kortgeding; ontruiming; verstekvonnis.
ECLI:NL:RBOVE:2026:2768
text/xml
public
2026-05-27T18:00:32
2026-05-22
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Overijssel
2026-05-20
C/08/346243 / KG ZA 26-77
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
Kort geding
NL
Zwolle
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2768
text/html
public
2026-05-22T14:55:01
2026-05-27
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBOVE:2026:2768 Rechtbank Overijssel , 20-05-2026 / C/08/346243 / KG ZA 26-77
kortgeding; ontruiming; verstekvonnis.
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/346243 / KG ZA 26-77
Vonnis in kort geding van 20 mei 2026
in de zaak van
mr. [eiser], in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van erflater [erflater], geboren op [geboortedatum] 1946 en overleden op [overlijdensdatum] 2024, laatst wonende te [woonplaats 1],
kantoorhoudende te [kantoorplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: eiser of de vereffenaar,
advocaat: mr. P.F.A. Reichenbach,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: gedaagde of [gedaagde],
niet verschenen.
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in kort geding met bijbehorende producties (1 t/m 11)
de mondelinge behandeling van 13 mei 2026
1.2.
Op de mondelinge behandeling zijn eiser en zijn advocaat verschenen. Gedaagde is niet verschenen. Verder was aanwezig mevrouw [naam], werkzaam bij GGD IJsselland en als trajectbegeleider team VIA betrokken bij de begeleiding van gedaagde. De griffier heeft aantekeningen bijgehouden van hetgeen is besproken.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.1.
Gedaagde in deze procedure is zelf niet verschenen op de mondelinge behandeling van het kort geding. Wel is verschenen mevrouw [naam], die in haar hoedanigheid van trajectbegeleider bij de GGD gedaagde begeleidt. Zij verklaarde dat zij op de ochtend voorafgaand aan de mondelinge behandeling via Whatsapp contact heeft gehad met gedaagde en dat gedaagde haar heeft bericht dat hij het goed vond als zij naar de rechtbank zou gaan en namens hem uitleg zou geven over zijn situatie. Volgens de advocaat van eiser zou daarin een machtiging van gedaagde om hem in de procedure te vertegenwoordigen besloten liggen, maar de voorzieningenrechter gaat daar niet in mee. Artikel 255 Rv bepaalt dat de gedaagde in kort geding behalve bij advocaat ook in persoon kan procederen, maar niet vertegenwoordigd door een gemachtigde die geen advocaat is.
Het toepasselijke procesreglement bevat daar nog een aanvulling op: de gedaagde partij die in persoon verschijnt kan zich doen bijstaan door een persoon die geen advocaat is, maar de voorzieningenrechter kan dit weigeren op grond van de eisen van de goede procesorde. In dit geval staat vast dat gedaagde niet bij advocaat is verschenen en komt de voorzieningenrechter niet toe aan de laatste genoemde beoordeling aangezien gedaagde zelf niet is verschenen. De voorzieningenrechter zal daarom verstek tegen gedaagde verlenen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft mevrouw [naam] in de gelegenheid gesteld op de mondelinge behandeling inlichtingen over gedaagde te geven.
De toewijsbaarheid van de vorderingen
2.3.
Eiser treedt in deze procedure op in zijn hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van de vader van gedaagde. De vereffenaar heeft primair een veroordeling van gedaagde tot ontruiming van de woning uit de nalatenschap gevorderd en daarbij een aantal nevenvorderingen ingesteld, een en ander zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Eiser laat het in de vordering aan de voorzieningenrechter over om – bij toewijzing – de termijn te bepalen, waarbinnen gedaagde aan de veroordelingen moet voldoen.
2.4.
De vordering komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en de primaire vordering zal worden toegewezen met inachtneming van het volgende.
2.5.
De termijn waarop de gevorderde ontruiming moet plaatsvinden zal worden bepaald op uiterlijk 1 juli 2026. Daarmee heeft [gedaagde] na heden in ieder geval nog zes weken om zich van andere woonruimte voorzien. In dit verband acht de voorzieningenrechter van belang dat [gedaagde] reeds geruime tijd rekening heeft moeten houden met de mogelijkheid dat hij de woning zou moeten ontruimen. De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is. Verder wordt de datum voor het afleggen van rekening en verantwoording (waaronder opgave van de bankrekeningen van erflater) en het afgeven van de administratie van erflater (dat wil zeggen de administratie van erflater uit de periode van voor het overlijden en de administratie met betrekking tot erflater en diens nalatenschap uit de periode na overlijden tot aan de datum van de benoeming van de vereffenaar) bepaald op uiterlijk 3 juni 2026, zodat [gedaagde] na heden nog twee weken de tijd heeft om het voldoen aan die veroordelingen voor te bereiden. De datum voor de afgifte van de tot de nalatenschap behorende roerende zaken (inboedel van erflater) die zich in de woning bevinden, wordt bepaald op uiterlijk 1 juli 2026, zodat die datum samenvalt met de datum waarop gedaagde de woning ontruimd moet hebben.
2.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de vereffenaar worden begroot op:
– kosten van de dagvaarding
€
146,14
– griffierecht
€
341,00
– salaris advocaat
€
760,00
– nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.436,14
2.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.1.
verleent verstek tegen de niet verschenen partij [gedaagde],
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om de woning van erflater gelegen aan de [adres] uiterlijk op 1 juli 2026 te ontruimen en ontruimd te houden, met al het zijne en de zijnen, en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking te stellen aan de vereffenaar,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk op 3 juni 2026:
aan de vereffenaar volledige rekening en verantwoording af te leggen van zijn beheer en gebruik van goederen die behoren tot de nalatenschap, en
alle tot de nalatenschap behorende administratie, bescheiden en overige relevante documenten aan de vereffenaar af te geven,
3.4.
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk op 1 juli 2026:
– alle tot de nalatenschap van erflater behorende roerende zaken (inboedel) die zich in de woning bevinden, voor zover deze niet [gedaagde] eigendom betreffen, aan de vereffenaar af te geven dan wel ter beschikking te stellen,
3.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.436,14, te betalen binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening van dit vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 1.534,14 (dat is het totaal van de proceskosten plus voornoemd bedrag van € 98,00) plus de kosten van betekening, vanaf de vijftiende dag na betekening,
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026. (ap)
Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken, artikel 10.2