Eiseres stelt dat ze geldleningsovereenkomsten gesloten heeft met gedaagden en vordert nakoming (terugbetaling). Gedaagden betwisten dat er terugbetalingsverplichtingen zijn afgesproken. De kantonrechter geeft een bewijsopdracht aan eiseres.
ECLI:NL:RBZWB:2026:3497
text/xml
public
2026-05-27T09:03:57
2026-04-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-29
11848631 CV EXPL 25-2731
Uitspraak
Bodemzaak
NL
Breda
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3497
text/html
public
2026-05-27T09:03:39
2026-05-27
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:3497 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 29-04-2026 / 11848631 CV EXPL 25-2731
Eiseres stelt dat ze geldleningsovereenkomsten gesloten heeft met gedaagden en vordert nakoming (terugbetaling). Gedaagden betwisten dat er terugbetalingsverplichtingen zijn afgesproken. De kantonrechter geeft een bewijsopdracht aan eiseres.
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11848631 CV EXPL 25-2731
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[eiseres]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Maximus Gerechtsdeurwaarders en Incasso B.V. te Barendrecht,
tegen
te [plaats 2] ,2. [gedaagde 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
[eiseres] heeft in de periode 2020 tot 2022 drie geldbedragen (totaal: € 7.300,00) overgemaakt aan [gedaagden] . [eiseres] stelt dat ze deze geldbedragen aan [gedaagden] heeft geleend en dat zij deze bedragen aan haar moesten terugbetalen. [gedaagden] betwisten dat. Volgens hen waren de geldbedragen schenkingen en is er geen terugbetalingsverplichting afgesproken. De kantonrechter geeft [eiseres] de bewijsopdracht om te bewijzen dat sprake was van geldleningsovereenkomsten.
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
a. de dagvaarding met bijbehorende producties,b. het extract audiëntieblad van de rolzitting van 27 augustus 2025,
c. de conclusie van antwoord met bijbehorende producties,d. de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
e. de mondelinge behandeling van 12 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
f. de door [eiseres] op de mondelinge behandeling overgelegde schriftelijke getuigenverklaring.
1.2.
Daarna is een datum bepaald waarop dit tussenvonnis wordt uitgesproken.
2.1.
Op grond van niet of onvoldoende weersproken stellingen van partijen en de overgelegde stukken gaat de kantonrechter uit van de volgende feiten:
[eiseres] en [gedaagde 2] kennen elkaar van een opleiding. Zij spraken met elkaar af en op enig moment heeft [eiseres] ook de echtgenoot van [gedaagde 2] , [gedaagde 1] , leren kennen.
In de periode dat zij met elkaar omgingen heeft [eiseres] drie geldbedragen overgemaakt aan [gedaagden] .
Op 5 september 2020 heeft zij € 1.800,00 overgemaakt, op 8 juli 2022 heeft zij € 1.000,00 overgemaakt en op 14 juli 2022 heeft zij € 4.500,00 overgemaakt.
In de omschrijvingen van deze overboekingen staat “diversen”, niets en “vakantie”.
Deze geldbedragen heeft [eiseres] aan [gedaagden] overgemaakt zonder dat daarvoor een schriftelijke overeenkomst bestond.
In het overgelegde afschrift van het Whatsapp-gesprek tussen [eiseres] en [gedaagde 2] zijn geen berichten over een terugbetalingsverplichting te lezen.
In november 2024 hebben [eiseres] en [gedaagde 2] hun contact beëindigd. [eiseres] heeft daarbij via Whatsapp gevraagd om terugbetaling van de overgemaakte bedragen.
Op 7 februari 2025 heeft [eiseres] terugbetaling van de € 7.300,00 opgeëist. [gedaagden] hebben niets (terug)betaald aan [eiseres] .
3.1.
[eiseres] vordert – samengevat – terugbetaling van een geldbedrag van € 7.300,00, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en wettelijke rente. Primair vordert [eiseres] terugbetaling op grond van een geldleningsovereenkomst. Subsidiair vordert zij terugbetaling op grond van onverschuldigde betaling.
3.2.
[gedaagden] voeren verweer. Zij betwisten dat de ontvangen bedragen leningen waren en voeren aan dat zij ervan overtuigd waren dat de bedragen schenkingen waren. Volgens hen hebben partijen nooit afgesproken dat het geld op enig moment terugbetaald zou moeten worden. Zij hebben dat daarom ook niet gedaan.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Hebben partijen geldleningsovereenkomsten gesloten met elkaar?
4.1.
De vraag die partijen verdeeld houdt is of [eiseres] de bedragen van € 1.800,00, € 1.000,00 en € 4.500,00 heeft overgemaakt als lening of als schenking. Van doorslaggevend belang voor de beoordeling en beantwoording van deze vraag is of partijen wel of geen terugbetalingsverplichting met elkaar hebben afgesproken. Omdat [eiseres] zich beroept op de rechtsgevolgen van haar stelling dat zij geldleningsovereenkomsten met [gedaagden] is aangegaan, rust op grond van de hoofdregel uit artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op [eiseres] de stelplicht en bewijslast van de door haar gestelde feiten en omstandigheden.
4.2.
Vast is komen staan dat partijen geen schriftelijke geldleningsovereenkomsten hebben opgemaakt. Verder blijkt uit de aan de kantonrechter overgelegde stukken niet van afspraken over (de terugbetaling van) de overgemaakte bedragen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] wel een schriftelijke getuigenverklaring overgelegd aan de kantonrechter. De inhoud van deze getuigenverklaring wordt betwist door [gedaagden] . Omdat tot op heden niet is vast komen te staan dat partijen mondeling afspraken hebben gemaakt over het al dan niet moeten terugbetalen van de overgemaakte bedragen, kan de kantonrechter op dit moment niet vaststellen of partijen geldleningsovereenkomsten met elkaar zijn aangegaan.
Bewijsopdracht
4.3.
Gelet op het voorgaande draagt de kantonrechter [eiseres] op bewijs te leveren van haar stelling dat partijen geldleningsovereenkomsten zijn aangegaan voor de overgemaakte geldbedragen van € 1.800,00, € 1.000,00 en € 4.500,00. Daarbij is van belang dat het gaat om verschillende overboekingen, verricht op verschillende momenten en met verschillende omschrijvingen. Bij de bewijslevering dient onderscheid te worden gemaakt tussen de overgemaakte bedragen. Met andere woorden: [eiseres] dient per overgemaakt bedrag te bewijzen dat sprake is van een geldleningsovereenkomst, waarbij partijen een terugbetalingsverplichting zijn overeengekomen.
4.4.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
De kantonrechter:
5.1.
draagt [eiseres] op te bewijzen dat zij en [gedaagden] geldleningsovereenkomsten hebben gesloten voor de door haar overgemaakte bedragen van € 1.800,00, € 1.000,00 en € 4.500,00,
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 13 mei 2026 voor uitlating door [eiseres] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.3.
bepaalt dat, als [eiseres] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
5.4.
bepaalt dat, als [eiseres] getuigen wil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden juni 2026 tot en met augustus 2026 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van enig getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.5.
bepaalt dat enig getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. drs. Paijmans, in het gerechtsgebouw te Breda, Stationslaan 10,
5.6.
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. Paijmans en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.