Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Kenbaarheidsvereiste. Onderzoeksplicht. Belanghebbende voert aan dat hij de borden ‘betaald parkeren’ niet heeft kunnen zien, omdat er die avond op meerdere plekken vrachtwagens voor de borden stonden. De rechtbank is van oordeel dat het voor belanghebbende voldoende kenbaar was dat hij voor het parkeren aan de Boxbergerweg te Deventer parkeerbelasting moes...
ECLI:NL:RBOVE:2026:4742
text/xml
public
2026-08-04T11:50:04
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Overijssel
2026-07-13
ZWO 25/599
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Zwolle
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:4742
text/html
public
2026-08-04T11:49:29
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBOVE:2026:4742 Rechtbank Overijssel , 13-07-2026 / ZWO 25/599
Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Kenbaarheidsvereiste. Onderzoeksplicht.
Belanghebbende voert aan dat hij de borden ‘betaald parkeren’ niet heeft kunnen zien, omdat er die avond op meerdere plekken vrachtwagens voor de borden stonden.
De rechtbank is van oordeel dat het voor belanghebbende voldoende kenbaar was dat hij voor het parkeren aan de Boxbergerweg te Deventer parkeerbelasting moest voldoen.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/599
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer in de zaak tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de Reg. Belastingsamenwerking Deventer, Olst-Wijhe en Raalte, gemachtigde: [gemachtigde].
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 16 januari 2025.
1.1
De heffingsambtenaar heeft op 30 november 2024 aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd van € 78,-.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.
2. Op 29 oktober 2024 om 19.31 uur stond de auto met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de Boxbergerweg te Deventer. Tijdens een controle op voornoemde datum en tijdstip is geconstateerd dat voor de auto geen geldig parkeerrecht bestond. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag van € 78,- opgelegd, bestaande uit € 1,30 aan tariefkosten en € 76,70 aan kosten voor de naheffingsaanslag.
3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is en licht dit als volgt toe.
3.2.
Belanghebbende voert aan dat hij de borden ‘betaald parkeren’ niet heeft kunnen zien, omdat er die avond op meerdere plekken vrachtwagens voor de borden stonden. Daardoor heeft hij bij het inrijden van de Boxbergerweg en ook bij het uitstappen van zijn auto geen borden gezien.
3.3.
Ter onderbouwing heeft belanghebbende drie foto’s overgelegd van een andere auto waarvan de bestuurder de borden ook niet heeft gezien en ook een naheffingsaanslag heeft ontvangen. Ook voert belanghebbende aan dat de foto die in de uitspraak op bezwaar staat niet is terug te vinden via Google Maps.
3.4.
De heffingsambtenaar stelt dat de parkeerregels aan de Boxbergerweg via verschillende borden en parkeerautomaten kenbaar worden gemaakt. Ter onderbouwing heeft de heffingsambtenaar foto’s overgelegd van zes borden en een kaart met daarop de locaties van meerdere parkeerautomaten aan de Boxbergerweg. Volgens de heffingsambtenaar had belanghebbende daarnaast meer inspanning moeten verrichten om te onderzoeken of het ging om betaald parkeren. Verder is de in de uitspraak op bezwaar opgenomen foto van het bord ‘betaald parkeren’ – anders dan belanghebbende stelt – wel vindbaar via Google Maps.
4. De rechtbank overweegt dat over de verschuldigdheid van parkeerbelasting voor het parkeren van een auto redelijkerwijs geen misverstand mag bestaan. Van de heffingsambtenaar mag worden verwacht dat, bijvoorbeeld door middel van duidelijke bebording bij de parkeerplaats of in de naaste omgeving daarvan, het ter plaatse geldende parkeerregime voldoende duidelijk is gemeld en dat ook duidelijk is hoe de parkeerder de verschuldigde belasting kan voldoen (kenbaarheidsvereiste).
4.1.
Tegenover dit kenbaarheidsvereiste staat dat van een parkeerder mag worden verwacht dat hij zich via de geboden informatie op de hoogte stelt van de geldende regels met betrekking tot de verschuldigdheid van parkeerbelasting in het gebied waar hij wenst te parkeren en de wijze waarop hij daar vervolgens aan moet voldoen (onderzoeksplicht).
4.2.
In geschil is of het voor belanghebbende voldoende kenbaar was dat hij voor het parkeren aan de Boxbergerweg te Deventer parkeerbelasting moest voldoen. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar in zijn verweerschrift heeft aangetoond dat op verschillende plekken langs de Boxbergerweg borden aanwezig zijn waarop het ‘betaald parkeren’ regime kenbaar wordt gemaakt. Verder blijkt uit overgelegde kaart dat er verschillende parkeerautomaten in de buurt van de plek zijn waar belanghebbende parkeerde. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar voldoende duidelijk heeft gemaakt dat het voor belanghebbende kenbaar was dat aan de Boxbergerweg betaald parkeren beleid geldt.
4.3.
Dat parkeerborden door stilstaande vrachtwagens niet te zien waren, zoals belanghebbende stelt, doet hier niets aan af. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat belanghebbende niet de enige automobilist was die het bord ‘betaald parkeren’ niet heeft opgemerkt. Zoals hiervoor is overwogen, is op verschillende plekken aan de Boxbergerweg door middel van borden duidelijk kenbaar gemaakt dat voor parkeren betaald moet worden en staan er meerdere parkeerautomaten. Van belanghebbende mag worden verwacht dat hij enige inspanning verricht nadat hij heeft geparkeerd om zich ervan te vergewissen of er daar ter plekke een betaald parkeren beleid geldt, bijvoorbeeld door via een korte wandeling na te gaan of zich buiten zijn directe zichtveld en achter de vrachtwagens een bord of een parkeerautomaat bevindt of bijvoorbeeld bij het inrijden van het gebied rond te kijken of dergelijk beleid geldt. De rechtbank is van oordeel van oordeel dat belanghebbende niet aan deze onderzoeksplicht heeft voldaan. Daarom slaagt het beroep niet.
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt en dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het door hem betaalde griffierecht niet terug.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie onder meer de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10028.