Aanslag watersysteemheffing en zuiveringsheffing. Waterschap Drents Overijsselse Delta. Ongegrond beroep.
ECLI:NL:RBOVE:2026:4743
text/xml
public
2026-08-04T11:52:04
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Overijssel
2026-07-13
ZWO 24/3908
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Zwolle
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:4743
text/html
public
2026-08-04T11:51:42
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBOVE:2026:4743 Rechtbank Overijssel , 13-07-2026 / ZWO 24/3908
Aanslag watersysteemheffing en zuiveringsheffing. Waterschap Drents Overijsselse Delta. Ongegrond beroep.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/3908
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer in de zaak tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], (hierna: belanghebbende)
en
de heffingsambtenaar van het gemeenschappelijk belastingkantoor Lococensus-Tricijn (GBLT), gemachtigde: [gemachtigde].
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde waterschapsbelastingen. Met het besluit van 31 juli 2023 is voor het belastingjaar 2023 voor het adres [adres] een aanslag waterschapsbelastingen opgelegd van in totaal
€ 547,02. Het gaat daarbij om de watersysteemheffing ingezetenen, zuiveringsheffing en de watersysteemheffing gebouwd. De heffingsambtenaar heeft deze aanslag opgelegd voor het waterschap Drents Overijsselse Delta (hierna: het Waterschap).
1.1.
Met het bestreden besluit van 4 oktober 2024 zijn de bezwaren tegen de aanslagen zuiveringsheffing en watersysteemheffing ingezetenen ongegrond verklaard. Daarbij is vermeld dat op het bezwaar tegen de watersysteemheffing gebouwd nog niet kan worden beslist, omdat de WOZ-waarde die ten grondslag ligt aan de belastingaanslag nog niet onherroepelijk vaststaat.
1.2.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld en op 2 februari 2025 aanvullende beroepsgronden ingediend. Op 26 november 2025 is een aanvullende reactie overgelegd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op 30 april 2026 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Belanghebbende heeft op 23 mei 2026 gereageerd op het verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.
2. De aanslag watersysteemheffing ingezetenen is gebaseerd op de Verordening watersysteemheffing Waterschap Drents Overijsselse Delta 2023.
2.1.
De kostentoedeling is gebaseerd op de Kostentoedelingsverordening watersysteemheffing Waterschap Drents Overijsselse Delta 2021 (geldend tot en met
31 december 2023).
2.2.
De aanslag zuiveringsheffing is gebaseerd op de Verordening zuiveringsheffing Waterschap Drents Overijsselse Delta 2023.
2.3.
De begroting 2023 van het Waterschap is op 1 november 2022 door de vergadering van het algemeen bestuur van het Waterschap vastgesteld.
3. Belanghebbende stelt dat er financiële verwevenheid is tussen het Waterschap en de Omgevingsdienst IJsselland en dat hij niet in staat is gesteld om te beoordelen of het belastinggeld dat het Waterschap ontvangt (mede) wordt gebruikt voor de afwikkeling van oneigenlijkheden die in 2023 bij die Omgevingsdienst zijn geconstateerd. In december 2023 zijn door het Huis voor klokkenluiders oneigenlijkheden vastgesteld. Belanghebbende stelt dat niet inzichtelijk is gemaakt dat de gevolgen daarvan niet op de belastingbetaler worden afgewenteld of uitgesmeerd, omdat niet alle informatie is overgelegd. Het gaat daarbij om de informatiebronnen, adviezen en draaiboeken, stukken van intern overleg, verwerkingssystemen en logsystemen. Volgens belanghebbende mogen de financiële belangen niet worden verwerkt bij de tariefvaststelling van de verordening. Ook is niet op alle bezwaargronden ingegaan. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft belanghebbende zes bijlagen overgelegd.
3.1.
Ook verzoekt belanghebbende om de financieel deskundige van het Waterschap, die naast de gemachtigde van de heffingsambtenaar ook aanwezig was bij de telefonische hoorzitting, als getuige op te roepen. Hiermee wil hij toetsen hoe de hoorzitting is voorbereid, hoe de vorming van de standpuntbepaling plaatsvond, welke informatie daarbij is gebruikt en wat tijdens de bespreking met deze derde heeft plaatsgevonden.
3.2.
Ook voert belanghebbende aan dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden, omdat in het bestreden besluit een nog openstaand bedrag van € 164,11 is vermeld, terwijl de heffingsambtenaar zelf niet bevoegd is om betalingsverplichtingen te raadplegen. Verder voert belanghebbende aan dat de heffingsambtenaar een dwangsom verschuldigd is, omdat kort gezegd is nagelaten om het verzuim wegens onbehandelde bezwaargronden te herstellen.
4. Volgens de heffingsambtenaar zijn de aanslagen voor watersysteemheffing ingezetenen en zuiveringsheffing voor het belastingjaar 2023 terecht opgelegd. Daarnaast zijn tijdens de bezwaarfase alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Ook heeft belanghebbende niet gemotiveerd gesteld waarom er naar zijn oordeel ten aanzien van de door belanghebbende genoemde begrotingsposten redelijke twijfel bestaat of dat sprake is van een last ter zake.
4.1.
Belanghebbende heeft op geen enkele wijze duidelijk gemaakt waarom het rapport van Huis voor de klokkenluiders in deze zaak van belang is. Dat rapport gaat over de Omgevingsdienst IJsselland en niet over het Waterschap. Het Waterschap wordt ook niet genoemd in het rapport. Het Waterschap is ook geen deelnemer van de Omgevingsdienst, zodat de financiën van het Waterschap daar niet mee verweven zijn. Daarom is volstrekt onduidelijk waarom de bevindingen van het Huis voor klokkenluiders er toe (zouden kunnen) leiden dat ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een last ter zake.
5. De rechtbank is van oordeel dat de aanslagen voor watersysteemheffing ingezetenen en zuiveringsheffing voor het belastingjaar 2023 terecht zijn opgelegd. De rechtbank licht dat als volgt toe.
Opbrengstlimiet
5.1.
De watersysteemheffing en de zuiveringsheffing zijn decentrale bestemmingsheffingen en kennen net als alle andere decentrale bestemmingsheffingen een winstverbod (opbrengstlimiet). De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden, de bewijsregels van belang zijn zoals deze door de Hoge Raad in een aantal arresten zijn vastgelegd. Die regels kunnen als volgt worden samengevat.
5.2.
Uitgangspunt is dat de bewijslast ten aanzien van de feitelijke onderbouwing van het beroep op limietoverschrijding op belanghebbende rust. Indien belanghebbende overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde stelt, ligt het op de weg van de heffingsambtenaar om inzicht te verschaffen in de raming van de baten en de lasten die in de begroting zijn opgenomen. Hierbij hoeft niet ten aanzien van alle in de begroting opgenomen posten zekerheid of een volledig inzicht te bestaan. Van de heffingsambtenaar mag niet worden verlangd dat hij van alle in de verordening en de bijbehorende tarieventabel genoemde diensten afzonderlijk en op controleerbare wijze vastlegt hoe de kosten ter zake daarvan zijn geraamd. Omdat de bewijslast van de feiten die de overschrijding van de opbrengstlimiet onderbouwen op belanghebbende rust, moet hij, nadat de heffingsambtenaar inzicht heeft verschaft, voldoende gemotiveerd stellen waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een last ter zake. Vervolgens dient de heffingsambtenaar voor die posten nadere inlichtingen te verschaffen. Aan die inlichtingen mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat de heffingsambtenaar naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de stellingen van belanghebbende betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is. Indien belanghebbende vervolgens stelt dat de in deze inlichtingen begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn, komt bewijslevering aan de orde en draagt belanghebbende de bewijslast. Na bewijslevering dient de rechter, uitgaande van de feiten die hij bewezen acht, de rechtsvraag te beantwoorden welke posten kunnen worden beschouwd als een last ter zake en in het licht daarvan te beoordelen of de opbrengstlimiet is overschreden.
5.3.
De rechtbank hecht eraan om te vermelden dat zij beoordeelt of de heffingsambtenaar in overeenstemming met deze regels heeft gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is geweest. De heffingsambtenaar heeft tijdens de bezwaarprocedure informatie overgelegd, de regels gevolgd en met een verwijzing naar de bewijslastverdeling beslist op het bezwaar.
5.4.
In beroep stelt belanghebbende kort gezegd dat niet alle informatie is overgelegd en dat hij daardoor niet in staat is gesteld om te beoordelen of het belastinggeld dat het Waterschap ontvangt (mede) wordt gebruikt voor de afwikkeling van oneigenlijkheden die in 2023 bij de Omgevingsdienst zijn geconstateerd. Op 5 december 2023 heeft de heffingsambtenaar de begrotingsinformatie overgelegd. Vervolgens is meerdere keren gevraagd aan belanghebbende om aan te melden op welke punten de opbrengstlimiet zou zijn overschreden en/of ten aanzien van welke posten in de raming redelijke twijfel bestaat of deze een last ter zake zijn. Ook zijn in aanloop naar de hoorzitting antwoorden gegeven op de vragen en daarbij is ook verzocht om de vragen en stellingen te verduidelijken. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar een financieel specialist ingeschakeld bij de telefonische hoorzitting om vragen van belanghebbende te kunnen beantwoorden. Desondanks heeft belanghebbende geen posten benoemd waar volgens hem redelijke twijfel over bestaat.
5.5.
Ten aanzien van de op de zaak betrekking hebbende stukken oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met betrekking tot de broninformatie terecht heeft gewezen op artikel 3.1 en 3.2. van de Wet basisregistratie personen en de Basisregistratie WOZ. Ook is navolgbaar toegelicht dat er geen adviezen, draaiboeken en stukken van intern beraad zijn. Voorafgaand aan de hoorzitting heeft wel communicatie plaatsgevonden tussen de deelnemers aan de hoorzitting, maar de heffingsambtenaar heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dat geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, die gaan over de aanslagen voor watersysteemheffing ingezetenen en zuiveringsheffing voor het belastingjaar 2023. Dit waren uitnodiging(en) voor de hoorzitting en ter voorbereiding zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken gedeeld met de financieel specialist. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende onvoldoende heeft gemotiveerd dat ook die stukken gedeeld hadden moeten worden, omdat daarover enkel is aangevoerd dat niet is vast te stellen of die informatie van enig belang zou kunnen zijn. Anders dan belanghebbende lijkt te stellen is het gelet op het hiervoor genoemde toetsingskader ook niet zo dat de heffingsambtenaar verplicht is om alle informatie te overleggen die door belanghebbende wordt verzocht.
5.6.
Eerst ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat twijfel bestaat of een deel van de begrote kosten zijn aangewend om oneigenlijkheden die bij de Omgevingsdienst zijn geconstateerd te dekken en daarmee de kosten daarvan op de belastingbetaler worden afgewenteld. De heffingsambtenaar heeft daarop gereageerd dat het Waterschap en de Omgevingsdienst gescheiden overheidsinstanties zijn. Het Waterschap is geen deelnemer van de Omgevingsdienst en de financiën zijn dan ook niet met elkaar verweven. Daarom blijkt dat ook niet uit de overgelegde begrotingsinformatie en is het ook om die reden onmogelijk om daarover informatie te geven. Belanghebbende heeft vervolgens gesteld dat aan dat antwoord van de heffingsambtenaar getwijfeld kan worden. Deze stelling heeft hij echter onvoldoende onderbouwd, terwijl op hem de bewijslast rust.
5.7.
De rechtbank is ook overigens van oordeel dat belanghebbende niet concreet heeft onderbouwd uit welke begrotingspost(en) zou blijken dat sprake is van een financiële verwevenheid en op welke wijze dat tot een overschrijding van de opbrengstlimiet zou leiden. Het enkele feit dat bij de Omgevingsdienst oneigenlijkheden zijn vastgesteld en de Omgevingsdienst en het Waterschap soms samenwerken, kan zijn veronderstelling dat dat ook van invloed is op de financiën van het Waterschap niet onderbouwen. Temeer nu het afzonderlijke overheidsorganen zijn met ieder een eigen begroting. Omdat daardoor geen sprake is van een redelijke twijfel, ziet de rechtbank geen aanleiding om de financieel specialist van het Waterschap als getuige op te roepen, zoals door belanghebbende verzocht.
5.8.
De beroepsgrond over het nog openstaand bedrag van € 164,11 dat in de beslissing op bezwaar is vermeld, slaagt niet omdat het niet raakt aan de gronden voor beroep. Het vormt geen onderbouwing van de stelling dat er sprake is van een overschrijding van de opbrengstlimiet. De rechtbank is verder van oordeel dat de heffingsambtenaar geen dwangsom verschuldigd is, omdat de ingebrekestelling op 24 september 2024 is ontvangen en vervolgens binnen twee weken is beslist op 4 oktober 2024.
6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt. Daarom krijg belanghebbende het griffierecht niet terug, geen vergoeding van proceskosten en ook geen schadevergoeding.
De rechtbank:
– verklaart het beroep ongegrond;
– wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken op
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rapport Huis voor de Klokkenluiders, december 2023, ‘Misstandonderzoek naar integriteit en inhuur bij een omgeving dienst’.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777 en 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:938.