Verhuiszaak. Verwijzing uniform hulpaanbod. Voorlopige beslissing ten aanzien van het hoofdverblijf, inschrijving school, inschrijving opvang, zorgregeling en kinderalimentatie.
ECLI:NL:RBZWB:2026:3925
text/xml
public
2026-05-28T12:01:12
2026-05-11
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-10
C/02/443136 / FA RK 25-6504
Uitspraak
Rekestprocedure
NL
Middelburg
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3925
text/html
public
2026-05-28T11:59:33
2026-05-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:3925 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 10-04-2026 / C/02/443136 / FA RK 25-6504
Verhuiszaak. Verwijzing uniform hulpaanbod. Voorlopige beslissing ten aanzien van het hoofdverblijf, inschrijving school, inschrijving opvang, zorgregeling en kinderalimentatie.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/443136 / FA RK 25-6504
datum uitspraak: 10 april 2026
beschikking over vaststelling hoofdverblijf, zorgregeling, vervangende toestemming inschrijving school en kinderalimentatie en verwijzing uniform hulpaanbod
in de zaak van
[de man]
,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. Ç. Bayrak in Bergen op Zoom,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. A.J.C. Odekerken in Breda ,
over de minderjarige:
– [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1.1.
In het dossier zitten de volgende stukken:
– het op 18 december 2025 ontvangen verzoekschrift vaststelling hoofdverblijf, zorgregeling, alimentatie en vervangende toestemming, met bijlagen;
– het op 4 februari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen;
– het op 6 februari 2026 ontvangen verweerschrift op de zelfstandige verzoeken, met bijlagen;
– het op 9 februari 2026 door mr. Odekerken overgelegde stuk.
1.2.
De zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2026. Bij die zitting waren aanwezig partijen met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
2.1.
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
2.2.
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.3.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
2.4.
Partijen hebben op 19 mei 2025 een ‘convenant verbreking samenleving’ ondertekend, maar zij hebben daarin geen afspraken gemaakt over [minderjarige] .
2.5.
Tussen partijen is een kortgeding procedure aanhangig geweest. Tijdens de zitting die plaatsvond op 20 januari 2026 hebben partijen hun vorderingen in conventie en in reconventie ingetrokken. De procedure is daarna doorgehaald.
3.1.
De vrouw heeft bij inleidend verzoekschrift verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen;
II. een zorgregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige] , waarbij [minderjarige] wekelijks van vrijdag uit opvang/school tot zondagavond bij de man verblijft, waarbij de man [minderjarige] vrijdag ophaalt en de vrouw [minderjarige] zondag bij de man ophaalt, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen zorgregeling;
III. te bepalen dat de vakanties en feestdagen zoveel mogelijk bij helfte tussen ouders wordt verdeeld waarbij de vrouw in de even jaren eerste keuze heeft en in de oneven jaren de man eerste keuze heeft, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen verdeling;
IV. de man wordt veroordeeld om met ingang van 1 januari 2025 bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met een bedrag van € 188,- per maand bij vooruitbetaling te voldoen, danwel een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bijdrage;
V. haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op [basisschool 1] ;
VI. kosten rechtens.
3.2.
De man heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw en verzocht om deze verzoeken af te wijzen.
Bij wijze van zelfstandige verzoeken heeft de man verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
I. te bepalen dat de vrouw binnen 14 dagen na afgifte van de beschikking, dan wel een door uw rechtbank te bepalen termijn, met de minderjarige dient terug te verhuizen naar een plaats gelegen binnen de grenzen van de gemeente Moerdijk en te bepalen dat de minderjarige in die gemeente op haar adres zal dienen te worden ingeschreven;
II. te bepalen dat de minderjarige per [geboortedag] 2026, of een datum die de school verkiest, naar de [basisschool 2] in [woonplaats 2] zal gaan, en voor zoveel nodig aan de man vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige op deze basisschool opnieuw in te schrijven;
III. te bepalen dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld, in die zin dat [minderjarige] bij de man verblijft wekelijks van donderdagavond 19:00 uur en met ingang van [geboortedag] 2026 wekelijks van donderdagmiddag na schooltijd tot zondagavond 19:00 uur, althans een voorlopige regeling vast te stellen totdat hierover definitief is beslist;
Subsidiair:
IV. te bepalen dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij de man zal zijn, en voor zoveel nodig aan de man vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige op zijn adres in te schrijven;
V. een nader te bepalen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, waarbij komt vast te staan op welke momenten de minderjarige bij de vrouw zal verblijven, althans een voorlopige regeling vast te stellen totdat hierover definitief is beslist;
VI. een door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] vast te stellen van € 702,75 per maand met ingang van de datum van de af te geven beschikking, dan wel een door de rechtbank vast te stellen bedrag en ingangsdatum.
3.3.
De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de man en verzocht deze verzoeken af te wijzen. Daarnaast heeft de vrouw haar verzoeken gewijzigd c.q. aangevuld. De vrouw verzoekt thans, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen;
II. een zorgregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige] , waarbij [minderjarige] wekelijks van vrijdag uit opvang/school tot zondagavond bij de man verblijft, waarbij de man [minderjarige] vrijdag ophaalt en de vrouw [minderjarige] zondag bij de man ophaalt, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen zorgregeling;
III. te bepalen dat de vakanties en feestdagen zoveel mogelijk bij helfte tussen ouders wordt verdeeld waarbij de vrouw in de even jaren eerste keuze heeft en in de oneven jaren de man eerste keuze heeft, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen verdeling;
IV. dat de man wordt veroordeeld om met ingang van 1 januari 2025 t/m 1 maart 2026 bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] met een bedrag van € 202,- per maand bij vooruitbetaling te voldoen en met ingang van 1 maart 2026 een bedrag van € 322, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bijdrage;
V. haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op [basisschool 1] ’
VI. haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven bij de [opvang] ;
VII. kosten rechtens.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.
Hoofdverblijf, zorgregeling, verhuizing, inschrijving school, inschrijving BRP en inschrijving opvang;
Wettelijk kader
4.1.
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
Op grond van lid 2 van dit artikel kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder andere omvatten:
een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken;
de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Het inschrijven van een minderjarig kind op het adres van één van beide ouders, op school en/of bij een opvang zijn gezagsbeslissingen die op grond van voormeld artikel 1:253a BW eveneens aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Dit geldt ook voor de toestemming voor een verhuizing met een minderjarige kind waarvoor de andere ouder geen toestemming verleent. Voor dat laatste geval zijn in de jurisprudentie verhuiscriteria ontwikkeld.
In artikel 1:253a lid 5 BW staat dat de rechter, voordat zij een beslissing neemt over het verzoek, eerst moet bekijken of de ouders afspraken kunnen maken met elkaar om zo het ontstane geschil tussen hen weg te nemen.
Verwijzing Uniform Hulpaanbod (UHA)
4.2.
Uit de overgelegde stukken en dat wat is besproken ter zitting is gebleken dat partijen in 2024 uit elkaar zijn gegaan. De man heeft de echtelijke woning in november 2024 verlaten, althans het was in ieder geval de afspraak tussen partijen dat de man dit zou doen. Begin december 2024 heeft er in de echtelijke woning een schoorsteenbrand plaatsgevonden, waardoor deze woning onbewoonbaar is geworden. De vrouw is vervolgens met [minderjarige] bij haar moeder in [woonplaats 1] ingetrokken. De vrouw en [minderjarige] verblijven daar nog steeds. De man heeft sinds het uiteengaan van partijen op verschillende locaties gewoond. Hij verblijft op dit moment in een tijdelijke woning in [woonplaats 2] .
Partijen hebben sinds hun feitelijk uiteengaan geprobeerd om samen (ook met hun advocaten er bij) tot afspraken te komen over de zorg voor [minderjarige] en alles wat daarmee samenhangt. Partijen komen er echter samen niet uit. Sterker nog, partijen zijn in de afgelopen maanden nog verder van elkaar verwijderd geraakt als het gaat om de vraag hoe ieder van hen de toekomst met [minderjarige] wil invullen. Het lukt partijen niet meer (goed) om naar elkaar te luisteren en daarnaast is er veel wantrouwen over en weer. Tussen de partijen is nu een situatie ontstaan waarin ze niet verder komen.
De vrouw wil zich met [minderjarige] definitief in [woonplaats 1] vestigen. Volgens de vrouw heeft [minderjarige] altijd haar hoofdverblijf de vrouw gehad en is dit nooit onderwerp van discussie tussen partijen geweest. [minderjarige] is volgens de vrouw inmiddels gewend aan de omgeving van [woonplaats 1] en heeft daar de rust en stabiliteit die zij nodig heeft. De vrouw ziet geen mogelijkheden om met [minderjarige] terug naar (de omgeving van) [woonplaats 2] te verhuizen.
De man wil dat de vrouw met [minderjarige] terugkeert naar (de omgeving van) [woonplaats 2] . Volgens de man hebben partijen altijd de intentie gehad dat [minderjarige] (in de omgeving van) [woonplaats 2] zou opgroeien en naar school toe zou gaan. Het verblijf van [minderjarige] in [woonplaats 1] zou slechts tijdelijk zijn. De man heeft nu het gevoel buiten spel te worden gezet. Gelet op de reistafstand tussen [woonplaats 1] en [woonplaats 2] is de man bang om straks geen of veel minder deel uit te maken van de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
4.3.
Zoals ter zitting met partijen is besproken, is de rechtbank van oordeel dat de communicatie en de samenwerking tussen partijen in het belang van [minderjarige] dringend moet verbeteren. Omdat partijen dit niet zonder (professionele) hulp kunnen, vindt de rechtbank het noodzakelijk dat zij hierbij zorg en ondersteuning krijgen. Tijdens de zitting is gebleken dat beide partijen bereid zijn om, in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) onder de begeleiding van professionele hulpverlening te werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking. De rechtbank zal partijen daarom, met hun instemming, verwijzen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio West-Brabant-West. De verwijzing heeft op 10 februari 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat de ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.4.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het
kind;- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met partijen besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn
van het kind; (lichte interventie);
– het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).
Voorlopige beslissing hoofdverblijf, inschrijving school en inschrijving opvang;
4.5.
Om ervoor te zorgen dat partijen binnen het UHA-traject op een goede manier met elkaar in gesprek kunnen gaan en (verdere) afspraken kunnen maken over [minderjarige] , is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de zaak niet in zijn geheel wordt aangehouden maar dat er in ieder geval nu wel al een (voorlopige) beslissing wordt gegeven over het hoofdverblijf van [minderjarige] en de inschrijving van haar op een basisschool. De huidige onrust tussen partijen lijkt immers vooral samen te hangen met de discussie over waar [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft en – als zij binnenkort vier jaar oud wordt – naar school toe zal gaan. Zodra daar – in ieder geval voor de komende periode – duidelijkheid over bestaat zodat [minderjarige] daadwerkelijk kan starten op school als zij vier jaar oud is, zal dit naar verwachting meer rust brengen in de onderlinge verstandhouding tussen partijen en zo een betere basis vormen om samen het gesprek over [minderjarige] aan te gaan.
4.6.
De rechtbank zal het hoofdverblijf van [minderjarige] voorlopig bij de vrouw bepalen en aan de vrouw voorlopige vervangende toestemming verlenen om [minderjarige] in te schrijven op [basisschool 1] en bij de [opvang] . De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij tot deze voorlopige beslissingen is gekomen.
4.7.
Vast staat dat er inmiddels al meer dan een jaar een situatie bestaat waarin [minderjarige] doordeweeks bij de vrouw (in [woonplaats 1] ) verblijft en ieder weekend van vrijdagmiddag uit de opvang tot zondagavond 18.30 uur bij de man (in [woonplaats 2] ) is. Tussen partijen bestaat discussie over of zij deze regeling samen hebben afgesproken, maar het is een feit dat de regeling al langere tijd zo loopt. Niet weersproken is verder dat de vrouw altijd de hoofdverzorgster van [minderjarige] is geweest. De vrouw werkt in de weekenden en is daardoor doordeweeks beschikbaar voor [minderjarige] . De man daarentegen werkt fulltime op doordeweekse dagen, waardoor hij op die dagen veel minder beschikbaar voor [minderjarige] is. Tegen voornoemde achtergrond en omdat er in het afgelopen anderhalf jaar al veel onrust in het leven van [minderjarige] is geweest, vindt de rechtbank voorlopige voortzetting van de huidige verblijfssituatie van [minderjarige] op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] heeft rust en stabiliteit nodig, zeker als zij gaat starten op school. Daarom zal de rechtbank de huidige situatie voorlopig in stand laten en het hoofdverblijf van [minderjarige] voorlopig bij de vrouw bepalen. De vrouw hoeft voorlopig niet met [minderjarige] terug te verhuizen naar (de omgeving van) [woonplaats 2] . De rechtbank vindt een nieuwe c.q. terugverhuizing op dit moment niet in het belang van [minderjarige] . Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat een terugkeer naar de echtelijke woning (opnieuw) tijdelijk zou zijn, omdat die woning – zo is niet weersproken – zal moeten worden verkocht. [minderjarige] zou in dat geval op korte termijn nog een keer moeten verhuizen. Dat is niet goed voor [minderjarige] . Het is belangrijk dat [minderjarige] in alle rust en vanuit haar huidige vertrouwde situatie bij de vrouw kan starten op de basisschool als zij vier jaar oud wordt. Het vorenstaande betekent ook dat aan de vrouw voorlopige toestemming zal worden verleend om [minderjarige] in te schrijven op [basisschool 1] en bij [opvang] .
Voorlopige beslissing zorgregeling
4.8.
Nu het hoofdverblijf van [minderjarige] voorlopig bij de vrouw wordt bepaald en [minderjarige] in [woonplaats 1] voorlopig naar school toe zal gaan, dient er een voorlopige zorgregeling tussen de man en [minderjarige] te worden vastgesteld die past bij deze situatie en het werkschema van beide ouders. De rechtbank zal daarvoor aansluiten bij de zorgregeling die nu inmiddels ruim een jaar zo loopt, namelijk waarbij [minderjarige] doordeweeks bij de vrouw verblijft en ieder weekend bij de man is. Op dit moment is het nog zo dat de vrouw op vrijdagmiddag opvang voor [minderjarige] nodig heeft, omdat zij op dat moment moet werken. De man werkt op dit moment op vrijdag ook nog, maar hij heeft ter zitting aangegeven dat hij minder zal gaan werken op het moment dat hij ook op vrijdag de zorg voor [minderjarige] zal hebben. Nu de man een grotere verzorgende rol voor [minderjarige] op zich wil nemen en hij het met zijn werk zo kan regelen dat hij [minderjarige] op vrijdag kan opvangen, zal de rechtbank bepalen dat [minderjarige] voorlopig ieder weekend vanaf vrijdagmiddag tot zondagavond bij de man verblijft, waarbij de man [minderjarige] op vrijdagmiddag bij de vrouw c.q. uit school ophaalt en de vrouw [minderjarige] op zondag bij de man ophaalt, de tijden in onderling overleg tussen partijen nader af te stemmen.
Daarnaast zal de rechtbank ook voorlopig bepalen dat de vakanties en feestdagen bij helfte tussen partijen worden verdeeld, nu partijen het over deze verdeling eens zijn.
Vervolgtraject verwijzing UHA
4.9.
Met vorenstaande voorlopige beslissingen wordt nadrukkelijk (nog) geen toestemming aan de vrouw verleend om definitief met [minderjarige] naar [woonplaats 1] te verhuizen. Tegelijkertijd betekent dit ook niet dat het verzoek van de man tot het geven van een bevel aan de vrouw om met [minderjarige] terug te verhuizen wordt afgewezen. De rechtbank zou partijen graag definitief duidelijkheid willen geven over hoe de toekomst met [minderjarige] er voor hen uit komt te zien, maar zij vindt het een verantwoordelijkheid van partijen om samen naar een definitieve oplossing te zoeken voor de situatie van [minderjarige] . [minderjarige] zal immers, ongeacht welke beslissing de rechtbank zal nemen, daardoor worden belast. Een door beide partijen gedragen oplossing is daarom in beginsel het meest in het belang [minderjarige] . Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat met een (definitieve) beslissing van de rechtbank op de verzoeken van partijen het probleem tussen partijen niet wordt opgelost. Partijen kunnen dan nog steeds niet goed samenwerken en overleggen over [minderjarige] , terwijl zij nog jaren met elkaar verder moeten als ouders van [minderjarige] . Partijen zijn allebei verantwoordelijk voor [minderjarige] en zullen de komende jaren in onderling overleg nog veelvuldig afspraken moeten maken en belangrijke beslissingen over [minderjarige] moeten nemen. Het is aan partijen om binnen het UHA-traject het gesprek met elkaar aan te gaan en samen te beslissen wat onder de huidige omstandigheden het beste voor [minderjarige] is, waarbij belangrijk is dat beide ouders een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] kunnen (blijven) spelen. De rechtbank hoopt dat partijen binnen het UHA-traject het met modder naar elkaar gooien kunnen stoppen en leren om (weer) naar elkaar te luisteren. Alleen dan kan het onderlinge vertrouwen tussen partijen herstellen en kunnen zij samen weer ouders worden voor [minderjarige] . Daar heeft [minderjarige] namelijk recht op.
4.10.
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
4.11.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten over of een nieuwe zitting nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot [minderjarige] .
4.12.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de raad. De raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.13.
Wanneer de raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.14.
Wanneer de raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de raad dit onderzoek te verrichten naar alle voorliggende geschilpunten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
– Welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
– Is een verhuizing van [minderjarige] naar [woonplaats 1] in het belang van [minderjarige] danwel in hoeverre verzetten de belangen van [minderjarige] zich tegen deze verhuizing?
– Is een terugverhuizing van [minderjarige] naar (de omgeving van) [woonplaats 2] in het belang van [minderjarige] en zo ja, met ingang van welke datum zou deze terugverhuizing dan moeten plaatsvinden?
– Is inschrijving van [minderjarige] op [basisschool 1] in het belang van [minderjarige] danwel op welke basisschool dient [minderjarige] te worden ingeschreven?
– Welke verdeling van de zorg- en opvoedtaken komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ? Hoe dient de zorgregeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden? Welke vakantieverdeling dient in het belang van [minderjarige] te worden vastgesteld?
– Zijn er tijdens het onderzoek nog andere feiten/omstandigheden naar voren gekomen die van belang zijn?
4.15.
Deze beschikking is een verzoek aan de raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.16.
Na een onderzoek of interventie van de raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.17.
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Kinderbijdrage
4.18.
De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen om met ingang van 1 januari 2025 tot en met 1 maart 2026 bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] met een bedrag van € 202,- per maand bij vooruitbetaling te voldoen en met ingang van 1 maart 2026 een bedrag van € 322,-.
Behoefte;
4.19.
Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarige is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. Het NBGI bestaat uit het netto maandinkomen van de man en de vrouw tezamen, eventueel te vermeerderen met kindgebondenbudget.
4.20.
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de minderjarige in het jaar 2024 € 880,- per maand was. Rekening houden met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte (tabelbedrag) in 2025 € 937,- per maand en in 2026 € 980,- per maand.
Draagkracht onderhoudsplichtigen;
4.21.
Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarige tussen de onderhoudsplichtigen moet worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2025 bij inkomens vanaf € 2.125,- per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.125,- per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
Draagkracht man
4.22.
Tussen partijen is niet in geschil dat, gelet op jaaropgave van 2025 van de man, het inkomen van de man € 52.769,- bedraagt. Echter stelt de man zich op het standpunt dat zijn werkuren bij zijn werkgever dient te worden verlaagd naar 80 % en dat daarom moet worden gerekend met een inkomen van € 38.895,- (exclusief vakantietoeslag). Deze vermindering van werkuren is noodzakelijk om de zorg voor de minderjarige doordeweeks te kunnen combineren met zijn werk. De vrouw voert verweer en stelt zich op het standpunt dat van het volledige inkomen van de man dient te worden uitgegaan, nu de man zijn dienstverband nog niet veranderd is. Het is dan ook nog onduidelijk of de man in de toekomst minder gaat werken.
4.23.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals vastgesteld zal de man ook doordeweeks de zorg voor de minderjarige op zich nemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de man voldoende heeft onderbouwd en toegelicht dat in de huidige omstandigheden van hem niet kan worden verwacht fulltime te werken. Nu partijen uit elkaar zijn, kan de man zijn fulltimebaan niet meer combineren met de (uitgebreidere) zorgregeling met de minderjarige. De rechtbank zal daarom uitgaan van een inkomen van € 2.992,- bruto per vier weken (exclusief vakantietoeslag), nu dit niet door de vrouw is betwist. Zoals onweersproken volgt uit de berekening van de man, overgelegd als productie 10 bij het verweerschrift, tevens houdend zelfstandig verzoek, bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man € 2.748,- per maand. Volgens de formule bedraagt zijn draagkracht dan € 391,- per maand.
Draagkracht vrouw
4.24.
Partijen zijn het erover eens om voor de vaststelling van de draagkracht van de vrouw uit te gaan van de berekeningen van de vrouw, overlegd als productie 17 bij het verweerschrift op het zelfstandig verzoek. Hieruit volgt dat de vrouw twee berekeningen heeft gemaakt: één berekening op basis van de huidige situatie en een berekening op basis van de nieuwe situatie per 1 maart 2026. De vrouw gaat namelijk vanaf die datum 24 uur per week werken, waardoor zij 67% van haar inkomen zal ontvangen.
Periode tot 1 maart 2026
4.25.
Uit de berekening van de vrouw volgt dat de vrouw bij een fulltime werkweek een netto besteedbaar inkomen heeft van € 3.630,- per maand. Volgens de formule bedraagt haar draagkracht dan € 862,- per maand.
Periode vanaf 1 maart 2026
4.26.
Uit de berekening van de vrouw volgt dat de vrouw bij een 24-uur werkweek een netto besteedbaar inkomen heeft van € 2.944,- per maand. Volgens de formule bedraagt haar draagkracht dan € 526,- per maand.
(Geen) draagkrachtvergelijking;
Periode tot 1 maart 2026
4.27.
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt derhalve € 1.253,- (€ 391,- + € 862,-). Dit bedrag overschrijdt de gezamenlijke behoefte van de minderjarige van € 937,- per maand en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het eigen aandeel van de man bedraagt: € 391,- / € 1.253 x € 937,- = € 292,-;
het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: € 862,- / € 1.253,- x € 937,- = € 645,-.
Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarige een gedeelte van € 292,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 645,- per maand voor rekening van de vrouw.
Periode vanaf 1 maart 2026
4.28.
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt derhalve € 917,- (€ 391,- +€ 526,-). Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege, omdat de totale draagkracht van partijen lager is dan de hiervoor becijferde behoefte van de minderjarigen van € 980,- per maand.
Zorgkorting
4.29.
Op het aandeel van de man dient in beginsel de zorgkorting in mindering te worden gebracht. De zorgkorting wordt uitgedrukt in een percentage van de behoefte.
4.30.
Gelet op de vast te stellen voorlopige zorgregeling gaat de rechtbank ervan uit dat de man gemiddeld drie dagen per week de zorg heeft voor de minderjarige. Hierbij hoort een zorgkorting van 35 %. Nu de behoefte van de minderjarige in 2025 € 937,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 327,- per maand. In 2026 bedraagt de behoefte van de minderjarige € 980,-, hetgeen een zorgkorting van € 343,- per maand bedraagt.
Periode tot 1 maart 2026
4.31.
Nu het recht op zorgkorting (€ 327,=) hoger is dan de beschikbare draagkracht (het eigen aandeel) van de man (€ 292,=), resteert er geen bedrag dat de man moet bijdragen aan de vrouw ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
Periode vanaf 1 maart 2026
4.32.
Nu de draagkracht van de onderhoudsplichtigen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien, wordt, na toepassing van de zorgkorting, het tekort aan beide onderhoudsplichtigen voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting. Het tekort in de behoefte bedraagt € 63,-, waarvan beide partijen de helft dienen te dragen. De door de man te betalen bijdrage wordt dan als volgt berekend: € 391,- [bedrag volledige draagkracht man] – (€ 343,- [bedrag zorgkorting] – € 31,50 [bedrag van de helft van het tekort]) = afgerond € 79,50. Die bijdrage acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
Ingangsdatum
4.33.
Uitgangspunt is artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek waarin de rechter een grote mate van vrijheid krijgt bij het vaststellen van een ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsplicht bepalend zijn, de datum van indiening van het verzoekschrift of de datum van de beschikking. De rechtbank acht het redelijk om de verplichting van de man tot betaling van de kinderbijdrage niet eerder vast te stellen dan op 18 december 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift. Partijen zijn al eerder in onderhandeling getreden, maar vanaf deze datum kon de man daadwerkelijk rekening houden met vaststelling van een door hem te betalen bijdrage door de rechtbank.
Conclusie
4.34.
Zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.31 is overwogen was de man in de periode tot 1 maart 2026 geen bijdrage verschuldigd. De rechtbank zal gelet op het voorgaande daarom de bijdrage van de man aan de vrouw in de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] per 1 maart 2026 voorlopig bepalen op een bedrag van € 79,50.
Tot slot
4.35.
De rechtbank zal iedere verdere (definitieve) beslissing op de verzoeken van partijen aanhouden voor de duur van negen maanden, in afwachting van de uitkomsten van het hulpverleningstraject van partijen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
4.36.
De voorlopig beslissingen zullen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat de rechtbank het belangrijk vindt dat de beslissingen meteen gelden, ook als een van partijen hoger beroep instelt.
De rechtbank:
5.1.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, het hoofdverblijf van [minderjarige] voorlopig bij de vrouw;
5.2.
verleent, uitvoerbaar bij voorraad, aan de vrouw, ter vervanging van de toestemming van de man, voorlopige toestemming om [minderjarige] in te schrijven op [basisschool 1] ;
5.3.
verleent, uitvoerbaar bij voorraad, aan de vrouw, ter vervanging van de toestemming van de man, voorlopige toestemming om [minderjarige] in te schrijven bij [opvang] ;
5.4.
stelt, uitvoerbaar bij voorraad, tussen de man en [minderjarige] een voorlopige zorgregeling vast inhoudende dat [minderjarige] ieder weekend vanaf vrijdagmiddag tot zondagavond bij de man verblijft, waarbij de man [minderjarige] op vrijdagmiddag bij de vrouw c.q. uit school ophaalt en de vrouw [minderjarige] op zondag bij de man ophaalt, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen;
5.5.
bepaalt de door de man voorlopig te bepalen bijdrage in de kosten en verzorging van de minderjarige [minderjarige] , met ingang van 1 maart 2026 op € 79,50 per maand;
5.6.
verwijst ouders en hun minderjarige kind voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. Het loket zal ouders en kind(eren) vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.7.
verzoekt het loket om uiterlijk op 12 januari 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
5.8.
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de raad;
5.9.
verzoekt de raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.10.
verzoekt de raad Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, om wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.14. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.11.
verzoekt de raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
5.12.
houdt iedere verdere (definitieve|) beslissing op de verzoeken van partijen aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 in aanwezigheid van mr. Lavrijssen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.