Kort geding. Nakoming vaststellingsovereenkomst. Toewijzing. Geen sprake van schuldeisersverzuim.
ECLI:NL:RBROT:2026:8980
text/xml
public
2026-07-31T14:56:49
2026-07-23
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Rotterdam
2026-07-08
C/10/717413 / KG ZA 26-312
Uitspraak
Kort geding
NL
Rotterdam
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8980
text/html
public
2026-07-31T14:53:58
2026-07-31
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBROT:2026:8980 Rechtbank Rotterdam , 08-07-2026 / C/10/717413 / KG ZA 26-312
Kort geding. Nakoming vaststellingsovereenkomst. Toewijzing. Geen sprake van schuldeisersverzuim.
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/717413 / KG ZA 26-312
Vonnis in kort geding van 8 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaten: mrs. M.H.J. van Rest en K.F. Liew,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. J.C.G. Franken.
[eiser] vordert om [gedaagde] te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de levering van het onverdeelde aandeel van [eiser] in drie panden aan [gedaagde]. Deze vorderingen worden toegewezen, op straffe van verbeurte van de gevorderde dwangsom. Het verweer van [gedaagde] dat er sprake is van schuldeisersverzuim wordt verworpen.
2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
– de concept-dagvaarding, met producties 1 tot en met 22;
– producties 23 en 24 van [eiser];- de conclusie van antwoord, met producties 24 tot en met 27;
– de spreekaantekeningen van mr. Liew.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 24 juni 2026 plaatsgevonden. [eiser] was daarbij aanwezig, bijgestaan door mr. Lieuw. [gedaagde] is vrijwillig verschenen op de mondelinge behandeling, bijgestaan door mr. Franken.
3.1.
[eiser] ondersteunt via zijn onderneming Family Offices Rotterdam B.V. particulieren bij het aansturen van hun vermogen. [gedaagde] is een voormalige klant van Family Offices Rotterdam.
3.2.
Partijen zijn sinds 2010 samen, ieder voor de helft, eigenaar van de winkelpanden aan [adres 1], [adres 2] en [adres 3] in Rotterdam.
3.3.
Partijen hebben ter beëindiging van een zakelijk geschil afspraken gemaakt om hun samenwerking te ontvlechten. In de e-mail van 6 december 2024 staan afspraken die partijen als een vaststellingsovereenkomst beschouwen. Daarin staat onder andere het volgende:
“1. [straat]: Akkoord
1. Overname per 1 februari 2025 omdat notarieel geen gelegenheid meer is dit voor 31-12-2024 te realiseren
2. Onder voorwaarde van compleet dossier onder meer inclusief huurovereenkomsten, bevestiging huurder van de huurachterstand, opvragen gegevens VVE (voor zover actief) etc.
3. Huurachterstand van de huurster wordt geïncasseerd door [gedaagde] en voor deel [eiser] doorgestort aan [eiser].
4. Waarde 50% aandeel [eiser] € 294.176,25, kosten voor rekening van koper
(..)
1. Betaling door [eiser] van € 6.000 ter vergoeding van gemaakte juridische en advocaatkosten (verrekening met [straat]). Factuur op te stellen door [gedaagde] naar Papiflosi Holding B.V. Betaling naar de derdenrekening van de notaris door Papiflosi Holding B.V., bedrag is incl 21% BTW
2. Betaling door [eiser] van € 37.500 te verrekenen bij de aankoop van de [straat], waarbij eventuele fiscale consequenties voor rekening van [gedaagde] zijn. Factuur op te stellen door [gedaagde] naar Papiflosi Holding B.V. Betaling naar de derdenrekening van de notaris door Papiflosi Holding B.V., bedrag is incl 21% BTW, gelijktijdig met transport.
3.4.
Partijen hebben veelvuldig overleg gevoerd over de nakoming van de vaststellingsovereenkomst, maar zijn niet tot (algehele) overeenstemming gekomen.
4.1.
[eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] te veroordelen om uiterlijk vier weken na dit vonnis medewerking te hebben verleend aan de notariële levering van de Panden als bedoeld in de Vaststellingsovereenkomst, waarbij [gedaagde] het 50% eigendomsbelang in de Panden koopt en geleverd krijgt van [eiser] tegen betaling van € 294.176,25;
II. [gedaagde] te veroordelen om uiterlijk op de dag van de notariële levering als hiervoor bedoeld onder I en na betekening van het vonnis, een bedrag van in totaal € 294.176,25 als ook de andere kosten ter zake de koop en verkoop die verschuldigd zijn uit hoofde van de levering van de Panden, te hebben betaald op de kwaliteitsrekening van notaris die de onder I genoemde levering van de Panden notarieel passeert;
III. te bepalen dat voor zover [gedaagde] niet voldoet aan het gevorderde onder I en II, hij een dwangsom verbeurt van € 5.000, te vermeerderen met € 1.000 voor iedere dag dat de niet-nakoming langer voortduurt met een maximum van € 150.000;
IV. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser].
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen
5.1.
[eiser] stelt een spoedeisend belang bij zijn vorderingen te hebben, omdat uit de aard van de vaststellingsovereenkomst volgt dat partijen hebben beoogd om hun samenwerking op korte termijn te kunnen afwikkelen. Daarnaast draagt [eiser] nog steeds het risico dat behoort bij het bezit van het onroerend goed zolang dat niet is overgedragen aan [gedaagde] en maakt hij nog steeds kosten verbonden aan de panden. Met deze stellingen heeft [eiser] het spoedeisend belang voldoende onderbouwd. [gedaagde] heeft het spoedeisend belang overigens ook niet betwist.
Het toetsingskader
5.2.
[eiser] vordert op grond van artikel 3:296 BW nakoming van een overeenkomst. Bij een vordering tot nakoming moet de voorzieningenrechter zich richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure. Daarbij heeft zij de bevoegdheid om de beslissing mede te doen afhangen van een belangenafweging.
Er is geen sprake van schuldeisersverzuim aan de zijde van [gedaagde]
5.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij hebben afgesproken dat [eiser] zijn aandeel in de panden overdraagt aan [gedaagde]. Nadat partijen in de aanloop naar de mondelinge over een aantal (extra) zaken overeenstemming hebben bereikt, houdt partijen in dit kort geding verdeeld of [gedaagde] zijn verplichting tot afname van het onverdeelde aandeel van [eiser] in de panden kan opschorten, omdat [eiser] in schuldeisersverzuim verkeert. Volgens [gedaagde] is dit zo, omdat partijen het eens waren over de in kort geding gevorderde medewerking aan levering en een aantal aanvullende punten. [eiser] werkt vervolgens ten onrechte niet mee aan levering door onterechte eisen met betrekking tot kwijting te stellen. [eiser] heeft een finale kwijting voor ogen tussen niet alleen [eiser] en [gedaagde], maar ook tussen aan hen gelieerde partijen. [gedaagde] kan hiermee niet instemmen, omdat de gelieerde partijen niet betrokken zijn bij dit kort geding en bij het daaraan ten grondslag liggende geschil. [eiser] betwist dat hij in schuldeisersverzuim verkeert. Partijen hebben weliswaar onderhandeld maar zijn niet gekomen tot definitieve afspraken waarmee zij beide volledig konden instemmen.
5.4.
Van schuldeisersverzuim is op grond van artikel 6:59 BW sprake als de schuldeiser ([eiser]) door aan hem toe te rekenen omstandigheden niet voldoet aan een verplichting zijnerzijds jegens de schuldenaar ([gedaagde]) en deze op die grond bevoegdelijk de nakoming van zijn verbintenis jegens de schuldeiser opschort. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er geen sprake van schuldeisersverzuim. Er is immers geen verplichting aan de zijde van [eiser] ontstaan ten aanzien van de kwijting, omdat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de wijze waarop en aan welke partijen kwijting wordt verleend. Anders geformuleerd hebben partijen geen nadere vaststellingsovereenkomst gesloten. Dit betekent dat moet worden teruggevallen op de vaststellingsovereenkomst genoemd in 3.3. en dat [gedaagde] zijn verplichting tot de levering van het onverdeelde aandeel van [eiser] in de panden aan [gedaagde] niet kan opschorten. Hij moet dus meewerken aan de levering hiervan.
Toe te wijzen vorderingen
5.5.
Vordering I. wordt toegewezen, met dien verstande dat [gedaagde] uiterlijk vier weken na betekening van dit vonnis zijn medewerking moet hebben verleend aan de levering. [gedaagde] wordt veroordeeld om uiterlijk op de dag van de levering een bedrag van € 294.176,25 te hebben betaald op de kwaliteitsrekening van de notaris alsook de andere kosten ter zake de koop en verkoop die verschuldigd zijn uit hoofde van de levering van de panden. Deze afspraak volgt uit de vaststellingsovereenkomst en [gedaagde] heeft daartegen geen verweer gevoerd in deze procedure.
5.6.
Als prikkel tot nakoming van deze veroordelingen wordt de gevorderde dwangsom opgelegd. De dwangsom is eveneens toewijsbaar als prikkel tot nakoming van de betalingsverplichtingen, omdat [eiser] geen middelen ten dienste staan om betaling van die geldsom door rechtstreekse tenuitvoerlegging te bewerkstelligen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
5.7.
[gedaagde] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
– griffierecht
€
2.803,00
– salaris advocaat
€
1.177,00
– nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.169,00
5.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk binnen vier weken na betekening van dit vonnis zijn medewerking te hebben verleend aan de notariële levering van de panden, gelegen aan de [adres 1], [adres 2] en [adres 3] in ([postcode] Rotterdam), waarbij [gedaagde] het 50% eigendomsbelang in de panden koopt en geleverd krijgt van [eiser] tegen betaling van
€ 294.176,25,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk op de dag van de in 6.1 bedoelde notariële levering en na betekening van dit vonnis, een bedrag van in totaal € 294.176,25 als ook de andere kosten ter zake de koop en verkoop die verschuldigd zijn uit hoofde van de levering van de panden, te hebben betaald op de kwaliteitsrekening van notaris die de onder 6.1 genoemde leveringsakte van de panden passeert,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 5.000,- ineens en € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 6.1 en 6.2 genoemde veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 150.000,- is bereikt,
6.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.169,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
6.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.3608/2009
HR 23 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:113 en HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:667.