Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBOVE:2026:2606

WW. Blijvende korting als zelfstandige gewerkte uren op WW-uitkering. WW juist toegepast. Beroep op vertrouwensbeginsel en evenredigheidsbeginsel slagen niet. Beroep ongegrond.

Rechtbank Overijssel 25 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOVE:2026:2606
text/xml
public
2026-05-25T18:00:21
2026-05-18
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Overijssel
2026-05-18
AK_25_3376
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Zwolle
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2606
text/html
public
2026-05-22T12:26:41
2026-05-25
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBOVE:2026:2606 Rechtbank Overijssel , 18-05-2026 / AK_25_3376

WW. Blijvende korting als zelfstandige gewerkte uren op WW-uitkering. WW juist toegepast. Beroep op vertrouwensbeginsel en evenredigheidsbeginsel slagen niet. Beroep ongegrond.

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/3376

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

gemachtigde: [gemachtigde].

1.1

Bij besluit van 4 september 2025 heeft het UWV eiser meegedeeld dat zijn uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 1 augustus 2025 lager wordt, omdat hij gedeeltelijk als zelfstandige werkt.

1.2

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dit besluit gebleven.

1.3

Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.4

De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser deelgenomen. De gemachtigde van het UWV heeft laten weten niet op de zitting aanwezig te zullen zijn.

2.1

Eiser heeft 36 uur per week gewerkt in dienst van de gemeente Haaksbergen. Daarnaast ontvangt hij ouderdomspensioen uit eerdere dienstbetrekkingen. Hij is werkloos geworden en heeft het UWV verzocht hem een WW-uitkering toe te kennen met ingang van 1 januari 2025. Bij besluit van 27 december 2024 heeft het UWV eiser met ingang van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2026, de dag voor de dag met ingang waarvan hij een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet zal ontvangen, een WW-uitkering toegekend.

2.2

Bij besluit van 20 januari 2025 heeft het UWV eiser toestemming gegeven voor een zogeheten onderzoeksperiode van 10 januari 2025 tot en met 31 januari 2025. Bij besluit van 20 januari 2025 heeft het UWV eiser toestemming gegeven voor een startperiode vanaf

1 februari 2025 tot en met 31 juli 2025. Vanaf 1 augustus 2025 is eiser gestart als zelfstandige.

2.3

Met de inkomstenopgave van 1 september 2025 heeft eiser het UWV meegedeeld dat hij in de maand augustus 2025 36 uren heeft gewerkt als zelfstandige. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

3.1

Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser met ingang van de maand augustus 2025 voor 36 uren per maand zijn werknemerschap heeft verloren. Hij heeft namelijk in de maand augustus 2025 36 uren gewerkt als zelfstandige. Eiser werkte in september 2025 minder, maar in wetgeving en vaste rechtspraak is bepaald dat eenmaal verloren uren alleen onder bepaalde voorwaarden herkregen kunnen worden. Eiser voldoet niet aan die voorwaarden.

3.2

Eiser stelt, kort samengevat, dat het UWV hem onvoldoende heeft geïnformeerd. Eiser vindt het disproportioneel dat de 36 uren die hij in augustus 2025 als zelfstandige heeft gewerkt blijvend worden gekort op zijn WW-uitkering. Volgens eiser dient toetsing plaats te vinden aan het evenredigheidsbeginsel.

Eiser heeft gewezen op de Memorie van Toelichting , Kamerstukken II 2013-2014, 33818, nr. 3, p. 131, en op de brief van het UWV van 27 augustus 2025. Hij is van mening dat over de maand september 2025 alleen het ene als zelfstandige gewerkte uur moet worden gekort op zijn WW-uitkering.

3.3

Het UWV ziet in het aangevoerde geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen. Het UWV heeft erop gewezen dat het werknemerschap ingevolge artikel 8, derde lid, van de WW alleen kan worden herkregen als vastgesteld is dat de zelfstandige zijn werkzaamheden volledig en definitief heeft beëindigd. Pas met ingang van 1 oktober 2025 is eiser volledig en definitief gestopt met zijn werkzaamheden als zelfstandige.

4. Artikel 8, eerste lid, van de WW bepaalt dat een persoon wiens dienstbetrekking geheel of gedeeltelijk is geëindigd, de hoedanigheid van werknemer behoudt, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd, behalve als die werkzaamheden worden aangemerkt als vrijwilligerswerk.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een persoon de hoedanigheid van werknemer in afwijking van het eerste lid behoudt, voor zover het aantal uren in een kalenderweek, waarop hij de werkzaamheden uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd, verricht niet hoger is dan het gemiddeld aantal uren per kalenderweek waarop hij deze werkzaamheden verrichtte in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het moment waarop de werkzaamheden in dienstbetrekking, waaruit de werknemer werkloos is geworden, eindigden.

Ingevolge het derde lid van artikel 8 van de WW herkrijgt een persoon, wiens werknemerschap geheel of gedeeltelijk is geëindigd door het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, bij de volledige beëindiging van die werkzaamheden de hoedanigheid van werknemer, indien de werkzaamheden worden beëindigd binnen een periode die gelijk is aan de uitkeringsduur, dan wel binnen anderhalf jaar, indien de uitkeringsduur korter is dan anderhalf jaar.

5. De rechtbank beoordeelt het besluit van het UWV om eisers WW-uitkering met ingang van 1 augustus 2025 blijvend te verlagen, omdat hij met ingang van die datum gedeeltelijk als zelfstandige werkt. Zij doet dat aan de hand van wat eiser in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

5.1

De rechtbank begrijpt de beroepsgronden aldus dat eiser van mening is dat het UWV de WW onjuist heeft toegepast en daarnaast een beroep doet op het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

De toepassing van de WW

5.2

Eiser heeft gewezen op een passage in de Memorie van Toelichting. De rechtbank stelt echter vast dat op dezelfde pagina die eiser noemt tevens is vermeld:

“Ten eerste kan het fictieve inkomen van degene die in een bepaalde kalendermaand als zelfstandige gaat werken, in de daaropvolgende kalendermaanden niet afnemen maar wel toenemen. Dit komt doordat de hoedanigheid van werknemer definitief verloren gaat als een werknemer als zelfstandige gaat werken, tenzij de werkzaamheden als zelfstandige geheel worden beëindigd (zie artikel 8, tweede lid, WW).”

Hieruit blijkt dat een zelfstandige zijn hoedanigheid van werknemer definitief verliest, als de werkzaamheden worden uitgebreid, tenzij de werkzaamheden als zelfstandige geheel worden beëindigd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding te oordelen dat het UWV artikel 8 van de WW onjuist heeft toegepast.

Het vertrouwensbeginsel

5.3

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Dit is vaste rechtspraak.

5.4

Niet is gebleken dat door of namens het UWV toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan waaruit eiser redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het UWV de door hem in augustus 2025 als zelfstandige gewerkte uren alleen in die maand zou korten op zijn WW-uitkering. Ook is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat het UWV eiser onvoldoende heeft geïnformeerd. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

5.4.1

De rechtbank stelt vast dat eiser bij besluit van 20 januari 2025, waarbij hem toestemming is gegeven voor de onderzoeksperiode, is geïnformeerd wat het vervolg is na de onderzoeksperiode. Daarbij heeft het UWV gewezen op informatie op de website van het UWV: uwv.nl/fictiefinkomen.

Daar is vermeld:

“Werkt u als zelfstandige? Dan trekken wij het hoogste aantal uur dat u in een maand werkt, blijvend van uw WW af. Als u in een maand meer werkt dan in andere maanden, dan gaan wij voor de berekening van het fictief inkomen bij de daaropvolgende maanden uit van dit aantal uren. U ontvangt dus niet meer WW als u tijdelijk minder uren als zelfstandige werkt.”

5.4.2

Gelet op 5.4.1, stelt de rechtbank vast dat eiser wel is geïnformeerd over de gevolgen van het werken van (meer) uren als zelfstandige. In het besluit van 4 september 2025 is de zin opgenomen: “Als u minder uren gaat werken als zelfstandige, krijgt u voor die uren geen WW-uitkering meer.” Kennelijk heeft eiser dit onjuist geïnterpreteerd. Naar het oordeel van de rechtbank had dit mogelijk wat duidelijker kunnen zijn geformuleerd maar bevat deze zin geen onjuiste informatie.

Het evenredigheidsbeginsel

5.5

De blijvende korting van als zelfstandige gewerkte uren op de WW-uitkering vloeit dwingend voort uit een wet in formele zin. Naar de huidige stand van de rechtsontwikkeling staan dan artikel 11 van de Wet algemene bepalingen en het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet in zijn algemeenheid in de weg aan toetsing aan algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel. Dat is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waardoor aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Gelet op hetgeen is vermeld in de Memorie van Toelichting, zoals weergegeven in 5.2, heeft de wetgever beoogd de hoedanigheid van werknemer definitief verloren te laten gaan als een werknemer als zelfstandige gaat werken, tenzij de werkzaamheden als zelfstandige geheel worden beëindigd. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheid naar voren gebracht die meebrengt dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege dient te blijven.

6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

7. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van

W. Veldman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

De uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:998 en van 28 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:617 en de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 30 april 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:4391.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559.

Zie de uitspraak van de CRvB van 13 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:769.

Zie de uitspraak van de CRvB van 19 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2622, r.o. 5.7 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, r.o. 9.11 e.v.

Artikel delen