernemingswaarde ( op basis van 4x EBITDA) is bepaald op € 136K. De activa (exclusief geactiveerde goodwill) bedragen op 31-12-2022 € 103K. De passiva (exclusief lening) bedragen € 50K. Het saldo van activa minus passiva bedraagt € 53K. Ten opzichte van de bepaalde ondernemingswaarde van € 136K bedraagt de ‘economische waarde’ van de goodwill ca € 83K. Er is dus geen aanleiding om extra af te schrijven op de boekwaarde van de geactiveerde goodwill. Wij merken op dat in deze berekening het bedrag van de RC-schuld buiten beschouwing is gelaten aangezien dit conform het vonnis van de rechtbank, beschouwd moet worden als een verrekenpost met de koopsom.

Ten aanzien van het standpunt dat de oorspronkelijke lening ad € 101.685 “geen echte schuld” zou zijn en zou moeten worden geherkwalificeerd naar (herwaarderingsreserve/) eigen vermogen, sluiten wij aan bij de wijze waarop de eenmanszaak is ingebracht in de besloten vennootschap, en de verwerking daarvan in de jaarrekeningen. Wij zijen geen aanleiding om de schuld anders te classificeren.”

2.12.

De rechtbank ziet geen aanleiding om van het standpunt van de deskundige op dit punt af te wijken. [gedaagde] heeft ook geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat een bedrag van € 26.548,00 in mindering op de koopsom moet worden gebracht.

De rechtbank zal niet terugkomen op haar bindende eindbeslissing omtrent de ‘dubieuze debiteuren’

2.13.

[gedaagde] heeft in haar conclusie na deskundigenbericht – zoals de rechtbank de conclusie begrijpt – de rechtbank verzocht om terug te komen op een bindende eindbeslissing. De rechtbank zal het verzoek van [gedaagde] niet toewijzen. Zij overweegt daartoe als volgt.

2.14.

[gedaagde] betoogt in haar conclusie dat zij zich niet kan vinden in het oordeel van de rechtbank over de ‘dubieuze debiteuren’, omdat die post direct de EBITDA 2022 verlaagt en daarmee grote invloed op de koopsom heeft. Volgens het beginsel van voorzichtigheid en van waarheidsgetrouwheid moeten accountants beoordelen of debiteuren risicovol zijn en of zij tegen het volle bedrag kunnen worden opgenomen. Op het moment van opstellen van de jaarrekening 2022 bleek een aanzienlijke hoeveelheid aan debiteuren nog niet te hebben betaald en een ouder te hebben van ruim een jaar. Het is volgens [gedaagde] niet vreemd noch onjuist dat hiervoor een voorziening in de jaarrekening werd getroffen. Verder betoogt zij dat het vervolgens aan haar inspanningen en kosten te danken was dat deze posten uiteindelijk zijn geïncasseerd. Dat latere incassoresultaat maakt niet dat de voorziening per peildatum onjuist was. [gedaagde] verzoekt de rechtbank dan ook om op haar bindende eindbeslissing terug te komen, althans bij de waardering van SIK te betrekken dat de post ‘dubieuze debiteuren’ op goede gronden in mindering op de EBITDA is gebracht.

2.15.

De rechtbank heeft onder 4.15 van het tussenvonnis van 30 april 2025 het volgende geoordeeld:

“4.15. De rechtbank is van oordeel dat de door [eiser] gestelde debiteuren niet dubieus zijn, zodat het verweer van [gedaagde] over de verlaging van de koopprijs niet slaagt, maar zij zal (ook) de vordering van [eiser] op dit punt afwijzen. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.”

2.16.

Het citaat is een zonder voorbehoud gegeven beslissing op een geschilpunt van feitelijke aard en daarmee een bindende eindbeslissing. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de eindbeslissing berust op een onjuiste feitelijke grondslag. Zij heeft in 4.16 van het tussenvonnis geoordeeld dat [eiser] voldoende onderbouwd heeft gesteld dat niet onzeker was of de ‘dubieuze debiteuren’ nog zouden betalen, zodat dit vast staat. Hiertegenover heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd aangevoerd dat afschrijving van dubieuze debiteuren op de balans zou moeten plaatsvinden. De enkele e-mail van de boekhouder van SIK was daarvoor onvoldoende. Het standpunt van [gedaagde] komt feitelijk erop neer dat zij het niet eens is met het oordeel van de rechtbank en haar verweer opnieuw zonder nieuwe feiten of omstandigheden aanvoert. Dit is geen goede reden om terug te komen op een bindende eindbeslissing. De rechtbank komt daarom niet terug van haar bindende eindbeslissing op dit punt.

Er is sprake van wederzijdse dwaling

2.17.

De rechtbank heeft onder 4.30 van het tussenvonnis van 30 april 2025 als volgt overwogen:

“4.30. Gelet op de in het voorgaande besproken partijafspraken kan het beroep op dwaling alleen slagen, indien het verschil tussen de werkelijke financiële positie van SIK op 31 december 2022 en de voorstelling van partijen van de financiële positie van SIK op basis van de jaarrekening van 14 december 2022 een cumulatief nadelig financieel effect van meer dan € 5.000,00 op de waarde van SIK heeft.”

2.18.

Het verschil tussen de oorspronkelijke koopsom/waarde van SIK van € 230.000,00 en de door de deskundige bepaalde koopsom/waarde van € 167.398,00 is groter dan € 5.000,00. Dit betekent dat bij het aangaan van de koop- en geldleningsovereenkomst sprake was van wederzijdse dwaling, omdat beide partijen niet een juiste voorstelling van zaken met betrekking tot de financiële positie van SIK op 31 december 2022 hadden. De rechtbank zal daarom de koopsom van de aandelen van SIK (en de daarbij behorende geldlening) verlagen naar € 167.398,00. Op dit bedrag zal de rechtbank de in het vervolg te bespreken bedragen in mindering brengen.

[gedaagde] heeft rechtsgeldig opgeschort

2.19.

[gedaagde] heeft haar betalingsverplichting jegens [eiser] opgeschort onder andere omdat sprake was van wederzijdse dwaling van partijen. De koopsom van de aandelen in SIK had volgens [gedaagde] € 83.167,00 moeten zijn. Omdat de rechtbank heeft vastgesteld dat sprake was van wederzijdse dwaling, is de vraag nu of [gedaagde] rechtsgeldig haar betalingsverplichting op 11 juni 2023 heeft opgeschort.

2.20.

De rechtbank is van oordeel dat dit gedeeltelijk het geval is. Op grond van het deskundigenbericht had de koopsom van de aandelen in SIK niet € 230.000,00 moeten zijn, maar € 167.398,00. [gedaagde] heeft daarom op 11 juni 2023 met betrekking tot de koopsom rechtsgeldig haar betalingsverplichting jegens [eiser] opgeschort tot een bedrag van € 83.167,00. [eiser] garandeerde namelijk op grond van artikel 5.1 van de koopovereenkomst, zoals weergegeven onder 2.7 van het tussenvonnis van 30 april 2025, dat de balans van SIK per 31 december 2022 opgenomen in de jaarrekening getrouw en stelselmatig de grootte en samenstelling van het vermogen van SIK per de balansdatum weergaf en daarmee de koopsom van € 230,000,00 juist was. [eiser] heeft door aan haar zijde te dwalen over de financiële positie van SIK haar garantieverplichting geschonden. Als gevolg van de rechtsgeldige opschorting verkeerde [gedaagde] op 1 mei 2024 niet in verzuim met betrekking tot betaling van een bedrag van € 83.167,00 en heeft de ontbinding van [eiser] van de gehele geldleningsovereenkomst geen rechtsgevolg gehad. Wel heeft de ontbinding met betrekking tot de rest van de koopsom rechtsgevolg gehad, want [gedaagde] was met de betaling hiervan op het moment van ontbinding in verzuim. Dit betekent dat de koop- en geldleningsovereenkomst met betrekking tot de aandelen van SIK voor een bedrag van € 83.167,00 nog in stand zijn. [gedaagde] is na verlaging van de koopsom dan ook weer verplicht om de afgesproken termijnen aan [eiser] te betalen. Zij is echter wel in verzuim met betrekking tot de vergoeding van de koopsom na gedeeltelijke ontbinding boven het bedrag van € 83.167,00, omdat de opschorting van de gehele betalingsverplichting niet in verhouding staat met de daadwerkelijke koopsom. [gedaagde] heeft ondertussen – voor zover de rechtbank dat kan vaststellen – geen nieuwe betalingen aan [eiser] gedaan. Een bedrag van € 83.167,00 van de hoofdsom is hierdoor op grond van artikel 4 van de geldleningsovereenkomst (weer) opeisbaar geworden. [gedaagde] is daarom de hierna te noemen bedragen aan [eiser] verschuldigd.

De toe te wijzen vorderingen

Het restant van de hoofdsom is € 126.452,79

2.21.

Ten eerste zal de rechtbank de twee aflossingstermijnen van [gedaagde] (in totaal een bedrag van € 24.401,56) in mindering op de koopsom brengen. Ten tweede zal zij het door [gedaagde] op 26 januari 2023 aan [eiser] betaalde bedrag van € 16.543,65 als afrekening voor openstaande debiteuren op de toe te wijzen hoofdsom in mindering brengen. Gelet op het deskundigenbericht moeten betalingen van op 31 december 2022 openstaande debiteuren van SIK die na 2022 hebben betaald, in mindering op de koopsom van SIK komen. Hiertegen hebben partijen geen bezwaar gemaakt en de rechtbank ziet geen reden om van het oordeel van de deskundige af te wijken. De rechtbank zal daarom dit bedrag ook in mindering op de hoofdsom brengen. Kortom, van de door [eiser] gevorderde hoofdsom is een bedrag van € 126.452,79 toewijsbaar. De rechtbank zal [gedaagde] veroordelen het bedrag van € 83.167,00 binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te betalen, gelet op het volgende.

De wettelijke handelsrente is niet toewijsbaar

2.22.

[eiser] vordert de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de verschillende kwartaaltermijnen en het restant van de hoofdsom. De wettelijke handelsrente is echter niet toewijsbaar, omdat een geldleningsovereenkomst (en de ongedaanmakingsverbintenis na ontbinding van een overeenkomst) niet een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW is. De rechtbank zal daarom de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijzen.

2.23.

De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen over € 83.167,00 vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis, omdat [gedaagde] rechtsgeldig tot dit bedrag heeft opgeschort en daarom nog niet met haar betalingsverplichtingen in verzuim is. Met betrekking tot de ongedaanmakingsverbintenis tot betaling van € 43.285,79 zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen vanaf 1 juli 2024, omdat [eiser] de rente over het restant van de hoofdsom per deze datum heeft gevorderd. De rest van de door [eiser] gevorderde rentes zijn niet toewijsbaar, omdat de geldleningsovereenkomst gedeeltelijk is ontbonden.

Het bedrag van € 16.875,05 is toewijsbaar

2.24.

[eiser] vordert een bedrag van € 16.875,05 aan verschenen – zoals de rechtbank begrijpt – contractuele rente over vijf kwartaaltermijnen. [gedaagde] heeft deze vordering niet betwist. Daarom staat vast dat zij dit bedrag aan [eiser] verschuldigd is en zal de rechtbank dit bedrag toewijzen.

Het bedrag van € 13.731,99 is niet toewijsbaar

2.25.

[eiser] vordert bedragen van € 13.731,99 en € 33.533,64 met betrekking tot facturen van SIK voor in 2022 verrichte werkzaamheden. De rechtbank heeft bij haar tussenvonnis van 30 april 2025 het bedrag van € 33.533,64 afgewezen. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 30 april 2025 het volgende omtrent het bedrag van € 13.731,99 overwogen:

“4.17. De rechtbank is echter van oordeel dat consistentie dan lijkt mee te brengen dat de opgeschorte betaling van € 13.731,99 evenmin toewijsbaar is.

De rechtbank acht de door partijen overeengekomen wijze van omgang met de post debiteuren vooralsnog onvoldoende toegelicht.

Als er gelet op de aard van de bedrijfsvoering (alle debiteuren betalen vroeger of later) niet werd afgeschreven op de handelsdebiteuren, dan is er ook geen aanleiding om daarop af te schrijven. Dat uitgangspunt leidt er onontkoombaar toe dat alle ontvangsten van debiteuren die op 1 januari 2023 open staan, moeten worden gezien als het liquide worden van deze debiteuren en dus als een mutatie binnen het overgenomen ondernemingsvermogen.

Dit lijkt dan wel op gespannen voet te staan met de wijze waarop partijen hebben afgesproken om te gaan met ontvangsten op debiteuren over 2022. De in het vervolg te benoemen deskundige wordt gevraagd om dit met partijen te bespreken en te adviseren over de consistentie in de omgang met baten en lasten op dit punt.”

2.26.

De rechtbank stelt op grond van het deskundigenbericht vast dat partijen niets over de omgang met ontvangsten van debiteuren van SIK over 2022 hebben afgesproken. Bovendien zou de betaling van het bedrag van € 13.731,99 op grond van het verplichtingenstelsel in mindering komen op de koopsom van SIK, indien de rechtbank [gedaagde] hiertoe zou veroordelen. Het gaat immers om debiteuren over 2022 die later hebben betaald. De rechtbank zal de deskundige in zijn conclusie volgen en de vordering van [eiser] op dit punt dan ook afwijzen.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn niet toewijsbaar

2.27.

[eiser] vordert een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank zal deze vordering voor wat betreft de toe te wijzen hoofdsom tot € 83.167,00 afwijzen, omdat door de rechtsgeldige opschorting niet is gebleken dat [gedaagde] na de opschorting van haar betalingen aan [eiser] met de betaling van dit bedrag in verzuim is.

2.28.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten voor wat betreft een bedrag van € 43.285,79 toewijsbaar is, omdat [gedaagde] met de betaling van dit bedrag wel in verzuim is en [eiser] voldoende onderbouwd heeft gesteld dat zij incassowerkzaamheden heeft verricht. De rechtbank zal daarom de vergoeding volgens de wettelijke staffel toewijzen tot een bedrag van € 1.207,86. De wettelijke rente over dit bedrag zal zij toewijzen op de wijze zoals vermeld in de beslissing.

De rechtbank zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren

2.29.

De rechtbank zal dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing van de rechtbank op deze punten moet worden gevolgd, ook als een van de partijen daartegen in hoger beroep gaat. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval in beginsel totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen compenseren

2.30.

Omdat partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet daarbij aanleiding om [eiser] in de helft van de kosten van het deskundigenbericht te veroordelen, omdat partijen allebei een onjuiste voorstelling van zaken met betrekking tot de waarde van SIK in 2022 hadden en [eiser] hierdoor haar garantieverplichting jegens [gedaagde] heeft geschonden. [gedaagde] heeft al het voorschot van de deskundige betaald, zodat de rechtbank [eiser] zal veroordelen om de helft hiervan, zijnde € 9.605,00, aan [gedaagde] te betalen.

<br /> 3De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 126.452,79 ter zake van pro resto hoofdsom waarvan [gedaagde] verplicht is een bedrag van € 83.167,00 binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 43.285,79 vanaf 1 juli 2024 en over € 83.167,00 vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis, telkens tot en met de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 16.875,05 zijnde het totaal van onbetaalde (contractuele) rentes begrepen in de vijf kwartaaltermijnen van respectievelijk 30 juni, 30 september, 31 december 2023, 30 maart en 30 juni 2024,

3.3.

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen € 9.605,00, zijnde de helft van de kosten van het deskundigenbericht,

3.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 1.207,86, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 20 augustus 2024 tot en met de dag van volledige betaling,

3.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.6.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.

1835

Artikel 6:228 lid 1 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Rb. Utrecht 19 november 2008, ECLI:NL:RBUTR:2008:BG5388, r.o. 3.2.

Artikel delen