Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBROT:2026:5444

Kort geding. Inzagevordering. Toewijzing. Inzage kan ook in kort geding gevorderd worden bij spoedeisende gevallen. Niet gebleken van afwijzingsgrond. Voldoende aannemelijk gemaakt dat gedaagde over (deel) van gevraagde stukken beschikt of dat hij deze eenvoudig van derde kan verkrijgen. Bewijslast van het daadwerkelijk nog bestaan van een stuk berust in beginsel bij partij die inzage of afgift...

Rechtbank Rotterdam 3 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBROT:2026:5444
text/xml
public
2026-06-03T08:59:45
2026-05-12
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Rotterdam
2026-04-02
C/10/716045 / KG ZA 26-228
Uitspraak
Kort geding
NL
Rotterdam
Civiel recht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5444
text/html
public
2026-06-03T08:59:14
2026-06-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBROT:2026:5444 Rechtbank Rotterdam , 02-04-2026 / C/10/716045 / KG ZA 26-228

Kort geding. Inzagevordering. Toewijzing. Inzage kan ook in kort geding gevorderd worden bij spoedeisende gevallen. Niet gebleken van afwijzingsgrond. Voldoende aannemelijk gemaakt dat gedaagde over (deel) van gevraagde stukken beschikt of dat hij deze eenvoudig van derde kan verkrijgen. Bewijslast van het daadwerkelijk nog bestaan van een stuk berust in beginsel bij partij die inzage of afgifte vordert.

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/716045 / KG ZA 26-228

Vonnis in kort geding van 2 april 2026

in de zaak van

[eiser]
,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. P.H.J. Körver,

tegen

[gedaagde]
,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. J.J. Lammers.

Partijen worden hierna genoemd [eiser] en [gedaagde] .

<br /> 1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– het vonnis van de rechtbank Den Haag van 6 maart 2026, waarin de zaak is doorverwezen naar deze rechtbank;

– de dagvaarding van 11 maart 2026 met producties 1 tot en met 7;- de mondelinge behandeling van 19 maart 2026;- de spreekaantekeningen van [gedaagde] .

<br /> 2De vordering

2.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, [gedaagde] beveelt op straffe van verbeurte van een dwangsom binnen één week na betekening van het te wijzen vonnis [eiser] inzage te geven in dan wel afschriften te verschaffen van de volgende gegevens:

( i) e-mails verzonden dan wel ontvangen (waaronder steeds wordt verstaan in CC dan wel BCC), inclusief concepten, verwijderde en gearchiveerde e-mails en bijlagen, afkomstig van en/of verzonden naar medewerkers van [naam bedrijf] (zowel advocaten als overige fee earners en ondersteunend personeel werkzaam bij [naam bedrijf] ), in het tweede semester van 2019 (de periode waarin het gesprek heeft plaatsgevonden) tot het tweede semester van 2021, waarin [eiser] voornaam en/of achternaam en/of een acroniem van [eiser] voornaam en/of achternaam en/of bijnaam en/of zaakkenmerk(en) van zijn dossier(s) bij [naam bedrijf] wordt of worden genoemd;

( ii) berichten verstuurd dan wel ontvangen, inclusief concepten, verwijderde en gearchiveerde berichten, afkomstig van en/of verzonden naar medewerkers van [naam bedrijf] (zowel advocaten als overige fee earners en ondersteunend personeel werkzaam bij [naam bedrijf] ), met inbegrip van geluidsbestanden, afbeeldingen, video’s en andere bestanden die onderdeel of bijlage zijn van een chat/conversatie, waaronder in ieder geval berichten op WhatsApp, LinkedIn, Telegram, Signal, Messenger en sms-berichten in het laatste kwartaal van 2019 (de periode waarin het gesprek heeft plaatsgevonden) tot het tweede semester van 2021 waarin [eiser] voornaam en/of achternaam en/of een acroniem van [eiser] voornaam en/of achternaam en/of bijnaam en/of zaakkenmerk(en) van zijn dossier(s) bij [naam bedrijf] wordt of worden genoemd.

2.2.

[eiser] heeft het volgende ten grondslag gelegd aan zijn vorderingen.

2.3.

[eiser] is failliet verklaard in 2017. Gedurende het faillissement is hij meer dan 115 dagen gegijzeld geweest. Tijdens het faillissement werd hij onder meer bijgestaan door [gedaagde] , die toen werkzaam was bij het advocatenkantoor [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf] ). [naam bedrijf] , en daarmee [gedaagde] , heeft omstreeks eind 2019 haar werkzaamheden voor [eiser] gestaakt en de cliëntrelatie met hem beëindigd.

2.4.

[gedaagde] heeft in een gesprek in 2023 aan [eiser] (en in latere gesprekken ook aan de advocaat van [eiser] ) verteld dat [naam bedrijf] die cliëntrelatie beëindigde als gevolg van een of meerdere gesprekken die in 2019 zijn gevoerd tussen [naam bedrijf] , en dan specifiek de advocaten mr. [naam] en [gedaagde] zelf, met leden of medewerkers van het Team Insolventies van de rechtbank Den Haag. Eén van deze leden of medewerkers is nog onbekend en wordt daarom aangeduid als “Nomen Nescio”. De leden of medewerkers hadden via mr. [naam] en [gedaagde] aan [naam bedrijf] te kennen gegeven dat [naam bedrijf] de bijstand aan [eiser] moest staken. Indien [naam bedrijf] [eiser] zou blijven bijstaan bij zijn faillissement zouden aan [naam bedrijf] geen of minder faillissementen worden toebedeeld. [naam bedrijf] heeft daar vanwege de mogelijke financiële gevolgen gehoor aan gegeven. [gedaagde] heeft [naam bedrijf] vervolgens eind 2019 verlaten vanwege deze gang van zaken.

2.5.

[eiser] heeft [naam bedrijf] en [gedaagde] in 2024 aangeschreven met het verzoek toe te lichten waarom de cliëntrelatie was beëindigd. [gedaagde] heeft niet gereageerd op dit schrijven. [naam bedrijf] heeft in een reactie kenbaar gemaakt dat [eiser] op de hoogte was van de reden van de beëindiging.

2.6.

[eiser] heeft [gedaagde] bij brief van 21 juni 2024 aangeschreven en daarin onder meer aangegeven dat [gedaagde] mondeling had verklaard aan de advocaat van [eiser] dat [gedaagde] nog over correspondentie zou beschikken die ziet op de redenen voor beëindiging van de cliëntrelatie. [eiser] heeft daarbij verzocht om een afschrift van deze correspondentie. [gedaagde] heeft niet op deze brief gereageerd.

2.7.

[eiser] heeft bij brieven van 14 mei 2025 en 12 februari 2026 [gedaagde] verzocht om inzage te geven in de stukken waarvan hij in deze procedure inzage vordert. [gedaagde] heeft niet op deze brieven gereageerd.

2.8.

De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 10 februari 2026 een voorlopig getuigenverhoor bevolen, waardoor [eiser] op 1 april en 20 april 2026 in de gelegenheid is getuigen te doen horen over de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden. Deze feiten en omstandigheden zijn ook de aanleiding voor de in deze procedure ingestelde inzagevorderingen.

2.9.

[naam bedrijf] is bij beschikking van deze rechtbank van 4 maart 2026 veroordeeld om aan [eiser] de stukken te verstrekken die ook in deze procedure worden aangeduid. [naam bedrijf] heeft daarop wel afschrift verstrekt van enkele stukken, maar niet van alle stukken waarvan [eiser] vermoedt dat deze er wel (moeten) zijn.

2.10.

[gedaagde] beschikt over diverse relevante gegevens. [gedaagde] heeft dit immers verklaard aan [eiser] en zijn advocaat.

<br /> 3Het verweer

3.1.

Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. [gedaagde] stelt ter onderbouwing het volgende.

3.2.

Hetgeen [eiser] heeft aangevoerd is feitelijk onjuist. [gedaagde] heeft niet de door [eiser] gestelde mededelingen gedaan.

3.3.

[gedaagde] beschikt niet over de gevraagde gegevens. Die kunnen slechts zijn van de periode waarin [gedaagde] werkzaam was bij [naam bedrijf] en [gedaagde] heeft nadien geen contact gehad met medewerkers van [naam bedrijf] over [eiser] . [gedaagde] heeft dit in 2024 al mondeling laten weten aan [eiser] .

3.4.

Het verzoek tot inzage is onvoldoende bepaald, omdat het over diverse soorten communicatie gaat over een (te) ruim genomen periode. Daarnaast is het verzoek onvoldoende bepaald, omdat niet is gespecifieerd op welk onderwerp de gevorderde gegevens betrekking hebben. Voor zover de vorderingen worden toegewezen moet er onderscheid gemaakt worden worden tussen de periode waarin [gedaagde] nog bij [naam bedrijf] werkzaam was en daarna.

3.5.

[eiser] heeft onvoldoende duidelijk gemaakt wat de aard en grondslag van de ingevolge artikel 194 Rv vereiste rechtsbetrekking is.

3.6.

De gevorderde gegevens hebben betrekking op informatie die bij een derde berust. De vorderingen kunnen gelet op artikel 195a lid 2 Rv niet worden toegewezen als de daarin genoemde partijen niet zijn opgeroepen.

<br /> 4De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter zal voormelde vorderingen van [eiser] toewijzen. Daarvoor is het volgende redengevend.

Toetsingskader inzagevordering

4.2.

Een partij bij een rechtsbetrekking heeft tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft (194 Rv). Indien degene die beschikt over de bepaalde gegevens medewerking weigert, kan een rechter voordat een zaak aanhangig is op verzoek van een belanghebbende inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens bevelen (196 Rv). De rechter wijst het verzoek toe, tenzij hij van oordeel is dat:

a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;

b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;

c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;

d. sprake is van misbruik van bevoegdheid; of

e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.

4.3.

De afwijzingscriteria vormen geen van elkaar afgescheiden criteria, maar lopen in elkaar over en kunnen om die reden naast elkaar van toepassing zijn. In spoedeisende gevallen kan het verzoek ook worden gedaan aan de voorzieningenrechter (197 Rv). Het uitgangspunt van de wetgever daarbij is dat de onder het oude recht bestaande mogelijkheid tot het voeren van een kort geding procedure om inzage te vragen blijft bestaan. Inzage kan daarom ook gevorderd worden in een dagvaardingsprocedure in kort geding.

Spoedeisend belang

4.4.

[eiser] heeft aangevoerd dat zijn spoedeisend belang volgt uit de omstandigheid dat de rechtbank Rotterdam een voorlopig getuigenverhoor heeft bevolen dat (reeds) zal plaatsvinden op 1 en 20 april 2026. De stukken die hij vordert hebben betrekking op het onderwerp van deze getuigenverhoren. Hij heeft daarom een spoedeisend belang om tijdig over de gevraagde stukken te beschikken.

4.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] gelet op zijn toelichting voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn inzagevordering.

[eiser] is partij bij een rechtsbetrekking

4.6.

[eiser] heeft aangevoerd dat hij (mogelijk) partij is bij een rechtsbetrekking, maar dat hij nog niet met voldoende zekerheid kan vaststellen wie de wederpartij bij deze rechtsbetrekking is. In dit kader heeft [eiser] aangevoerd dat hij mogelijk een vordering heeft op de Staat der Nederlanden, althans op een voor de rechtbank Den Haag werkzaam persoon, aangeduid als “Nomen Nescio”. Die vordering zou voortvloeien uit de omstandigheid dat [naam bedrijf] (althans [gedaagde] ) de rechtsbijstand aan hem heeft gestaakt door toedoen van leden of medewerkers van de rechtbank Den Haag. De stellingen van [eiser] komen erop neer dat er een redelijke grond is om aan te nemen dat [gedaagde] beschikt over gegevens over deze rechtsbetrekking, omdat [gedaagde] was betrokken bij het gesprek waarin [naam bedrijf] te kennen is gegeven dat zij de cliëntrelatie met [eiser] diende te beëindigen.

[eiser] voert daarnaast aan dat er een rechtsbetrekking bestaat vanwege het gegeven dat [gedaagde] heeft opgetreden als de advocaat van [eiser] . Uit hetgeen [eiser] ter zitting heeft toegelicht begrijpt de voorzieningenrechter dat [eiser] meent dat mogelijkerwijs een rechtsbetrekking met [gedaagde] zou kunnen bestaan vanwege de rol van [gedaagde] bij de omstandigheden die hebben geleid tot het staken van de rechtsbijstand.

4.7.

Onder een rechtsbetrekking in de zin van artikel 194 Rv vallen de rechten en plichten van partijen bij een tussen hen gesloten overeenkomst en bij verbintenissen uit de wet, zoals een onrechtmatige daad. Gelet op het doel om opheldering over de feiten te verkrijgen en geschillen zo effectief mogelijk op te lossen moet het begrip ‘partij bij een rechtsbetrekking’ ruim worden opgevat. Het bestaan van de rechtsbetrekking hoeft ook niet in rechte vast te staan en een partij kan juist aanspraak maken op bepaalde gegevens bij de partij die daarover beschikt, om de reden dat er onduidelijkheid bestaat over de feiten die van belang zijn voor het bestaan, de inhoud of de omvang van een rechtsbetrekking.

4.8.

Gelet op het voorgaande heeft [eiser] naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat hij partij is bij een of meerdere rechtsbetrekkingen. De enkele omstandigheid dat er nog onduidelijkheid bestaat over het bestaan, de omvang of de inhoud van de rechtsbetrekking, of dat [gedaagde] het bestaan van een rechtsbetrekking of een vorderingsrecht aan de zijde van [eiser] betwist, maakt dit niet anders. Anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd hoeft [eiser] in deze procedure niet voldoende aannemelijk te maken dat hij ook een vorderingsrecht heeft. Dat vereiste is vervallen met de invoering van het nieuwe inzagerecht van artikel 194 e.v. Rv.

[eiser] heeft voldoende belang bij inzage

4.9.

[eiser] heeft aangevoerd dat de gegevens waar hij inzage van wenst, betrekking hebben op (mogelijke) vorderingen die hij heeft als gevolg van de omstandigheden die hebben geleid tot het beëindigen van de rechtsbijstand door [naam bedrijf] , althans [gedaagde] . [eiser] wil achterhalen wat er precies is gebeurd rondom en tijdens het gesprek dat volgens hem heeft plaatsgevonden in het tweede semester van 2019 tussen [gedaagde] , mr. [naam] namens [naam bedrijf] en (leden van het team Insolventie) van de rechtbank Den Haag, teneinde te bepalen of het opportuun is een procedure te starten op basis van deze nog onduidelijke feiten en omstandigheden. Daarmee heeft [eiser] naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende belang bij de gevorderde inzage.

[eiser] vordert inzage in voldoende bepaalde gegevens

4.10.

Het vereiste van “bepaalde gegevens” waarborgt dat (i) voldoende concreet moet worden aangeven om welke gegevens het gaat en (ii) getoetst kan worden of voldoende belang bestaat bij inzage in (juist) die gegevens. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van voldoende bepaalde gegevens en kan getoetst worden of voldoende belang bestaat bij de inzage van juist deze gegevens. Daar is het volgende voor redengevend.

4.11.

Het is niet nodig dat een partij elk stuk afzonderlijk aanduidt waarvan hij inzage of afschrift verzoekt. Omdat de partij die om informatie vraagt niet over die informatie beschikt, kan zo’n concretisering niet worden verlangd. Het informatieverzoek moet wel voldoende nauwkeurig worden afgebakend onder aanduiding van het geschil of het feitencomplex met het oog waarop de informatie wordt opgevraagd. Dat betekent dat concreet moet worden aangevoerd waarom een redelijke grond bestaat dat de partij aan wie het verzoek wordt gedaan over de gevraagde informatie beschikt en dat voldoende concreet wordt vermeld waarom die informatie relevant is voor haar rechtspositie in een potentieel of ontstaan geschil over een rechtsbetrekking waarbij zij partij is.

4.12.

Volgens [eiser] hebben de gegevens waar hij inzage van wenst betrekking op de mogelijke vorderingen die hij heeft als gevolg van de omstandigheden die hebben geleid tot het beëindigen van de rechtsbijstand door [naam bedrijf] , althans [gedaagde] . [eiser] heeft voldoende duidelijk gemaakt dat de gewenste informatie vervat kan zijn in de gevraagde gegevens, nu die gegevens betrekking hebben op de uitwisseling van schriftelijke of digitale berichten over [eiser] . Dergelijke berichten kunnen zijn gewisseld in de periode waarover afgifte is gevorderd. Daarmee is sprake van voldoende bepaalde gegevens.

4.13.

[gedaagde] heeft als verweer gevoerd dat hij niet (meer) beschikt over de gevraagde stukken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] echter voldoende concreet gemaakt dat [gedaagde] niettemin over (een deel) van de gevraagde gegevens zou kunnen beschikken. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] aan hem en zijn advocaat meegedeeld relevante informatie te hebben meegenomen bij zijn vertrek van [naam bedrijf] . [eiser] acht het bovendien mogelijk dat [gedaagde] met privé-middelen heeft gecommuniceerd over [eiser] . Anders dan [gedaagde] aanvoert, hoeft daarom ook geen onderscheid gemaakt te worden tussen de periode dat [gedaagde] nog bij [naam bedrijf] werkte en daarna.

Tot slot is niet in geschil dat [naam bedrijf] nog over stukken beschikt. Wanneer een aangesproken partij de gegevens niet fysiek ter beschikking heeft, maar deze wel gemakkelijk van een derde kan verkrijgen, is deze aangesproken partij verplicht om in dat geval de gegevens bij die derde op te vragen. De voorzieningenrechter verwerpt daarom het verweer van [gedaagde] .

4.14.

Wellicht ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat een partij enkel inzage hoeft te verschaffen in stukken waarover hij beschikt of die hij gemakkelijk van een derde kan verkrijgen na een verzoek daartoe. Degene die afschrift of inzage vordert van een stuk draagt bovendien in beginsel de bewijslast van zijn stelling dat het betreffende stuk bestaat, wanneer het bestaan daarvan juist wordt ontkend door de partij die inzage moet geven. De verplichting tot inzage of afschrift bestaat verder niet voor stukken die (al dan niet na verschaffing door een ander) reeds in bezit zijn van de verzoekende partij.

Geen oproeping partijen

4.15.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de vorderingen moeten worden afgewezen gelet op het bepaalde in artikel 195a lid 2 Rv, omdat geen oproeping heeft plaatsgevonden van de wederpartij of de derde bij de rechtsbetrekking. Dit artikel is op grond van artikel 204 Rv ook van toepassing op deze procedure met betrekking tot voorlopige bewijsverrichtingen. De voorzieningenrechter gaat aan dit verweer voorbij omdat, zoals hiervoor overwogen, [gedaagde] wel partij is bij een rechtsbetrekking waarop de gegevens betrekking hebben.

Geen andere gronden voor afwijzing

4.16.

De voorzieningenrechter zijn geen andere gronden voor afwijzing van de vorderingen gebleken. De vorderingen zijn niet in strijd met de goede procesorde en er is geen sprake van misbruik van bevoegdheid. Daarnaast zijn er geen gewichtige reden aangevoerd die zich kunnen verzetten tegen toewijzing van de vorderingen. [gedaagde] heeft overigens ook niet gesteld op grond van welke van de uitzonderingsgronden van artikel 196 Rv de voorzieningenrechter tot afwijzing van de vorderingen zou kunnen komen.

Geen aanleiding voor een dwangsom

4.17.

[eiser] vordert dat [gedaagde] inzage moet verlenen op straffe van verbeurte van een dwangsom. [eiser] heeft echter geen feiten of omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat een dwangsom noodzakelijk is als prikkel tot nakoming, terwijl [gedaagde] ontkent over de gevraagde gegevens te beschikken. De voorzieningenrechter zal daarom geen dwangsom verbinden aan de veroordelingen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.18.

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Dit betreft een nevenvordering. Indien deze vordering niet of onvoldoende wordt betwist en de hoofdvordering voldoende spoedeisend is, mag in beginsel worden aangenomen dat ook toewijzing van een nevenvordering uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is. De vordering is niet betwist door [gedaagde] .

4.19.

De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De voorzieningenrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal.

4.20.

De vordering wordt afgewezen. [eiser] heeft onvoldoende gesteld voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub c BW. Gesteld noch gebleken is dat de kosten zijn gemaakt ter zake van andere verrichtingen dan die waarvoor de in artikelen 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, noch is gesteld of gebleken dat de verrichtingen meer hebben omvat dan een enkele (eventueel herhaalde) sommatie of het enkel doen van een – niet aanvaard – schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

Proceskosten

4.21.

[gedaagde] moet als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten (inclusief de nakosten) van [eiser] betalen. De nakosten worden toegewezen tot een lager bedrag dan het geldende liquidatietarief, omdat [eiser] enkel dit lagere bedrag heeft gevorderd. De proceskosten van [eiser] worden aldus begroot op:

– kosten van de dagvaarding

153,02

– griffierecht

341,00

– salaris advocaat

760,00

– nakosten

50,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.304,02

<br /> 5De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

beveelt [gedaagde] inzage te geven dan wel afschriften te verstrekken aan [eiser] van de gegevens zoals vermeld onder 2.1,

5.2.

bepaalt dat het geven van inzage dan wel het verstrekken van afschriften van de gegevens moet plaatsvinden uiterlijk op 16 april 2026,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen de proceskosten van € 1.304,02 binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 68,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.

4049 / 638

Kamerstukken II 2019-2020, 35 498, nr. 3, p. 47.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 498, nr. 3, p. 48.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 498, nr. 3, p. 48.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 498, nr. 3, p. 49.

HR 26 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9244.

HR 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1522

Artikel delen