Huurkoopovereenkomst bedrijfsauto. Gedaagde heeft de leasetermijnen niet tijdig betaald. Verklaring voor recht dat overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden wordt toegewezen en gedaagde moet resterende hoofdsom betalen met rente en kosten. Standpunt dat overeenkomst niet is ondertekend door eiseres en daarom geen beroep kan worden gedaan op de algemene voorwaarden slaagt niet. Partijen hebbe...
ECLI:NL:RBROT:2026:8967
text/xml
public
2026-08-04T14:21:07
2026-07-22
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Rotterdam
2026-06-19
1191559 CV EXPL 25-21357
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Rotterdam
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8967
text/html
public
2026-08-04T14:18:59
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBROT:2026:8967 Rechtbank Rotterdam , 19-06-2026 / 1191559 CV EXPL 25-21357
Huurkoopovereenkomst bedrijfsauto. Gedaagde heeft de leasetermijnen niet tijdig betaald. Verklaring voor recht dat overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden wordt toegewezen en gedaagde moet resterende hoofdsom betalen met rente en kosten. Standpunt dat overeenkomst niet is ondertekend door eiseres en daarom geen beroep kan worden gedaan op de algemene voorwaarden slaagt niet. Partijen hebben immers uitvoering gegeven aan de overeenkomst.
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11915559 CV EXPL 25-21357
datum uitspraak: 19 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Hiltermann Lease B.V.,
vestigingsplaats: Hoofddorp,
eiseres,
gemachtigde: M. Kalf,
tegen
[gedaagde]
, die handelt onder de naam [handelsnaam],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. N. Talhaoui.
De partijen worden hierna ‘Hiltermann’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 30 september 2025, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de brief van Hiltermann van 11 mei 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 20 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig de heer [persoon A] namens Hiltermann met mr. R. van Erven als gemachtigde en mr. Talhaoui als gemachtigde van de heer [gedaagde] .
Waar gaat de zaak over?
2.1.
Hiltermann heeft op grond van een huurkoopovereenkomst een bedrijfsauto (merk: Volkswagen Polo [kentekennummer] ) aan [gedaagde] ter beschikking gesteld. [gedaagde] moest elke maand een leasebedrag aan Hiltermann betalen. Volgens Hiltermann heeft [gedaagde] dat niet gedaan. Hiltermann heeft daarom de overeenkomst ontbonden. Zij eist in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de resterende leasetermijnen te betalen en de schade van Hiltermann te vergoeden.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering van Hiltermann. [gedaagde] betwist allereerst dat hij in verzuim is. Verder stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de overeenkomst tussen Hiltermann en hem niet tot stand is gekomen omdat Hiltermann de overeenkomst nooit heeft ondertekend. Als gevolg daarvan kan Hiltermann zich volgens [gedaagde] ook niet beroepen op de bepalingen uit de algemene voorwaarden, nu de toepasselijkheid daarvan ligt besloten in de overeenkomst zelf. Tot slot stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de auto door Hiltermann voor een te lage prijs is verkocht.
2.3.
De kantonrechter wijst de vordering van Hiltermann grotendeels toe. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot deze beslissing is gekomen.
De overeenkomst is ontbonden
2.4.
Hiltermann vordert een verklaring voor recht dat de overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden. Volgens Hiltermann heeft [gedaagde] namelijk (onder meer) niet voldaan aan zijn maandelijkse betalingsverplichting door een betalingsachterstand van acht leasetermijnen te laten ontstaan. [gedaagde] betwist dat de overeenkomst ontbonden had mogen worden om, wat de kantonrechter begrijpt, twee redenen.
2.5.
[gedaagde] heeft allereerst betwist dat hij in verzuim is. [gedaagde] geeft aan dat hij geen aanmaningen heeft ontvangen van Hiltermann omdat deze allemaal naar de “ [adres] ” zijn gestuurd, terwijl hij daar niet meer woont. Hiltermann wordt bijgestaan door een incassobureau en zij hadden in de Basisregsitratie Personen (BRP) moeten verifiëren wat zijn juiste adres was. Omdat [gedaagde] nooit een ingebrekestelling heeft ontvangen, is er ook geen sprake van verzuim en had Hiltermann de overeenkomst niet mogen ontbinden, aldus [gedaagde] . De kantonrechter gaat hier niet in mee. [gedaagde] heeft namelijk niet betwist dat hij een betalingsachterstand heeft laten ontstaan van acht leasetermijnen. Anders dan [gedaagde] stelt, was hij daardoor rechtstreeks in verzuim, ongeacht of hij aanmaningen heeft ontvangen. Op grond van artikel 6:83 sub a BW treedt verzuim in dit soort gevallen namelijk in door het enkele verstrijken van de afgesproken betalingstermijn. Voor de bevoegdheid om tot ontbinding over te gaan is in dit geval geen aanmaning of ingebrekestelling vereist. Daar komt bij dat het op de weg van [gedaagde] had gelegen om zijn adreswijziging aan Hiltermann door te geven. Zolang [gedaagde] dat niet doet, mag Hiltermann erop vertrouwen dat het bedrijf van [gedaagde] is gevestigd op het adres zoals opgegeven door hem op de overeenkomst en zoals ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Het niet bereiken van de brieven die Hiltermann aan [gedaagde] heeft verstuurd, is daarmee het gevolg van het eigen handelen van [gedaagde] . Bovendien blijkt uit de door Hiltermann overgelegde stukken dat de ingebrekestelling van 23 november 2023 ook per e-mail aan [gedaagde] is verstuurd en deze hem sowieso heeft bereikt.
2.6.
[gedaagde] voert ook aan dat Hiltermann geen grond had om de overeenkomst te ontbinden. Hiltermann heeft namelijk de ontbinding gebaseerd op artikel 43 van de algemene voorwaarden, maar volgens [gedaagde] heeft Hiltermann de overeenkomst nooit ondertekend, waardoor de huurkoopovereenkomst niet tot stand is gekomen. Hiltermann kan zich volgens [gedaagde] dan ook niet op de hierin opgenomen bepalingen beroepen. Ook dit verweer gaat niet op. De huurkoopovereenkomst is door Hiltermann aan [gedaagde] opgestuurd en inhoudelijk al helemaal toegespitst op [gedaagde] . Zijn onderneming ‘ [handelsnaam] ’ met vestigingsgegevens wordt als partij vermeld, de contractduur is ingevuld evenals het merk en kenteken van de auto en de maandelijkse betalingsverplichting. Hoewel Hiltermann het contract niet heeft ondertekend, is door beide partijen vervolgens wel uitvoering gegeven aan de overeenkomst; [gedaagde] heeft de leaseauto in gebruik genomen en is de maandelijkse leasetermijnen aan Hiltermann gaan betalen. Daarmee is wilsovereenstemming over de inhoud van het contract tussen partijen en is de overeenkomst tot stand gekomen. [gedaagde] kan dan niet achteraf zeggen dat dit niet zo is en Hiltermann mag zich dan ook beroepen op artikel 43 van de algemene voorwaarden.
2.7.
[gedaagde] heeft niet betwist dat hij tekort is geschoten in zijn maandelijkse betalingsverplichting. De kantonrechter is daarom van oordeel dat Hiltermann terecht tot ontbinding van de overeenkomst is overgegaan. De gevorderde verklaring voor recht wordt daarom toegewezen.
[gedaagde] moet € 10.107,06 aan Hiltermann betalen
2.8.
Hiltermann eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de resterende leaseprijs en de schade van Hiltermann te betalen, ter hoogte van € 10.107,06. Dit bedrag bestaat uit de achterstallige leasetermijnen van € 1.624,88, de resterende leasetermijnen ter hoogte van € 9.936,60 en de kosten voor de inname van de auto ter hoogte van € 1.145,57. Op dit bedrag heeft Hiltermann de verkoopopbrengst van de auto, ter hoogte van € 2.599,99 in mindering gebracht.
2.9.
[gedaagde] is het daar niet mee eens. [gedaagde] voert aan dat hij slechts de leasetermijnen verschuldigd is tot aan het moment van de buitengerechtelijke ontbinding omdat Hiltermann de overeenkomst ten onrechte zou hebben ontbonden. Als dat verweer niet opgaat stelt [gedaagde] dat Hiltermann haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd en dat bij opbouw van de vordering rekening gehouden moet worden met een hogere verkoopprijs van de auto. De auto was ten tijde van inname volgens hem € 8.750,- waard in plaats van de € 2.599,99 waarvoor Hiltermann de auto heeft verkocht. Tot slot maakt [gedaagde] ook bezwaar tegen de door Hiltermann gevorderde innamekosten omdat volgens [gedaagde] de grondslag daarvoor ontbreekt en Hiltermann deze kosten niet voldoende heeft onderbouwd. De kantonrechter gaat aan de standpunten van [gedaagde] voorbij. Hieronder zal worden uitgelegd waarom.
2.10.
Hiervoor is al geoordeeld dat Hiltermann de overeenkomst mocht ontbinden en op grond van artikel 43 van de algemene voorwaarden over mocht gaan tot het opeisen van de resterende leasetermijnen.
2.11.
Dat Hiltermann de auto voor een te lage prijs heeft verkocht, is niet komen vast te staan. Op grond van artikel 44 van de algemene voorwaarden moet Hiltermann de verkoopwaarde van de auto in redelijkheid vaststellen en Hiltermann heeft voldoende onderbouwd dat zij dit heeft gedaan. Hiltermann heeft het taxatierapport overgelegd waaruit blijkt dat de auto ongeveer € 3.355,- aan schade vertoonde op het moment van inname. Verder geeft Hiltermann aan dat de executiewaarde van een auto altijd lager ligt dan een consumentenprijs. De door [gedaagde] overgelegde advertentie, waarin dezelfde auto wordt aangeboden voor een prijs van € 8.750,-, is daarom niet te vergelijken met de prijs waarvoor de auto op een veiling onder tijdsdruk moet worden verkocht. Hiltermann heeft gelet hierop naar het oordeel van de kantonrechter voldoende onderbouwd dat zij de auto tegen een (in dit geval) redelijke prijs heeft verkocht. Bij het vaststellen van de vordering zal de kantonrechter daarom uitgaan van de verkoopprijs van € 2.599,99.
2.12.
Tot slot mag Hiltermann op grond van de algemene voorwaarden de kosten die verband houden met de terugneming, opslag en transport van de auto op [gedaagde] verhalen. Hiltermann heeft deze kosten nader onderbouwd door de facturen hiervan over te leggen. Ook deze kosten zijn daarom naar het oordeel van de kantonrechter toewijsbaar.
2.13.
Het bovenstaande betekent dat [gedaagde] het gevorderde bedrag van € 10.107,06 aan Hiltermann moet betalen.
[gedaagde] moet rente betalen
2.14.
Hiltermann vordert over de totale hoofdsom de contractuele rente van 1.5% per maand, berekend tot 18 september 2025, € 257,03. Volgens [gedaagde] moet deze vordering worden afgewezen, nu deze eveneens is gebaseerd op de algemene voorwaarden, die volgens hem niet van toepassing zijn. De kantonrechter gaat aan dit standpunt van [gedaagde] voorbij. In 2.6 is overwogen dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomst. [gedaagde] is de rente contractueel met Hiltermann overeengekomen. [gedaagde] moet daarom de contractuele rente van 1.5% per maand betalen. De rente, berekend tot 18 september 2025, ter hoogte van € 257,03, wordt toegewezen.
[gedaagde] moet € 876,07 aan incassokosten betalen
2.15.
Hiltermann vordert een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 1.010,71. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten hoeft te betalen omdat hij niet in verzuim is én omdat de gevorderde vergoeding is gebaseerd op de algemene voorwaarden, die volgens hem niet van toepassing zijn. Zoals overwogen in 2.5 en 2.6 gaan beide standpunten niet op. [gedaagde] is daarom een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd geworden. Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 876,07 toegewezen. De kantonrechter ziet namelijk aanleiding om de afgesproken vergoeding te matigen tot het bedrag waarop Hiltermann recht heeft volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (artikel 242 Rv).
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.16.
[gedaagde] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van Hiltermann op € 120,78 aan dagvaardingskosten, € 543,- aan griffierecht, € 864,- (2 punten van € 432,-) aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.671,78. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
3.1.
verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen de partijen over de auto met het kenteken [kentekennummer] is ontbonden;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Hiltermann te betalen € 10.364,09 met de contractuele rente van 1,5% per maand over € 10.107,06 vanaf 19 september 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan Hiltermann te betalen de buitengerechtelijke incassokosten van € 876,07 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW als dit bedrag nadat dit vonnis is betekend niet wordt betaald binnen de termijn die de deurwaarder noemt;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Hiltermann tot vandaag worden vastgesteld op € 1.671,78 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW als dit bedrag nadat dit vonnis is betekend niet wordt betaald binnen de termijn die de deurwaarder noemt;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
64362