ECLI:NL:RBROT:2026:5420
Kort geding. Nakomingsvordering recht van voetpad. Toewijzing (deels). Eisers beroepen zich op het bestaan van een erfdienstbaarheid door verjaring. Gedaagde betwist bestaan daarvan. Gelet op omstandigheden van geval brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich dat gedaagde gebruik van voetpad gedoogd tot in bodemprocedure wordt beslist.
Rechtbank Rotterdam 2 June 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBROT:2026:5420
text/xml
public
2026-06-02T18:32:07
2026-05-12
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Rotterdam
2026-05-11
C/10/716172 / KG ZA 25-234
Uitspraak
Kort geding
NL
Rotterdam
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5420
text/html
public
2026-06-02T18:30:48
2026-06-02
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBROT:2026:5420 Rechtbank Rotterdam , 11-05-2026 / C/10/716172 / KG ZA 25-234
Kort geding. Nakomingsvordering recht van voetpad. Toewijzing (deels). Eisers beroepen zich op het bestaan van een erfdienstbaarheid door verjaring. Gedaagde betwist bestaan daarvan. Gelet op omstandigheden van geval brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich dat gedaagde gebruik van voetpad gedoogd tot in bodemprocedure wordt beslist.
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/716172 / KG ZA 26-234
Vonnis in kort geding van 11 mei 2026
in de zaak van
1 [eiser 1] , 2. [eiser 2] ,
beide wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
advocaat: mr. A. Buth,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
verschenen in persoon.
Eisende partijen worden hierna [eisers] . genoemd. Gedaagde partij wordt hierna [gedaagde] genoemd.
1De zaak in het kort
1.1.
Partijen zijn nabijgelegen buren van elkaar. [eisers] . maakten gebruik van een voetpad dat loopt over de grond van [gedaagde] , maar kunnen dat niet meer doen omdat [gedaagde] een afgesloten hek heeft geplaatst. [gedaagde] heeft ook een camera geplaatst. [eisers] . willen dat [gedaagde] weer toelaat dat ze over het voetpad mogen lopen en dat hij de camera verwijdert. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen toe.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding van 18 maart 2026 met producties 1 tot en met 13– de mondelinge behandeling van 26 maart 2026– de pleitnota van [eisers] .
2.2.
Na de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden omdat ter zitting werkafspraken tussen partijen zijn gemaakt en partijen mogelijk onderling tot een minnelijke regeling konden komen. [eisers] . hebben na de termijn die daarvoor was gegeven verzocht om vonnis te wijzen, en daarbij een toelichting gegeven en een nadere productie ingediend, waartegen de wederpartij geen bezwaar heeft gemaakt.
3De feiten
3.1.
[eisers] . zijn sinds 9 mei 2025 eigenaar van het perceel [adres 1] te [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie B, nummer [nummer 1] (hierna: het perceel van [eisers] .). [gedaagde] is eigenaar van het perceel [adres 4] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie B, nummer [nummer 2] (hierna: het perceel van [gedaagde] ). Tussen deze percelen is gelegen het perceel [adres 2] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie B, nummer [nummer 3] (hierna: het tussengelegen perceel). Op deze percelen bevindt zich een voetpad over de achtertuinen, met een uitgang naar de openbare weg, [adres 3] , zoals blijkt uit de volgende situatieschets:
3.2.
Op 19 december 1958 is bij notariële akte een erfdienstbaarheid gevestigd ten behoeve van het perceel van [eisers] . en ten laste van het tussengelegen perceel. De erfdienstbaarheid is gewijzigd bij akte van 16 juli 2008. In deze akte staat onder meer:
“de erfdienstbaarheid van voetpad, fietspad, krui-/kindwagenpad, om van – het heersend erf over het dienend erf, te komen van- en te gaan naar het [adres 3] te [woonplaats] , welke erfdienstbaarheid moet worden uitgeoefend op de bestaande wijze over het bestaande pad, liggende langs de achtergevel van de woningen op het aldaar gelegen achterpad–tot aan de westgrens van het dienende erf.”
3.3.
Daarnaast is bij notariële akte een erfdienstbaarheid van voetpad gevestigd ten behoeve van het tussengelegen perceel en ten laste van het perceel van [gedaagde] . Er is echter geen erfdienstbaarheid bij notariële akte gevestigd ten behoeve van het perceel van [eisers] . en ten laste van het perceel van [gedaagde] .
3.4.
[eisers] . konden nadat zij eigenaar werden (9 mei 2025) gebruik maken van het voetpad over (ook) het perceel van [gedaagde] , maar vanaf eind 2025 ontstonden daarbij problemen en belemmerde [gedaagde] het gebruik.
3.5.
[eisers] . hebben bij brief van 14 januari 2026 [gedaagde] gesommeerd om [eisers] . en familieleden niet te belemmeren in de uitvoering van een erfdienstbaarheid van voetpad en om een door verjaring ontstaan recht van erfdienstbaarheid van voetpad vast te laten leggen bij notariële akte.
3.6.
[gedaagde] heeft zich bij brief van 28 januari 2026 op het standpunt gesteld dat voor het perceel van [eisers] . geen recht van erfdienstbaarheid bestaat ten laste van het perceel van [gedaagde] .
3.7.
[gedaagde] heeft in februari 2026 op zijn schuur een camera opgehangen en het voetpad afgesloten met een toegangspoort met slot en [eisers] . geen sleutels gegeven.
3.8.
[eisers] . hebben bij brief van 26 februari 2026 [gedaagde] gesommeerd om de camera te verwijderen, [eisers] . te voorzien van sleutels van de toegangspoort en om medewerking te verlenen aan inschrijving van een recht van erfdienstbaarheid van voetpad. [gedaagde] weigert dit.
4Het geschil
4.1.
[eisers] . vorderen – kort samengevat – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar verklaard vonnis:
[gedaagde] veroordeelt om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, [eisers] . onbelemmerde en onvoorwaardelijke doorgang te verlenen in de uitoefening van de erfdienstbaarheid met betrekking tot het voetpad gelegen op het perceel [adres 4] te [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie B, nummer [nummer 2] , door de toegangspoort te verwijderen dan wel twee passende sleutels daarvan aan [eisers] . te overhandigen en de uitweg vrij te houden van obstakels die aan een onbelemmerd gebruik van het voetpad door [eisers] . in de weg staan, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
[gedaagde] veroordeelt om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, de camera aan de schuur van [gedaagde] te verwijderen en verwijderd te houden en het [gedaagde] te verbieden om een camera te plaatsen die het perceel van [eisers] . filmt en om van het perceel van [eisers] . video- en/of audio-opnamen te maken, te bewaren en/of te gebruiken, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
[gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag van de betekening van het vonnis tot aan de dag der voldoening.
4.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] ., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] . in de kosten van deze procedure.
5De beoordeling
Toetsingskader kort geding
5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisers] . daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Spoedeisend belang
5.2.
Het spoedeisend belang van [eisers] . volgt uit de aard van de ingestelde vorderingen.
[eisers] . mag over voetpad gaan
5.3.
[eisers] . betogen dat door verkrijgende of bevrijdende verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan en dat zij in deze procedure nakoming kunnen vorderen van de daaruit voor [gedaagde] voortvloeiende verplichtingen. [eisers] . zijn voornemens om een bodemprocedure te starten om in rechte vast te laten stellen dat [eisers] ., althans hun rechtsvoorgangers, dat recht via verjaring hebben gekregen. De vordering van [eisers] . ziet erop dat zij, totdat in een bodemprocedure over het bestaan van een erfdienstbaarheid is beslist, gebruik mogen blijven maken van het voetpad zoals zij dat eerder ook deden. Zij hebben niet gevorderd dat ook derden dat mogen.
5.4.
Partijen zijn verdeeld over de vraag wat de juridische grondslag is voor het eerdere gebruik van het voetpad door [eisers] . vanaf 9 mei 2025, toen [eisers] . eigenaren werden van haar perceel. Volgens [eisers] . is de grondslag een erfdienstbaarheid. Maar volgens [gedaagde] kon het voetpad alleen worden gebruikt omdat hij dit na aankoop van het perceel door [eisers] . heeft toegelaten (en, zo begrijpt de voorzieningenrechter, daarmee kennelijk stilzwijgend toestemming heeft gegeven). Voor toewijzing van de vordering kan een voorlopig oordeel over het bestaan van een erfdienstbaarheid in het midden blijven. Het is immers niet in geschil dat [eisers] . over het voetpad mochten komen en gaan voorafgaand aan het geschil tussen partijen. Zelfs als uit wordt gegaan van de stellingen van [gedaagde] , dat geen erfdienstbaarheid bestaat, geldt dat niet is gesteld, gebleken of aannemelijk geworden dat [gedaagde] zijn toestemming ineens, of zonder inachtneming van een redelijke termijn, mocht of kon intrekken. Partijen hebben zich immers op grond van artikel 6:2 BW tegenover elkaar te gedragen volgens de eisen van redelijkheid en billijkheid. Aangezien het gebruik van het voetpad eerder geen punt was, [gedaagde] feitelijk geen bezwaar heeft tegen het gebruik door (alleen) [eisers] . en [gedaagde] op zitting ook heeft toegezegd dat gebruik door (alleen) [eisers] . weer toe te zullen laten, terwijl er verder niet van een redelijke grond is gebleken voor intrekking van de toestemming voor het gebruik door alleen [eisers] ., is de voorzieningenrechter van oordeel dat de eisen van redelijkheid en billijkheid op dit punt met zich brengen dat [gedaagde] , tot het moment dat in een bodemprocedure zal zijn beslist over het eventueel bestaan van een erfdienstbaarheid, moet gedogen dat (alleen) [eisers] . het voetpad gebruiken en dat [gedaagde] dat gebruik niet mag verhinderen.
5.5.
Gelet op het voorgaande wordt de vordering van [eisers] . toegewezen om [gedaagde] te verplichten aan [eisers] . de onbelemmerde en onvoorwaardelijke doorgang te verlenen over het voetpad, ook met zaken zoals fiets of kinderwagen aan de hand, lopend, en met dien verstande dat dat enkel voor [eisers] . geldt en dus niet tevens, behoudens situaties van incidentele noodzaak vanwege omstandigheden, voor derden zoals familie of bezoek van [eisers] .
5.6.
De voorzieningenrechter zal, zoals door [eisers] . gevorderd, daarbij bepalen dat deze veroordeling geldt totdat in een bodemprocedure over het bestaan van een erfdienstbaarheid van voetpad ten behoeve van het perceel van [eisers] . en ten laste van het perceel van [gedaagde] , zal zijn beslist. De voorzieningenrechter gaat er daarbij wel vanuit dat [eisers] . de bodemprocedure binnen bekwame spoed start.
5.7.
De door [eisers] . gevorderde dwangsom zal worden beperkt als vermeld in de beslissing.
[gedaagde] moet de camera verwijderen
5.8.
[eisers] . betogen dat de door [gedaagde] geplaatste camera onrechtmatig is, omdat deze gericht staat op het perceel van [eisers] . en dat [gedaagde] daarmee [eisers] . filmt. Dat is een inbreuk op de privacy en persoonlijke levenssfeer van [eisers] .. De door [gedaagde] gestelde rechtvaardigingsgrond om zijn eigendom te beschermen weegt daar niet tegen op. De plaatsing van de camera dient geen redelijk doel en voldoet daarom niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, aldus [eisers] .
5.9.
Een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het recht op bescherming van de privacy levert in beginsel een onrechtmatige daad op. De plaatsing van een camera gericht op een perceel van een derde kan een dergelijke inbreuk opleveren. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan echter aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of een rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval. Daarbij moeten tegen elkaar worden afgewogen de ernst van die inbreuk en de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend. Ook moet worden beoordeeld of het gebruik van een camera voldoet aan de eisen van proportionaliteit (is er sprake van een redelijke verhouding tussen het doel en het ingezette middel) en subsidiariteit (is dit het minst ingrijpende middel om het doel te bereiken).
5.10.
[gedaagde] betoogt dat de camera is geplaatst om zijn eigendommen te beveiligen naar aanleiding van een eerdere diefstal vanaf zijn perceel. [gedaagde] heeft de stellingen van [eisers] . verder niet weersproken. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat voor zover de wens van [gedaagde] om zijn eigendommen te beveiligen al een rechtvaardigingsgrond zou opleveren, de plaatsing van de camera niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De vordering zal daarom worden toegewezen. De door [eisers] . gevorderde dwangsom zal worden beperkt als vermeld in de beslissing.
Buitengerechtelijke kosten
5.11.
[eisers] . betogen in het lichaam van de dagvaarding dat zij aanspraak willen maken op vergoeding van door hun gemaakte buitengerechtelijke (incasso)kosten. Zij hebben echter nagelaten een overeenkomstige vordering op te nemen in het petitum, zodat de voorzieningenrechter aan dit betoog voorbij gaat. De vordering zou ook zijn afgewezen indien deze wel was opgenomen in het petitum, aangezien gesteld noch gebleken is van werkzaamheden die meer inhouden dan verrichtingen ter voorbereiding van gedingstukken of ter instructie van de zaak, en/of dat deze werkzaamheden aan de dubbele redelijkheidstoets voldoen.
Proceskosten
5.12.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] . worden begroot op:
– kosten van de dagvaarding
€
153,77
|
– griffierecht
€
341,00
|
– salaris advocaat
€
1.177,00
|
– nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
|
Totaal
€
1.860,77
|
5.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1.
gebiedt [gedaagde] om, binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, onbelemmerde doorgang aan [eisers] . te verlenen over het voetpad gelegen op het perceel van [gedaagde] , door [eisers] . daarover heen te laten lopen, ook met zaken zoals een kinderwagen of fiets aan de hand, door de toegangspoort te verwijderen dan wel door twee sleutels van de toegangspoort aan [eisers] . te overhandigen, en door het voetpad vrij te houden van obstakels die aan een onbelemmerd gebruik daarvan door [eisers] . in de weg staan,
6.2.
bepaalt dat het gebod in 6.1 geldt tot het moment dat op grond van enige andere uitspraak in een bodemprocedure zal zijn bepaald of een erfdienstbaarheid van voetpad bestaat ten behoeve van het perceel [adres 1] te [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie B, nummer [nummer 1] en ten laste van het perceel [adres 4] te [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie B, nummer [nummer 2] ,
6.3.
gebiedt [gedaagde] om de camera aan zijn schuur te verwijderen en verwijderd te houden en verbiedt [gedaagde] om een camera te plaatsen die is gericht op het perceel van [eisers] ., of van dat perceel video-/ en/of audio-opnamen te maken, te bewaren en/of te gebruiken,
6.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] . een dwangsom te betalen van € 50,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan een van de veroordelingen in 6.1 en/of 6.3 voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 per veroordeling is bereikt,
6.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.860,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026.
4049 / 638