Wettig en overtuigend bewezen poging doodslag. De verdachte heeft op 17-jarige leeftijd in een volle metro een geladen wapen bij zich gedragen en daarmee ook gericht geschoten. Nadat verdachte werd verrast met een aanval tegen hem waarbij hij in zijn gezicht is geraakt met een scherp voorwerp heeft hij één schot gelost richting zijn aanvallers. Beroep op noodweer slaagt niet: de wijze van verde...
ECLI:NL:RBROT:2026:9479
text/xml
public
2026-08-03T14:59:44
2026-08-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Rotterdam
2026-07-09
10/089302-25 / TUL VV: 10/245566-22
Uitspraak
Eerste aanleg – meervoudig
NL
Rotterdam
Strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:9479
text/html
public
2026-08-03T14:57:24
2026-08-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBROT:2026:9479 Rechtbank Rotterdam , 09-07-2026 / 10/089302-25 / TUL VV: 10/245566-22
Wettig en overtuigend bewezen poging doodslag. De verdachte heeft op 17-jarige leeftijd in een volle metro een geladen wapen bij zich gedragen en daarmee ook gericht geschoten. Nadat verdachte werd verrast met een aanval tegen hem waarbij hij in zijn gezicht is geraakt met een scherp voorwerp heeft hij één schot gelost richting zijn aanvallers. Beroep op noodweer slaagt niet: de wijze van verdediging tegen de aanval was niet geboden. Het beroep op noodweer slaagt daarom niet. Ook is niet aannemelijk is geworden dat de verdachte de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden als onmiddellijk gevolg van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Noodweerexces slaagt evenmin. Jeugddetentie 76 dagen ma + toewijzing vordering tenuitvoerlegging.
Team Jeugd
Parketnummers: 10/089302-25
Parketnummer vordering TUL VV: 10/245566-22
Datum uitspraak: 9 juli 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
raadsman mr. J.N. Hoek, advocaat te Rotterdam.
bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 176 dagen met aftrekvan voorarrest, waarvan 100 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door Raad voor de Kinderbescherming(hierna: de Raad);
met opdracht aan de gecertificeerde instelling Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
4.1.
Bewijswaardering
4.1.1.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft in overeenstemming met zijn op schrift gestelde pleitnota primair vrijspraak van beide feiten bepleit en daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte wist niet dat het om een echt vuurwapen ging. Onder die omstandigheden heeft de verdachte geen voorwaardelijk opzet gehad op het voorhanden hebben van een echt vuurwapen en daardoor evenmin op de dood van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] . Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat het schieten niet zonder meer kan worden gekwalificeerd als poging doodslag Er is geen bewijs voor de aanmerkelijke kans dat de dood van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zou intreden en dat de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. Er is immers geen bewijs dat de verdachte gericht heeft geschoten en op welk deel van het lichaam is gericht, zodat niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans bestond op het intreden van de dood.
4.1.2.
Beoordeling
Op 21 maart 2025 zat de verdachte in de metro. Bij de halte Schiedam Centrum kwamen er twee jongens naar binnen die samen met een andere jongen richting de verdachte liepen. De verdachte werd direct aangevallen door deze jongens. Hierbij werd hij met een scherp voorwerp in het gezicht geraakt. Er ontstond een gevecht in het gangpad van de metro, waarbij de verdachte op de grond belandde. Uit de camerabeelden van de RET, zoals beschreven in het proces-verbaal van bevindingen, blijkt dat de verdachte bij het opstaan een vuurwapen in zijn hand had. Vervolgens richtte hij het vuurwapen met gestrekte arm op de drie personen die hem kort daarvoor hadden aangevallen. De verklaring van de getuige sluit hierbij aan. Zij heeft verklaard dat zij zag dat de verdachte bij het opstaan een vuurwapen in zijn handen had en daarmee richtte op de jongen met wie hij zojuist had gevochten. Ze hoorde vervolgens een knal. Naar aanleiding van het bekijken van de camerabeelden herkende de verbalisant twee van de jongens die de verdachte hebben aangevallen als [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte met gestrekte arm gericht op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft geschoten.
De verdachte heeft zijn verklaring dat hij dacht dat het vuurwapen een balletjespistool zou zijn op geen enkele wijze nader toegelicht of onderbouwd. Dat ligt ook niet voor de hand dat de verdachte daadwerkelijk de trekker zou overhalen als hij dacht dat het een balletjespistool was, nu daarmee voor de belagers duidelijk zou worden dat van dat wapen geen reële dreiging uitging. De rechtbank schuift de verklaring van de verdachte dan ook als ongeloofwaardig terzijde.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is van voorwaardelijk opzet, gericht op de dood van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] . De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.
Door eenmaal met een vuurwapen in de richting van de jongens te schieten, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij (een van) beide jongens hierbij dodelijk zou raken. Naar algemene ervaringsregels roept het op korte afstand schieten met gestrekte arm en derhalve op gelijke hoogte van het bovenlichaam immers de aanmerkelijke kans in het leven dat die ander daardoor in het bovenlichaam wordt geraakt en aldus komt te overlijden. Hierbij neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking dat zich in het bovenlichaam vitale organen bevinden. Door desondanks te handelen zoals de verdachte heeft gedaan, heeft hij deze aanmerkelijke kans op het intreden van dit gevolg bewust aanvaard.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie. Beide tenlastegelegde feiten zijn dus bewezen.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
hij op of omstreeks 21 maart 2025 te Schiedam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, (meermalen) met een (vuur)wapen heeft geschoten op/naar, althans in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
2
hij op of omstreeks 21 maart 2025 te Schiedam, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver van het merk/type BBM Olympic 38, kaliber .22 lr en/of (bijbehorende) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van de Wet wapens munitie, van de categorie III voorhanden heeft gehad
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
feit 1
poging doodslag
feit 2
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
5.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, mocht er al sprake zijn van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte, een beroep op noodweer door de verdachte niet kan slagen. Het handelen van de verdachte voldoet niet aan de eis van proportionaliteit. Door het pakken van een geladen vuurwapen en vervolgens te schieten heeft de verdachte gekozen voor een te zwaar middel.
5.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat, mocht de rechtbank tot bewezenverklaring van enig feit komen, de verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toe komt. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte en zijn handelen voldoet aan de subsidiariteits- en proportionaliteitseis. Immers, de verdachte werd eerst aangevallen door drie tot vijf personen die er duidelijk op uit waren met hem te vechten. De verdachte kon zich aan die aanval niet onttrekken omdat ze al vechtend en aan het eind van de metro waren beland.
5.3.
Beoordeling
Noodweer
Een beroep op noodweer kan slechts slagen in een situatie waarin de verdediging van – in dit geval – verdachtes lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding noodzakelijk en geboden was. De beantwoording van de vraag of een gedraging geboden is ter noodzakelijke verdediging – waarin de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit liggen besloten – hangt af van de feitelijke omstandigheden van het geval. Deze omstandigheden zijn hierboven onder 4.1.2 beschreven.
De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte. De verdachte is immers in de metro plotseling door drie jongens aangevallen, waarbij hij met een scherp voorwerp in zijn gezicht is geraakt. De aanval ging uit van de andere jongens, was dreigend en gericht tegen de verdachte. Daarbij staat vast dat de jongens geweld hebben gebruikt tegen de verdachte. Daarmee is sprake van een noodweersituatie. De verdachte mag zich hiertegen verdedigen.
De vraag is vervolgens of het daarop volgende handelen van de verdachte voldoet aan de aan de subsidiariteits- en proportionaliteitseis en daarmee of de gekozen wijze van de verdediging tegen de aanranding geboden was.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door direct met een vuurwapen gericht richting de aanvallers te schieten niet binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit is gebleven. Zo had de verdachte voor een minder verstrekkend verdedigingsmiddel kunnen kiezen. Hij had met het vuurwapen kunnen dreigen, een waarschuwingsschot kunnen lossen of kunnen richten op minder vitale lichaamsdelen, zoals de benen van de aanvallers. De keuze van het verdedigingsmiddel, direct gericht vanaf korte afstand schieten op het bovenlichaam, staat dus niet in verhouding met de aanval.
Hieruit volgt dat de gekozen wijze van verdediging tegen de aanval niet geboden was. Het beroep op noodweer slaagt daarom niet.
Ook anderszins zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweerexces. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte in paniek heeft gehandeld. Er was sprake van een hevige gemoedsbeweging als gevolg van de aanval.
6.2.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden als onmiddellijk gevolg van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Zo is noch uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting duidelijk geworden wie de aanvallers waren en hun motieven was. Ook de verdachte heeft desgevraagd geen inzicht willen of kunnen geven in wie de jongens zijn. Evenmin heeft hij een nadere toelichting gegeven over de aanleiding en context van de confrontatie. Dat er sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt, is dan ook niet aannemelijk geworden.
Het voorgaande betekent dat ook het beroep op noodweerexces niet slaagt.
6.3.
Conclusie
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft op 17-jarige leeftijd in een volle metro een geladen wapen bij zich gedragen en daarmee ook gericht geschoten. Nadat verdachte werd verrast met een aanval tegen hem waarbij hij in zijn gezicht is geraakt met een scherp voorwerp heeft hij één schot gelost richting zijn aanvallers. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten.
Dit soort strafbare feiten is in zijn algemeenheid schokkend voor de samenleving – in het bijzonder voor de reizigers die in de metro zaten en getuige zijn geweest van het schietincident – en zorgt voor gevoelens van angst en onveiligheid.
De verdachte heeft bovendien het vuurwapen voorhanden gehad waarmee hij heeft geschoten. De rechtbank vindt het zeer zorgelijk dat de verdachte de keuze heeft gemaakt om met een geladen vuurwapen naar buiten te gaan. Het ongeoorloofd bezit van wapens leidt niet zelden tot het gebruik daarvan, zoals ook is gebleken in deze zaak.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
4 juni 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor wapenbezit.
7.3.2.
Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
GZ-Psycholoog drs. [persoon A] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 16 juli 2025. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.
Bij de verdachte is sprake van een normoverschrijdende gedragsstoornis. Hiervan was waarschijnlijk ook sprake ten tijde van het ten laste gelegde. In hoeverre en
in welke mate het van invloed is geweest op het handelen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde kan de deskundige niet beoordelen en zij kan geen uitspraak doen over toerekening.
Het risico voor toekomstig gewelddadig gedrag wordt hoog ingeschat. Om mogelijk crimineel afglijden te voorkomen en zijn ontwikkeling in positieve zin te stimuleren is vooral een hele functionele en volwassen aanpak nodig. Hij dient verantwoordelijk te worden gehouden voor zijn eigen gedrag. Een arbeidstoeleidingstraject kan hem onder strakke voorwaarden worden aangeboden. Een dergelijke functionele en praktische begeleiding sluit aan bij de instrumentele en opportunistische manier waarop de verdachte denkt en handelt. Geadviseerd wordt om een jeugddetentie op te leggen welke ten uitvoer wordt gelegd in een Penitentiaire Inrichting (hierna PI). Er zijn geen zwaarwegende gronden om toepassing van het volwassen strafrecht te adviseren, er zijn geen/weinig pedagogische beïnvloedingsmogelijkheden meer, waardoor plaatsing in een PI passender is. Overwogen kan worden om hem aansluitend een periode te ondersteunen met een volwassen reclasseringstoezicht.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 23 juni 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
De Raad ziet zowel risicofactoren als beschermende factoren voor de kans op herhaling.
Het is van belang dat de verdachte bij het KTC blijft om vanuit daar verder te groeien naar een zelfstandige woonplek. Daarnaast is het belangrijk dat hij werkt of naar school gaat zodat een groot deel van zijn tijd nuttig wordt besteed en hij bezig is met zijn toekomst. Gezien de wisselende signalen over cannabisgebruik is dat een aandachtspunt. De verdachte heeft vele vormen van begeleiding gehad zoals dagbesteding, coaching en behandeling. Dat heeft enig effect gehad maar op dit moment komt de begeleiding niet verder met de verdachte. Uit het PO van vorig jaar komt ook naar voren dat er geen pedagogische meerwaarde meer is om opnieuw dat soort hulp in te zetten.
De Raad adviseert om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, verblijven bij een KTC of vergelijkbare instelling en werkt en/of naar school.
Deskundige [persoon B] , werkzaam als jeugdreclasseerder, heeft op de zitting het volgende naar voren gebracht. Ik ben al sinds april 2024 betrokken bij de verdachte. De rode draad bij verdachte is dat hij vol enthousiasme ergens aan begint, maar dat zijn motivatie na verloop van tijd afneemt. Hij regelt veel dingen zelf en dat gaat best goed, alleen lukt het niet om iets af te ronden. Ik weet niet of ik als jeugdreclasseerder nog iets kan toevoegen.
De verdachte geeft zelf ter zitting aan dat hij niets van begeleiding nodig vindt.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Hoewel het hier om ernstige feiten gaat en de rechtbank de verdachte deze stevig aanrekent, verliest zij bij de straftoemeting niet uit het oog dat het de verdachte was die werd aangevallen en hij dus niet de initiator was van het geweld.
Anders dan de officier van justitie en de Raad ziet de rechtbank geen meerwaarde in oplegging van een voorwaardelijke straf met daaraan bijzondere voorwaarden gekoppeld. De verdachte loopt nog in een schorsing met bijzondere voorwaarden. Er wordt daarom volstaan met ‘kaal afstraffen’. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 76 dagen met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
8.1.
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 13 juli 2023 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van straatroof en afpersing veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie van 100 dagen, waarvan 35 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 28 juli 2023.
8.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel deze af te wijzen.
8.3.
Beoordeling
De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.
Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf. Wel worden er redenen gezien om in plaats 35 dagen jeugddetentie een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 70 uren te gelasten.
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan ook vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 76 (zesenzeventig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte van de bij vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde jeugddetentie, met dien verstande dat in plaats van de gevorderde last tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie – aan de veroordeelde een taakstraf, bestaande uit een werkstraf op voor de duur van 70 (zeventig) uren, met bevel dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 35 (vijfendertig) dagen;
bepaalt dat de vervangende jeugddetentie ten uitvoer kan worden gelegd als vervangende hechtenis, indien de veroordeelde bij aanvang van de eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.J. Loorbach, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. W.M. Stolk en P.A. Ellenbroek, rechters,
in tegenwoordigheid van C.A. van den Houwen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juli 2026.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 21 maart 2025 te Schiedam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, (meermalen) met een (vuur)wapen heeft geschoten op/naar, althans in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
2
hij op of omstreeks 21 maart 2025 te Schiedam, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie III onder 1º van de Wet wapens en
munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver van het merk/type BBM Olympic 38, kaliber .22 lr en/of (bijbehorende) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van de Wet wapens munitie, van de categorie III voorhanden heeft gehad