Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:3869

Verzetzaak. Verzet gedeelteljk gegrond. Hoofdsom voor inleidende dagvaarding voldaan. Buitengerechtelijke incassokosten en rente zijn wel toewijsbaar. Compensatie proceskosten.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:3869 text/xml public 2026-06-02T15:01:16 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-22 11923420 CV EXPL 25-3384 (E) Uitspraak Bodemzaak Verzet NL Breda Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3869 text/html public 2026-06-01T14:23:54 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3869 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 22-04-2026 / 11923420 CV EXPL 25-3384 (E)
Verzetzaak. Verzet gedeelteljk gegrond. Hoofdsom voor inleidende dagvaarding voldaan. Buitengerechtelijke incassokosten en rente zijn wel toewijsbaar. Compensatie proceskosten.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: 11923420 CV EXPL 25-3384

Vonnis van 22 april 2026

in de zaak van

[opposant] ,

te [plaats],

opposant,

hierna te noemen: [opposant],

gemachtigde: mr. G.J. van den Hoven,

procederend krachtens een aan hem verleende toevoeging,

tegen

STICHTING KLINIEK NAALDWIJK IN LIQUIDATIE,

te Sliedrecht,

geopposeerde,

hierna te noemen: SKN,

vertegenwoordigd door [bestuurder], bestuurder van SKN.
1De zaak in het kort
SKN heeft in opdracht en voor rekening van [opposant] een tandheelkundige behandeling verricht. [opposant] heeft het openstaande factuurbedrag voor dagvaarding aan SKN voldaan. [opposant] hoeft dit bedrag dan ook niet meer aan SKN te betalen. Wel is [opposant] de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten aan SKN verschuldigd. De kantonrechter ziet aanleiding om te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt, zowel in de verstek- als in de verzetprocedure. De kantonrechter zal daarom het tussen partijen gewezen verstekvonnis vernietigen en opnieuw beslissen.
2De procedure 2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verstekvonnis van de kantonrechter te Breda met zaak/rolnummer 11755855 CV EXPL 25-2072 van 13 augustus 2025 met de daarin genoemde stukken;

- de verzetdagvaarding van 3 oktober 2025 met producties;

- de conclusie van antwoord in verzet met producties;

- de conclusie van repliek in verzet.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten 3.1.
SKN heeft op 29 juli 2024 in opdracht van en voor rekening voor [opposant] een tandheelkundige behandeling verricht.
3.2.
SKN heeft voor de hiervoor genoemde tandheelkundige behandeling op 3 augustus 2024 een bedrag van € 836,06 aan [opposant] in rekening gebracht.
3.3.
De incassogemachtigde van SKN (Medicas B.V.) heeft [opposant] bij brief van 25 november 2024 tot betaling van het factuurbedrag van € 836,06 gesommeerd. Tevens heeft de incassogemachtigde van SKN in deze brief aangezegd dat [opposant] bij niet tijdige betaling tevens de contractuele rente en de buitengerechtelijke incassokosten van € 151,75 aan SKN verschuldigd is.
3.4.
[opposant] heeft op 2 mei 2025 het factuurbedrag van € 836,06 aan SKN voldaan.
4Het geschil 4.1
De vordering van [opposant] in verzet strekt ertoe -samengevat- dat hij ontheven wordt van de veroordeling tegen hem uitgesproken in het verstekvonnis van 13 augustus 2025 (bekend onder zaaknummer 11755855 CV EXPL 25-2072) en dat de vordering van SKN alsnog wordt afgewezen, met veroordeling van SKN in de (na)kosten van de procedure, te vermeerderen met rente.

[opposant] stelt primair dat de vordering niet toewijsbaar is, omdat SKN in strijd met artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de procedure heeft doorgezet, terwijl zij wist, althans had moeten weten dat de hoofdsom voor dagvaarding al was betaald. [opposant] stelt subsidiair dat de vordering niet toewijsbaar is, omdat de verschuldigdheid van de bijkomende kosten onvoldoende is komen vast te staan.
4.2.
Het verweer strekt tot niet ontvankelijkheid, althans ontzegging van [opposant] van zijn vordering in verzet.
4.3.
Op de stellingen en argumenten van partijen wordt hierna in de beoordeling, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
Ontvankelijkheid van het verzet
5.1.
De kantonrechter dient, alvorens aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering toe te komen, te beoordelen of [opposant] in zijn vordering ontvankelijk is. Ten aanzien van de tijdigheid van het door [opposant] ingestelde verzet overweegt de kantonrechter als volgt.
5.2.
Op grond van artikel 143 lid 2 Rv moet verzet tegen een veroordeling bij verstek worden gedaan binnen vier weken na betekening van het vonnis in persoon of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is.
5.3.
SKN stelt in haar conclusie van antwoord in verzet dat het verstekvonnis van 13 augustus 2025 op 15 augustus 2025 aan [opposant] is betekend. SKN legt ter onderbouwing van haar stelling als productie 3 bij conclusie van antwoord in verzet een aan [opposant] geadresseerde brief van 15 augustus 2025 over. Uit deze brief volgt echter niet dat het vonnis in persoon aan [opposant] is betekend, als in artikel 143 lid 2 Rv bedoeld. Het lag op de weg van SKN om haar stelling te onderbouwen door -bijvoorbeeld- een deurwaardersexploot over te leggen waaruit daadwerkelijk blijkt dat het verstekvonnis in persoon aan [opposant] is betekend. Niet is gesteld of gebleken dat [opposant] op enig moment een daad heeft gepleegd waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging op enig moment aan hem bekend was. Het verzet is gelet hierop tijdig ingesteld. [opposant] is dan ook in zijn verzet ontvankelijk.

Informatieplichten
5.4.
De medische behandelovereenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt is gesloten tussen een zorgverlener en [opposant] als consument. In dat geval moet ambtshalve, dus ook als dat door partijen niet aan de orde is gesteld en/of de vordering is erkend, worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, voor zover van toepassing.
5.5.
Ambtshalve toetsing van informatieplichten is hier niet aan de orde, omdat een medische behandelovereenkomst op grond van artikel 6:230h lid 2 sub d van het Burgerlijk Wetboek (BW) is uitgezonderd van de betreffende afdeling uit het BW.
5.6.
SKN stelt dat op de rechtsverhouding tussen partijen algemene betalingsvoorwaarden van toepassing zijn. SKN verwijst daarvoor naar de als productie 3 bij dagvaarding overgelegde betalingsvoorwaarden van Medicas, zijnde de (incasso)gemachtigde van SKN. Niet gesteld of gebleken is op welke wijze de algemene (betalings)voorwaarden van haar (incasso)gemachtigde op de overeenkomst tussen SKN en [opposant] van toepassing zijn verklaard. Dit volgt namelijk niet uit de door SKN overgelegde stukken. Niet duidelijk is hoe de algemene voorwaarden voorafgaand aan de overeenkomst aan [opposant] beschikbaar zijn gesteld. De kantonrechter zal deze betalingsvoorwaarden in zoverre dan ook buiten toepassing laten. Aan een ambtshalve toetsing van de in de betalingsvoorwaarden opgenomen bedingen komt de kantonrechter dan ook niet toe.

Hoofdsom
5.7.
SKN heeft in haar inleidende dagvaarding betaling van het openstaande factuurbedrag van € 836,06 gevorderd. SKN stelt dat [opposant] dit bedrag, ondanks betalingsherinneringen en sommaties, niet, althans niet tijdig aan haar heeft voldaan.
5.8.
Tussen partijen staat vast dat [opposant] het factuurbedrag voor dagvaarding, te weten op 2 mei 2025, aan SKN heeft voldaan. De vordering is, voor zover het de openstaande hoofdsom van € 836,06 betreft, dan ook niet toewijsbaar. Het verzet van [opposant] is in zoverre dan ook gegrond.

Contractuele rente
5.9.
De kantonrechter acht op grond van het door SKN bij conclusie van antwoord in verzet overgelegde e-mailbericht van 3 augustus 2025 en de daarbij overgelegde berichtdetails voldoende aannemelijk dat [opposant] de betreffende factuur op 3 augustus 2024 van SKN ontvangen heeft.
5.10.
Omdat [opposant] de factuur niet tijdig heeft betaald is hij in verzuim komen te verkeren. SKN stelt dat Berghman vanaf 3 september 2024 in verzuim is. SKN gaat hierbij, zo begrijpt de kantonrechter, uit van de op de factuur van 3 augustus 2024 genoemde betalingstermijn van 30 dagen. Op grond van artikel 6:83 sub a BW moet een fatale termijn echter tussen partijen worden overeengekomen. Niet gesteld of gebleken is dat partijen deze betalingstermijn als uiterste termijn zijn overeengekomen. Als een schuldeiser eenzijdig een betalingstermijn oplegt, is er geen sprake van een zogenoemde fatale termijn. In deze zaak is er dus geen sprake van een fatale termijn, althans SKN heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat partijen een fatale termijn zijn overeengekomen. Omdat er geen sprake is van een fatale termijn moest [opposant] in gebreke worden gesteld. De brief van 25 november 2024 van de (incasso)gemachtigde van SKN kan worden gezien als een ingebrekestelling. [opposant] heeft niet gemotiveerd betwist dat hij deze brief heeft ontvangen. In deze brief is een betalingstermijn van zestien dagen na ontvangst van de brief opgenomen. De kantonrechter gaat ervan uit dat deze brief met de gewone post op 26 november 2024 bij [opposant] is bezorgd en hij is dan ook vanaf 12 december 2024 in verzuim met betaling van de factuur en wettelijke rente verschuldigd. Nu [opposant], behoudens de stelling dat de hoofdsom is voldaan en hij op die grond geen rente verschuldigd is, geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de subsidiair gevorderde wettelijke rente wijst de kantonrechter dit toe over € 836,06 vanaf 12 december 2024 tot de dag van volledige betaling.

Buitengerechtelijke incassokosten
5.11.
SKN heeft ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). (De incassogemachtigde van) SKN heeft aan Mark een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag van € 151,75 aan buitengerechtelijke incassokosten komt ook overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
5.12.
De omstandigheid dat SKN ten onrechte bij de dagvaarding geen rekening heeft gehouden met de door [opposant] verrichte betaling van de hoofdsom betekent naar het oordeel van de kantonrechter niet dat [opposant] niet langer de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten aan SKN verschuldigd is. Wel dient dit, zoals hierna wordt toegelicht, gevolgen te hebben voor de proceskosten.

Proceskosten
5.13.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat [opposant] als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van SKN dient de dragen. De kantonrechter heeft echter op grond van artikel 237 lid 1 Rv de bevoegdheid de kosten die nodeloos zijn aangewend of veroorzaakt voor rekening van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte te laten.
5.14.
[opposant] was op het moment van de inleidende dagvaarding (28 mei 2025) nog de bijkomende kosten, zijnde de buitengerechtelijke incassokosten en de vervallen wettelijke rente over de hoofdsom, aan SKN verschuldigd. SKN is in die zin terecht tot dagvaarding overgegaan. SKN heeft echter ten onrechte geen rekening gehouden met de betaling van het factuurbedrag voor dagvaarding. Voor zover SKN stelt dat [opposant] de betaling aan SKN zelf in plaats van de (incasso)gemachtigde heeft verricht en SKN geen beschikking had over een betalingsbewijs overweegt de kantonrechter dat SKN met de betaling van 2 mei 2025 bekend was, althans bekend hoorde te zijn. Uit het door [opposant] overgelegde transactieoverzicht blijkt ook dat [opposant] bij de omschrijving van de betaling het betreffende factuurnummer heeft vermeld. In het geval SKN wel bekend was geweest met de betaling van de hoofdsom door [opposant] had het op de weg van (de (incasso)gemachtigde van) SKN gelegen om, alvorens tot dagvaarding over te gaan, [opposant] in de gelegenheid te stellen die kosten alsnog aan haar te voldoen.
5.15.
De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de proceskosten nodeloos door SKN zijn gemaakt. De proceskosten zullen dan ook voor rekening worden gelaten van de partij die deze kosten heeft veroorzaakt. Dit betekent dat de proceskosten, zowel in de verstek- als in de verzetprocedure worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Conclusie
5.16.
De conclusie is dat het verzet van [opposant] deels gegrond is, zodat het tussen partijen gewezen verstekvonnis niet in stand kan blijven. Dit verstekvonnis zal dan ook worden vernietigd.
6De beslissing
De kantonrechter
6.1.
vernietigt het vonnis van 13 augustus 2025 van de kantonrechter te Breda gewezen onder zaaknummer 11755855 CV EXPL 25-2072 en ontheft [opposant] van de in dat vonnis tegen hem uitgesproken veroordelingen,

en opnieuw beslissend
6.2.
veroordeelt [opposant] om aan SKN te betalen:

- een bedrag van € 151,75 aan buitengerechtelijke incassokosten;

- de wettelijke rente over € 836,06 vanaf 12 december 2024 tot de dag van volledige betaling,
6.3.
compenseert de kosten van de procedures tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

HR 4 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4358

De betaling van € 836,06 op 2 mei 2025 strekt op grond van artikel 6:44 BW eerst in mindering op de (buitengerechtelijke incasso)kosten, vervolgens in mindering van de verschenen wettelijke rente en tenslotte in mindering van de hoofdsom en de lopende wettelijke rente.

Artikel delen