Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:3808

WW. Geen passende arbeid behouden.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:3808
text/xml
public
2026-06-02T17:00:20
2026-05-07
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-08
25/4861 WW
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Breda
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3808
text/html
public
2026-06-01T12:27:14
2026-06-02
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:3808 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 08-05-2026 / 25/4861 WW

WW. Geen passende arbeid behouden.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/4861 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.F. Antes),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beslissing van het UWV om eisers recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) niet uit te betalen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft besloten om de WW-uitkering niet uit te betalen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

2. Eiser is op 24 januari 2022 als uitzendkracht in dienst getreden bij [b.v.] ( [b.v.] ). Hij is laatstelijk werkzaam geweest als warehouse operator. [b.v.] en eiser hebben de volgende arbeidsovereenkomsten gesloten:

– van 24 januari 2022 tot 20 februari 2022, uitzendovereenkomst Fase A;

– van 18 juli 2022 tot en met 16 oktober 2022, uitzendovereenkomst Fase A;

– van 17 oktober 2022 tot en met 15 januari 2023, uitzendovereenkomst Fase A;

– van 16 januari 2023 tot en met 16 juli 2023, uitzendovereenkomst Fase B;

– van 17 juli 2023 tot en met 9 januari 2024, uitzendovereenkomst Fase B;

– van 10 januari 2024 tot en met 5 januari 2025, uitzendovereenkomst Fase B;

– van 6 januari 2025 tot en met 29 juni 2025, uitzendovereenkomst Fase B.

2.1.

[b.v.] zou eiser vervolgens een verlenging van drie maanden hebben aangeboden. Eiser heeft [b.v.] op 2 juni 2025 gemaild: “Naar aanleiding van ons gesprek over contractverlenging waar ik het niet eens mee ben omdat 3 maanden absurd is en er voor mij geen toekomst daarna meer is. Bij deze ga ik niet verder met [b.v.] en neem ik mijn vrije dagen op. (…) Ik heb hier met veel plezier gewerkt maar er is voor mij geen toekomst meer hier.” [b.v.] heeft eiser op 2 juni 2025 een brief gestuurd met de volgende inhoud: “U heeft bevestigd het dienstverband met [b.v.] te willen beëindigen per 29-06-2025, wij hebben uw ontslag in goede orde ontvangen en zullen zorgdragen voor de administratieve afhandelingen.”

2.2.

Eiser heeft op 23 juni 2025 een WW-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft met het primaire besluit van 11 juli 2025 eiser een WW-uitkering toegekend, maar bepaald dat deze niet wordt uitbetaald omdat eiser door eigen schuld geen passende arbeid heeft behouden. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 14 augustus 2025 is het UWV bij het primaire besluit gebleven.

2.3.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.4.

De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.

Wettelijk kader

3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt daarvan onderdeel uit.

Standpunt van eiser

4. Eiser stelt dat hem nimmer een concreet schriftelijk aanbod is gedaan voor verlenging van zijn arbeidsovereenkomst met drie maanden. Daarover is slechts globaal mondeling gesproken. Eiser heeft op 2 juni 2025 [b.v.] per mail kenbaar gemaakt dat een verlenging van slechts drie maanden voor hem niet aantrekkelijk zou zijn, omdat [b.v.] had gesteld dat er na die drie maanden niets meer mogelijk zou zijn. Eiser hoopte dat [b.v.] hem naar aanleiding van deze mail alsnog schriftelijk een langere verbintenis zou aanbieden, zodat hij tot aan zijn AOW-gerechtigde leeftijd via [b.v.] kon blijven werken. In plaats daarvan kreeg eiser een brief met als onderwerp “bevestiging ontslagname”. Eiser heeft dit opgevat als een aanzegging van de arbeidsovereenkomst die al van rechtswege zou eindigen op 29 juni 2025. Verder meent eiser dat geen sprake is van de b2-grond (aanvaarden of verkrijgen), maar van de b3-grond (behouden) uit artikel 24 van de WW. Op grond daarvan kan het UWV de uitkering ook voor 50% weigeren. Tot slot doet eiser een beroep op dringende redenen. Eiser heeft sinds 29 juni 2025 geen inkomsten meer. Hij wordt na 47 jaar hard werken afgestraft op het feit dat hij zijn teleurstelling heeft geuit omtrent het niet aanbieden van een contract voor onbepaalde tijd.

Oordeel van de rechtbank

5. Ter zitting heeft het UWV bevestigd dat de grondslag van het bestreden besluit artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3˚, van de WW is, nu eiser door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden door een concreet aanbod tot verlenging niet te accepteren.

5.1.

Bij het niet nakomen van de verplichting uit artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3˚, van de WW, brengt het UWV op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW een bedrag blijvend op de WW-uitkering in mindering, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

Uit de Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 van de WW 2006 (de Beleidsregels) en uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat in de situatie dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt en de werkgever de werknemer eenzelfde arbeidsovereenkomst aanbiedt die door de werknemer wordt geweigerd, gesteld kan worden dat door eigen toedoen geen passende arbeid is behouden.

5.2.

Uit de gespreksverslagen van 1 augustus 2025 blijkt dat [b.v.] eiser een arbeidsovereenkomst onder dezelfde voorwaarden heeft aangeboden als de overeenkomst van 6 januari 2025. Dat dit aanbod niet schriftelijk is gedaan, doet hieraan niet af. Eiser heeft in zijn e-mail aan [b.v.] van 2 juni 2025 bevestigd dat aan hem een contractverlenging van drie maanden is aangeboden. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er voor eiser geen beletsel om met dat aanbod akkoord te gaan. Eiser heeft aangegeven dat hij een verlenging van drie maanden te kort vond en de voorkeur gaf aan een jaarcontract. Dit vormt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende reden om het aanbod van [b.v.] te weigeren. Dat het eisers wens was om tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd zekerheid te krijgen, maakt niet dat voortzetting van het dienstverband met [b.v.] niet van hem kon worden gevergd. Het UWV heeft dan ook terecht geconcludeerd dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden.

5.3.

Ter zitting heeft eiser gesteld dat hem slechts het verlies van 16 uur per week kan worden verweten. Eiser is een contractverlenging voor 16 uur per week aangeboden, maar in de praktijk werkte hij 32 uur per week. Eiser is van mening dat er slechts 16 uur in mindering mag worden gebracht op zijn recht op een WW-uitkering en dat hem voor de overige uren wel een WW-uitkering verstrekt moet worden.

5.4.

De rechtbank wijst erop dat in artikel 27, elfde lid, van de WW is vastgelegd hoe het bedrag dient te worden berekend dat in mindering moet worden gebracht op het recht op een WW-uitkering. Daarbij is bepaald dat uitgegaan dient te worden van het aantal uren in een kalendermaand dat de werknemer gewerkt zou hebben, indien hij de arbeid zou hebben behouden (B). Het UWV heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat er volledig dient te worden gekort en niet alleen voor 16 uur per week. Ter zitting heeft het UWV toegelicht dat de omvang op papier weliswaar 16 uur per week is, maar dat uit de polisadministratie blijkt dat eiser, zoals hij ook heeft gesteld, meer uren per week werkte. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het aantal uren waarvan uitgegaan moet worden bij toepassing van artikel 27, elfde lid en niet het aantal aangeboden uren. Met het UWV is de rechtbank dan ook van oordeel dat artikel 27 van de WW geen grondslag biedt om alleen het aantal contracturen te korten. Omdat de wettekst duidelijk en ondubbelzinnig is, bestaat er geen grond om zwaarder gewicht toe te kennen aan de bedoeling van de wetgever zoals die volgens eiser uit de wetsgeschiedenis zou blijken.

5.5.

Tot slot heeft eiser een beroep gedaan op de dringende reden. Ook deze grond kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. De oorzaak van het niet uitbetalen van de WW-uitkering is geheel aan eiser te wijten. De rechtbank stelt vast dat eiser voordat hij een WW-uitkering heeft aangevraagd werkzaam is geweest via [uitzendbureau] en bij [bedrijf] . Bovendien heeft hij ter zitting verklaard zijn opgebouwde pensioen naar voren te hebben kunnen halen en daar nu van te kunnen leven. Er is dus niet gebleken van financiële problemen als gevolg van het niet uitbetalen van de WW-uitkering.

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 8 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Werkloosheidswet (WW)

Artikel 24

1. De werknemer voorkomt dat hij:

a. verwijtbaar werkloos wordt;

b. werkloos is of blijft, doordat hij:

1°. in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen;

2°. nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;

3°. door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt; of

4°. in verband met door hem te verrichten arbeid eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.

2. De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien:

a. aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt;

b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

(…)

7. Het tweede en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste lid, onderdeel b, onder 3°, waarbij voor de overeenkomstige toepassing van het tweede lid, onderdeel b, voor «de dienstbetrekking is beëindigd» mede wordt gelezen: de arbeid is beëindigd of niet voortgezet.

(…)

Artikel 27

1. Het UWV brengt een bedrag blijvend op de uitkering in mindering indien de werknemer een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, onder 3°, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval brengt het UWV de helft van het bedrag, bedoeld in de eerste zin, in mindering over ten hoogste een periode van 26 weken.

(…)

11. Het bedrag, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt als volgt berekend:

A x B x (C / D). Hierbij staat:

A voor 0,75 in de eerste twee maanden waarop recht op uitkering bestaat en daarna voor 0,7;

B voor het aantal uren in een kalendermaand dat de werknemer gewerkt zou hebben indien hij de arbeid, bedoeld in het eerste of tweede lid, zou hebben aanvaard, verkregen of behouden;

C voor het dagloon; en

D voor het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek, bedoeld in artikel 16, tweede en zesde lid, gedeeld door 5.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3303

Zie de uitspraak van de CRvB van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.

Artikel delen