WIA. Zorgvuldigheid van de beoordeling. Datum in geding. Verzekeringsgeneeskundig- en arbeidskundige beoordeling. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht heeft besloten dat eisers met ingang van 1 december 2023 (datum in geding) geen recht heeft op een WIA-uitkering
ECLI:NL:RBOVE:2026:4741
text/xml
public
2026-08-04T11:48:34
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Overijssel
2026-07-13
ZWO 26/632
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:4741
text/html
public
2026-08-04T11:48:15
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBOVE:2026:4741 Rechtbank Overijssel , 13-07-2026 / ZWO 26/632
WIA. Zorgvuldigheid van de beoordeling. Datum in geding. Verzekeringsgeneeskundig- en arbeidskundige beoordeling.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht heeft besloten dat eisers met ingang van 1 december 2023 (datum in geding) geen recht heeft op een WIA-uitkering
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/632
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , (hierna: [eiser] )
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),
gemachtigde: [gemachtigde] .
Deze uitspraak gaat over een afwijzing van een WIA-uitkering. [eiser] is het daar niet mee eens en voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de WIA-uitkering terecht heeft afgewezen. [eiser] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1. [eiser] was sinds juni 2023 werkzaam als medewerker kinderdagverblijf voor gemiddeld 24 uur per week bij [bedrijf] in [vestigingsplaats] in Duitsland. Op 23 september 2023 heeft zij zich ziek gemeld en zij is sindsdien minder uren gaan werken. Toen ook dat niet meer ging is zijn in februari 2024 gestopt met werken.
1.1.
Met het besluit van 5 augustus 2025 heeft het UWV geen WIA-uitkering toegekend. Met het bestreden besluit van 8 januari 2026 op het bezwaar van [eiser] is het UWV bij de afwijzing gebleven. [eiser] heeft vervolgens beroep ingesteld.
1.2.
Het UWV heeft op 6 maart 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Op 12 en 17 maart 2026 zijn aanvullende beroepsgronden ingediend. In reactie daarop heeft het UWV een rapport van 5 mei 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) overgelegd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , haar gemachtigde en de gemachtigde van het UWV. Ook de partner van [eiser] was aanwezig.
Standpunt van het UWV
2. Volgens het UWV heeft [eiser] met ingang van 1 december 2023 geen recht op een WIA-uitkering omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage dat is bepaald door middel van de vaststelling van de restverdiencapaciteit minder is dan 35%. Vanwege haar gezondheidsklachten en beperkingen kan zij haar functie als medewerker kinderdagverblijf niet meer verrichten, maar zij kan wel in staat worden geacht om de voorbeeldfuncties productiemedewerker industrie (samenstellen van producten), inpakker (handmatig) en telefonisch verkoper (outbound) te verrichten. Door het middelste uurloon van deze functies te vergelijken met het uurloon dat zij verdiende als medewerker kinderdagverblijf is de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 22,85%. Hiervoor baseert het UWV zich op rapporten van de arts en de verzekeringsarts B&B, de functionele mogelijkhedenlijst (FML) en het rapport van de arbeidsdeskundige B&B.
3. [eiser] stelt dat de verzekeringsarts B&B tijdens het spreekuur ten onrechte geen lichamelijk onderzoek heeft verricht en dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. De verzekeringsarts B&B heeft de informatie van de huisarts en de medische specialisten onvoldoende meegewogen, terwijl daaruit blijkt dat [eiser] sinds augustus 2023 aanhoudende pijnklachten heeft in aan de linker kan van haar onderbuik. De aanvankelijke focus op een gynaecologische oorzaak heeft uiteindelijk plaatsgemaakt voor een verklaring in de vorm van ACNES / neuropathische buikwandpijn, waarna zij een intensief pijn en chirurgisch traject heeft gevolgd. Desondanks zijn slechts lichte beperkingen vastgesteld in de FML.
3.1.
Ook voert [eiser] aan dat haar gezondheidsklachten zijn onderschat, terwijl zij tijdens het gesprek met de verzekeringsarts B&B duidelijk heeft verteld dat zij ernstige beperkingen ervaart bij zitten, staan, lopen, tillen, dragen, huishoudelijke activiteiten, zelfzorg, fietsen en bij geconcentreerd werken. Volgens [eiser] is onvoldoende rekening gehouden met de persisterende en invaliderende pijn die zij ervaart. Ook zijn de slaapproblemen, de psychische klachten en het medicatiegebruik met de bijwerkingen onvoldoende meegewogen. Daarnaast stelt [eiser] dat ten onrechte geen urenbeperking is vastgesteld, terwijl daar vanwege energetische en preventieve gronden wel redenen voor waren. De hierover gegeven motivering van de verzekeringsarts B&B ziet niet op haar concrete medische situatie.
3.2.
Verder wijst [eiser] op het feit dat de primaire arts twee FML-en heeft opgesteld. Eén per 30 november 2023 en één per 17 juli 2025. Dit is volgens [eiser] niet onlogisch, omdat tussen 2023 en 2025 verschillende behandelingen zijn geweest en een operatie in september 2024. Dit kan aanleiding zijn om de belastbaarheid in 2025 anders te beoordelen, maar dat betekent niet dat de FML per datum in geding juist is vastgesteld. Tijdens de zitting heeft [eiser] verzocht om een onafhankelijk deskundige te benoemen. Verder stelt zij dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn, vanwege haar buikklachten en het langdurig zitten, lopen en staan dat met deze functies gepaard gaat.
4. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht heeft besloten dat [eiser] met ingang van 1 december 2023 (datum in geding) geen recht heeft op een WIA-uitkering. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het uurloon dat een betrokkene in zijn of haar laatste werk verdiende, te vergelijken met het uurloon dat hij of zij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Het UWV moet zich daarvoor dan ook baseren op rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. Deze rapporten moeten aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch volgen uit de rapporten.
Zorgvuldigheid van het onderzoek
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts B&B heeft kunnen afzien van een lichamelijk onderzoek tijdens het spreekuur op 9 december 2025. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
4.3.
Het spreekuur bij de primaire arts waarbij lichamelijk onderzoek is gedaan, heeft plaatsgevonden op 17 juli 2025. De onderzoeksbevindingen zijn vermeld in het rapport van 31 juli 2025 en dat rapport is getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts.
4.4.
In de situatie – zoals hier aan de orde – waarin de medische grondslag van het besluit gemotiveerd wordt betwist en waarin er in de primaire fase geen spreekuurcontact is geweest met een geregistreerde verzekeringsarts geldt als uitgangspunt dat er in de bezwaarfase een spreekuurcontact plaatsvindt met een verzekeringsarts. Hiervan kan in beginsel slechts worden afgezien als de verzekeringsarts B&B voldoende kan motiveren dat een spreekuurcontact in het licht van de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie, geen toegevoegde waarde heeft.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts B&B navolgbaar heeft gemotiveerd dat een lichamelijk onderzoek tijdens het spreekuur op 9 december 2025 geen meerwaarde had. Bij het spreekuur op 17 juli 2025 was al onderzoek gedaan en de bevindingen daarvan zijn beschreven. Ook ligt de datum in geding twee jaar in het verleden. Daarnaast is tijdens het spreekuur van de verzekeringsarts B&B duidelijk geworden dat de gezondheidssituatie na 1 december 2023 is veranderd, omdat de lichamelijke klachten zijn toegenomen. Een lichamelijk onderzoek zou ook om die reden geen meerwaarde hebben. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts B&B daarnaast ook navolgbaar heeft gewezen op het consultverslag van 24 november 2023 (dichtbij de datum in geding) van de huisarts, omdat daaruit blijkt dat bij lichamelijk onderzoek nauwelijks tot geen afwijkingen zijn geconstateerd.
4.6.
De rechtbank is ook van oordeel dat de verzekeringsarts B&B duidelijk heeft toegelicht waarom er destijds door de primaire arts twee FML-en zijn opgesteld. Uit het rapport van de arts blijkt dat dat is gedaan, omdat de arts kennelijk had begrepen dat de medische situatie in 2025 verbeterd was ten opzichte van december 2023. Tijdens de bezwaarprocedure is duidelijk geworden dat dat nu juist niet het geval is.
Verzekeringsgeneeskundige beoordeling
4.7.
In het rapport van 31 juli 2025 concludeert de arts dat [eiser] vanwege de buikklachten beperkt is in haar functioneren. Daarom zijn in de FML van 31 juli 2025 beperkingen vastgesteld voor: trillingsbelasting, buigen, tillen, dragen, lopen,
zitten en staan. Volgens de arts is [eiser] aangewezen op werk waarbij sprake is van een lichte fysieke inspanning en een werkomgeving met afwisseling in taken en houdingen.
4.8.
In het rapport van 9 december 2025 concludeert de verzekeringsarts B&B dat de belastbaarheid juist is vastgesteld. Uit de medische informatie blijkt dat [eiser] in september 2023 uitgevallen is vanwege buikpijnklachten, aanvankelijk gerelateerd aan een grote ovariumcyste. Hoewel de cyste later barstte persisteerden de buikpijnklachten. De gynaecoloog kon geen verklaring voor deze klachten vinden en [eiser] werd doorverwezen naar de MDL-arts. Deze arts dacht aan ACNES waarvoor zij doorverwezen werd naar de chirurg. Deze chirurg bevestigde de diagnose, waarna een behandeling met injecties plaatsvond. In september 2024 vond een operatie (neurectomie) plaats. Tijdens het spreekuur in bezwaar is aangegeven dat de buikpijnklachten in eerste instantie verbeterden maar later heviger terugkwamen. De uitgebreide behandeling via de pijnpoli en fysiotherapie leverde onvoldoende effect op. Voor haar psychische klachten volgde [eiser] voor het laatst in 2021 een psychische behandeling. In 2022 en 2023 heeft zij geen psychologische begeleiding of behandeling gehad.
4.9.
Volgens de verzekeringsarts B&B is met de vastgestelde beperkingen in de FML in voldoende mate tegemoetgekomen aan de medische problemen die op 1 december 2023 aanwezig waren. Daarmee is [eiser] aangewezen op fysiek licht belastende arbeid. De informatie die tijdens de bezwaarprocedure is overgelegd en het spreekuur geven geen aanleiding om de beoordeling te wijzigen. Te meer omdat [eiser] ondanks de ervaren pijnklachten in december 2023 nog aan het werk was in het kinderdagverblijf en ook thuis nog van alles deed zoals boodschappen en alle onderdelen van het huishouden in één keer.
4.10.
[eiser] heeft tijdens de bezwaarprocedure meerdere keren gemeld dat de buikpijnklachten na 2023 sterk zijn toegenomen waardoor zij meer beperkingen ervaart in het dagelijks functioneren, met name na de operatie in september 2024. Ook heeft zij aangegeven dat haar psychische klachten weer op gingen spelen nadat zij volledig gestopt is met werken in februari 2024. Uiteindelijk is zij in oktober/november 2025 gestart met gesprekken bij de POH-GGZ. Volgens de verzekeringsarts B&B kunnen deze toegenomen buikpijnklachten en de psychische klachten in 2024/2025 niet worden meegenomen bij deze beoordeling, omdat de datum in geding van 1 december 2023 is. Daarom heeft de verzekeringsarts B&B de mogelijkheid genoemd om een melding van verslechtering van de gezondheid te doen, zodat de toegenomen klachten na 1 december 2023 wel beoordeeld kunnen worden.
4.11.
De rechtbank is van oordeel dat het rapport van de verzekeringsarts B&B inzichtelijk en navolgbaar is. De medische informatie over de buikklachten is bij de beoordeling betrokken en de beperkingen die zijn vastgesteld zijn goed gemotiveerd. De rechtbank is niet gebleken dat die beoordeling onjuist is geweest en twijfelt dan ook niet. Daarom ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een deskundige in te schakelen. Het standpunt dat ten onrechte slechts lichte beperkingen zijn vastgesteld en onvoldoende rekening is gehouden met de medische informatie, slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat ook in het aanvullende rapport van 5 mei 2026 navolgbaar is gemotiveerd dat bij de beoordeling is gekeken naar de medische informatie rondom de datum in geding, zoals de informatie van 24 november 2023 van de huisarts en van 4 januari 2024 van de MDL-arts. Daarnaast is rekening gehouden met dat wat [eiser] zelf heeft gezegd over haar gezondheidsklachten en functioneren. Het standpunt dat onvoldoende rekening is gehouden met medicatiegebruik slaagt mede om die reden ook niet. In 2023 gebruikte [eiser] nog paracetamol en ibuprofen en pas na datum in geding ging zij zware pijnstillers gebruiken. Ook is niet gebleken dat in 2023 sprake was van (ernstige) slaapproblemen of dat toen al psychische klachten speelden. Het standpunt dat ten onrechte geen urenbeperking is vastgesteld op energetische en preventieve gronden, slaagt ook niet. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts B&B navolgbaar heeft gemotiveerd dat daar geen aanleiding voor is, omdat daar op grond van de richtlijn Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid geen aanleiding voor was. Er is geen sprake van een indicatie voor een stoornis in de energiehuishouding, omdat [eiser] op de datum in geding niet bekend was met een aandoening die zorgt voor een groot tekort aan energie, een te groot energieverbruik of verminderde mogelijkheden tot recuperatie. Ondanks de pijnklachten die zij ervoer had zij rondom de datum in geding nog een redelijk gevuld dagverhaal, werkte zij nog 20 uur per week en deed zij huishoudelijke taken. Ook is er geen indicatie voor een urenbeperking op preventieve gronden, omdat passende arbeid niet tot schade aan haar gezondheid zou leiden. Met de vastgestelde beperkingen is [eiser] aangewezen op fysiek licht belastende arbeid, waarmee voldoende tegemoet is gekomen aan haar gezondheidsklachten.
Arbeidskundige beoordeling
4.12.
De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige B&B in het rapport van
15 december 2025 inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de functies productiemedewerker industrie (samenstellen van producten), inpakker (handmatig) en telefonisch verkoper (outbound) passend zijn per datum in geding. Daarnaast zijn nog twee reservefuncties geselecteerd: administratief ondersteunend medewerker en baliemedewerker. De functies zijn passend binnen de belastbaarheid zoals die is vastgesteld in de FML. Uit de resultaat functiebeoordeling blijkt dat bij de functies inpakker en telefonisch verkoper geen signaleringen van mogelijke overschrijding van de belastbaarheid zijn. Daarom slagen de daartegen aangevoerde beroepsgronden over zitten, lopen en staan in combinatie met de buikklachten niet. De signalering bij gebogen en getordeerd actief zijn (item 5.6) in de functie productiemedewerker is voldoende gemotiveerd. Daarnaast heeft de arbeidsdeskundige B&B navraag gedaan bij de arbeidsdeskundig analist over het item zitten tijdens werk en is voldoende gemotiveerd dat in de functies sprake is van de mogelijkheid om tussendoor te veranderen van zithouding. Ook om die reden is de rechtbank van oordeel dat de functies passend zijn. Door vervolgens het middelste uurloon (€ 14,28) van de drie functies te vergelijken met het uurloon (€ 18,51) dat [eiser] verdiende als medewerker kinderdagverblijf is de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 22,85%. Omdat dit minder is dan 35% heeft het UWV terecht besloten dat [eiser] per 1 december 2023 geen recht heeft op een WIA-uitkering.
5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. Daarom krijgt zij het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van proceskosten.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB, 8 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1936