Parkeerbelasting. Beroep ongegrond. Bewonersvergunning, kenteken niet aangemeld. Drie naheffingsaanslagen in één week tijd.
ECLI:NL:RBOVE:2026:2693
text/xml
public
2026-05-28T18:00:36
2026-05-21
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Overijssel
2026-05-21
ak_25_1552
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Zwolle
Bestuursrecht; Belastingrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2693
text/html
public
2026-05-22T15:47:54
2026-05-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBOVE:2026:2693 Rechtbank Overijssel , 21-05-2026 / ak_25_1552
Parkeerbelasting. Beroep ongegrond. Bewonersvergunning, kenteken niet aangemeld. Drie naheffingsaanslagen in één week tijd.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1552
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende
en
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 24 april 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende drie naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting opgelegd ter hoogte van € 79,95.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslagen gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 ter zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: [naam] namens de heffingsambtenaar. Belanghebbende en bovengenoemde gemachtigde zijn zonder afmelding niet verschenen.
2. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de naheffingsaanslagen op goede gronden heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Op 13, 15 en 18 januari 2025 stond de auto van belanghebbende met kenteken
[kenteken 1] geparkeerd op het Israel Emanuelplein in Hardenberg. Op deze parkeerplaats is betaald parkeren van toepassing.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende op het moment van het opleggen van de naheffingsaanslagen beschikte over een geldige bewonersvergunning. Aan deze vergunning kunnen meerdere kentekens worden gekoppeld, maar er kan slechts met één auto tegelijk geparkeerd worden op de vergunning. Op de bewonersvergunning van belanghebbende staan twee kentekens geregistreerd; [kenteken 1] en [kenteken 2]. Belanghebbende diende op het moment van parkeren via de 2Park-app aan te geven met welk kenteken hij parkeert. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende dit niet heeft gedaan, waardoor op 13, 15 en 18 januari 2025 geen van beide kentekens aangemeld stond.
6. Belanghebbende erkent dat er iets niet goed is gegaan met het registreren van het kenteken en dat dit voor zijn rekening komt. Hij stelt echter dat het een kleine, vergeeflijke fout betreft en dat hij het recht moet hebben om zich te vergissen. Belanghebbende stelt dat dit het ‘vergisrecht’ heet en dat dit binnenkort wordt gecodificeerd. Hoewel het nu nog geen wet is, zou het vergisrecht volgens belanghebbende ook langs artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen gelden. Burgers moeten een overkomelijke fout kunnen maken en het evenredigheidsbeginsel vergt dat een besluit als redelijk valt aan te merken. Hij stelt dat artikel 3:4 van de Awb voldoende basis vormt om – ook bij gebonden beschikkingen – een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting, te matigen/vernietigen. Het is volgens belanghebbende niet (meer) uit te leggen dat een belastingplichtige die wegens een kleine misser zijn of haar voertuig parkeert wordt geconfronteerd met drie naheffingsaanslagen met een totaalbedrag van een paar honderd euro. Belanghebbende wijst op twee uitspaken in dit kader en een artikel van Monsma die beschrijft dat artikel 234 van de Gemeentewet niet (meer) in overeenstemming is met het in de samenleving heersende rechtsgevoel, onder meer doordat de wijze van handhaving in de praktijk is gewijzigd en een parkeerbon niet meer achter de voorruit wordt gelegd maar een naheffingsaanslag niet zelden weken later pas op de post wordt verstuurd naar de kentekenhouder. Belanghebbende verzoekt de rechtbank om twee van de drie naheffingsaanslagen te vernietigen.
7. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de drie naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Belanghebbende is in correspondentie per post en e-mail duidelijk aangegeven wat hij moet doen wanneer twee kentekens gekoppeld zijn aan één bewonersvergunning. Hoewel de heffingsambtenaar begrijpt dat het in de praktijk kan voorkomen dat bepaalde handelingen worden vergeten of verkeerd worden uitgevoerd, is hij van mening dat in de situatie van belanghebbende geen sprake is van een eenvoudige vergissing waarvoor geen gevolgen zouden moeten gelden. De procedure rond het aanvragen en gebruiken van de bewonersvergunning is namelijk helder en uitgebreid toegelicht in de bijbehorende brieven, handleidingen en informatievoorziening van de gemeente. Specifiek is herhaaldelijk en nadrukkelijk aangegeven dat het de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder is om tijdig en correct een kenteken aan de vergunning te koppelen. De heffingsambtenaar deelt niet de mening dat het om een vergissing gaat, omdat de duidelijke instructies niet nageleefd werden. Dat is de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder. De heffingsambtenaar verwijst naar de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 8 april 2003 en de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 maart 2006. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel kan in dit geval volgens de heffingsambtenaar niet slagen, omdat de opgelegde naheffingsaanslag in redelijke verhouding staat tot het niet-naleven van duidelijke verplichtingen. En volgens vaste jurisprudentie is het toegestaan om voor elk afzonderlijk belastbare feit een naheffingsaanslag op te leggen, ook als dit op meerdere momenten gebeurt of binnen korte tijd. De jurisprudentie waarnaar belanghebbende verwijst is volgens de heffingsambtenaar niet vergelijkbaar met deze omstandigheden.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende het kenteken van de door hem geparkeerde auto had moeten aanmelden via de 2Park-app en dat belanghebbende dit niet heeft gedaan. In beroep erkent belanghebbende dat dit een fout is die voor zijn rekening komt. Zoals de heffingsambtenaar terecht stelt is belanghebbende meermaals geïnformeerd over de werking van de vergunning in het geval hieraan meerdere kentekens gekoppeld worden. Uit de overgelegde
e-mailcorrespondentie tussen belanghebbende en een medewerker van de afdeling Publieksdienst van de gemeente Hardenberg blijkt dat belanghebbende al op 2 december 2024 er op is gewezen dat hij gebruik diende te maken van de 2Park-app om het juiste kenteken aan te melden. Belanghebbende heeft daarnaast op 2 december 2024 een e-mail gekregen van de gemeente Hardenberg, waarin uitgelegd wordt dat belanghebbende moet werken met de 2Park-app.
9. Belanghebbende doet een beroep op het ‘vergisrecht’ en het evenredigheidsbeginsel. Dit beroep kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat sprake is geweest van een vergissing en dat belanghebbende niet de intentie had om in afwijking van de vergunningsvoorwaarden te parkeren, wijst de rechtbank er op dat de naheffingsaanslag geen straf is, maar een herstelmaatregel. De naheffingsaanslag is een objectieve belasting, waarbij opzet, schuld of verwijtbaarheid geen rol spelen. Volgens vaste rechtspraak is de naheffingsaanslag een gebonden beschikking, waarbij uit de wetgeving voortvloeit dat, indien een belastbaar feit zich voordoet, de parkeerbelasting en de aan het opleggen van de naheffingsaanslag verbonden kosten verschuldigd worden. Het is de rechtbank daarom (in beginsel) niet toegestaan om de wettelijke verplichting tot het opleggen van een naheffingsaanslag te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet heeft voorzien. Daarvan is in dit geval geen sprake.
10. Belanghebbende verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 april 2024. In die zaak ging het om een geval waarbij in een periode van ongeveer 9 weken meer dan 19 naheffingsaanslagen zijn opgelegd. De rechtbank heeft in dat geval geoordeeld dat de hoeveelheid en het totaalbedrag aan naheffingsaanslagen niet meer in verhouding stonden tot het doel van de heffing van parkeerbelasting (namelijk, parkeerregulering). De rechtbank is van oordeel dat dit niet te vergelijken valt met de drie naheffingsaanslagen die belanghebbende opgelegd heeft gekregen.
De vergelijking met de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 januari 2024 gaat niet op, omdat het hier ging om een geval waarbij de betreffende belanghebbende door een medewerker van de gemeente verkeerd was geïnformeerd over de manier waarop een kentekenwijziging kon worden doorgevoerd. Dat is in hier niet aan de orde.
11. De verwijzing van belanghebbende naar het artikel van Monsma treft geen doel, nu uit de foto die belanghebbende op 20 januari 2025 naar een medewerker van de afdeling Publieksdienst van de gemeente Hardenberg heeft gemaild blijkt dat in het geval van belanghebbende wel degelijk parkeerbonnen zijn achtergelaten bij de auto. Het is dus niet zo dat belanghebbende ‘pas weken later’ op de hoogte was van de naheffingsaanslagen.
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.M. Timmerman, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 januari 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:1073) en de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 april 2024 (ECLI:NL:RBZWB:2024:2979).
TFB 2023/3.
ECLI:NL:GHAMS:2003:BW2027.
ECLI:NL:RBUTR:2006:AV6402.
Hoge Raad 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535.