Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:3955

Ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing bij de ouder zonder gezag. Zorgen over de veiligheid en de complexe problematiek.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:3955
text/xml
public
2026-06-02T09:02:58
2026-05-11
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-10
C/02/446572 / JE RK 26-537
Uitspraak
Rekestprocedure
NL
Breda
Civiel recht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3955
text/html
public
2026-06-02T09:01:07
2026-06-02
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:3955 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 10-04-2026 / C/02/446572 / JE RK 26-537

Ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing bij de ouder zonder gezag. Zorgen over de veiligheid en de complexe problematiek.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/446572 / JE RK 26-537

Datum uitspraak: 10 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

Zeeland-West-Brabant, Breda,

hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige]
,

geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder]
,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat mr. G.H.M. van Laarhoven uit Tilburg.

De kinderrechter merkt als informanten aan:

[de vader]
,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2] .

[de stiefvader]

hierna te noemen: de stiefvader,

wonende in [woonplaats 1] ,

WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,

gevestigd in Amsterdam

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

<br /> 1Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

– het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 maart 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 april 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:

– een vertegenwoordiger van de Raad;

– de moeder met haar advocaat;

– de vader;

– de stiefvader

1.3.

Van de GI heeft de kinderrechter vernomen dat de GI niet naar de rechtbank kon komen in verband met ziekte en de krappe personele bezetting. De kinderrechter besluit de zitting voort te zetten bij afwezigheid van de GI.

1.4

De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om haar mening te geven over de verzoeken. [minderjarige] heeft haar mening gedeeld in een gesprek met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat weergegeven wat [minderjarige] van het verzoek vindt.

<br /> 2De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] woonde tot 14 maart 2026 bij de moeder en stiefvader. Van 14 maart 2026 tot 20 maart 2026 heeft zij op een crisisgroep verbleven. Sinds 20 maart 2026 verblijft [minderjarige] bij haar vader, met instemming van de moeder.

<br /> 3Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar.

3.2.

Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader, zonder gezag, te verlenen voor de duur van zes maanden.

3.3.

De Raad verzoekt de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

<br /> 4Het standpunt van de Raad

4.1.

Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . [minderjarige] loopt het risico zich in onveilige situaties te begeven, door haar verdovende middelengebruik, door haar zelfbepalende gedrag en door het feit dat zij wegloopt. Er zijn bovendien vermoedens dat [minderjarige] zich bevindt in een risicovol netwerk. [minderjarige] heeft autisme en een licht verstandelijke beperking, waardoor zij (risicovolle) situaties onvoldoende kan inschatten. Zij overziet de consequenties van haar handelen niet of onvoldoende en kan vlak, emotieloos, primair en boos reageren. Er hebben escalaties in de thuissituatie bij moeder en stiefvader en vernielingen door [minderjarige] plaatsgevonden. Ook de emotionele ontwikkeling van [minderjarige] wordt bedreigd door haar somberheid, suïcidale gedachten en – in het verleden – automutilatie. Tot slot bestaan er zorgen over de cognitieve ontwikkeling van [minderjarige] , aangezien zij al lange tijd niet naar school gaat en geen dagbesteding heeft.

4.2.

De moeder is bereid de hulpverlening aan te gaan, maar is op dit moment onvoldoende in staat onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen. De moeder en de stiefvader hebben enorm hun best gedaan voor [minderjarige] . Zij hebben geleden onder het gedrag van [minderjarige] en het is onveilig geweest in hun eigen huis. De moeder is overbelast en niet meer in staat om [minderjarige] op te vangen op de korte termijn. Het is nog maar een korte periode tot [minderjarige] meerderjarig is. Gelet daarop is het belangrijk dat de GI zo snel als mogelijk een vaste jeugdbeschermer beschikbaar heeft.

4.3.

Ook de uithuisplaatsing van [minderjarige] is noodzakelijk omdat de situatie tussen de moeder en [minderjarige] niet meer houdbaar en voldoende veilig is. Er vinden met regelmaat escalaties plaats in de thuissituatie, die zich uiten in verbaal en fysiek geweld. De moeder kan [minderjarige] onvoldoende begrenzen en stimuleren om aan te haken bij school en hulpverlening. De moeder voelt zich overbelast. [minderjarige] verblijft momenteel bij haar vader. Deze plaatsing is bedoeld ter overbrugging, tot er een – noodzakelijke – plek is voor [minderjarige] op een groep. [minderjarige] heeft behandeling en intensieve zorg nodig, op een groep die is gespecialiseerd in de combinatie van LVB-problematiek en autisme. Deze plek is thans nog niet direct beschikbaar. Wel onderzoekt [zorginstelling] inmiddels de mogelijkheden hiervoor. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verzocht voor de duur van zes maanden, in de verwachting dat een dergelijke plek binnen die periode gerealiseerd moet kunnen worden. Voor de verdere toekomst worden de mogelijkheden onderzocht voor (zelfstandig) begeleid wonen, bij een accommodatie die in haar problematiek is gespecialiseerd. De Raad verwacht dat de huidige situatie van [minderjarige] bij de vader thuis niet voor lange tijd houdbaar is. Van de GI wordt dan ook verwacht dat zij in deze overbruggingsperiode ambulante hulp gaan inzetten voor [minderjarige] en in de thuissituatie bij vader. De Raad is van mening dat moet worden uitgesloten dat [minderjarige] terug naar de moeder kan als het niet goed loopt bij de vader. Dit ter bescherming van de moeder en de stiefvader.

<br /> 5Het standpunt van de moeder

Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in de verzoeken. De moeder geeft aan dat [minderjarige] het niet verdient, maar dat ze de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing wel nodig heeft. De moeder heeft alles geprobeerd om [minderjarige] te ondersteunen, maar zij kan niet bieden wat [minderjarige] nodig heeft. De moeder benoemt dat het geen falen van iemand is. [zorgorganisatie] kwam wekelijks bij de moeder, met name ter ondersteuning van de moeder en stiefvader. Sinds [minderjarige] bij de vader verblijft gaat [zorgorganisatie] naar de vader. [zorgorganisatie] kwam ook om met [minderjarige] te praten, maar dat lukte vaak niet. De moeder maakt zich zorgen over het feit dat de GI niet naar de zitting is gekomen en hoopt dat zij wel betrokken genoeg zijn om goed en tijdig in te grijpen als de situatie bij de vader explodeert. De gemeente had eerder zelfs het voornemen een verzoek in het kader van de Jeugdwet in te dienen, maar heeft dat niet gedaan omdat deze zaak voorligt.

<br /> 6Het standpunt van informanten

6.1.

Door de vader is, samengevat, naar voren gebracht dat hij achter de verzoeken staat. De vader steunt [minderjarige] . De vader staat open voor hulpverlening, maar is niet tevreden met [persoon] van [zorgorganisatie] . [minderjarige] sluit zich af en zit in haar hoofd. Zij heeft regelmaat nodig. De vader stimuleert haar om werk te zoeken.

6.2.

Door de stiefvader is naar voren gebracht dat hij op een lijn staat met de moeder.

<br /> 7De beoordeling

Ondertoezichtstelling

7.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

7.2.

Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging gelet op de grote zorgen omtrent [minderjarige] . [minderjarige] heeft autisme en een licht verstandelijke beperking. Daardoor is zij onvoldoende in staat de consequenties van haar handelen in te zien. Er is lange tijd sprake geweest van onveiligheid in de thuissituatie bij de moeder door het zelfbepalende gedrag van [minderjarige] . Dit uit [minderjarige] vaak op een emotieloze of juist boze en agressieve manier of zij loopt weg. Ook is [minderjarige] beïnvloedbaar, gebruikt zij drugs en zijn er vermoedens dat zij zich in een risicovol netwerk bevindt. Dit maakt de situatie rondom [minderjarige] kwetsbaar. Daarnaast gaat [minderjarige] al een lange periode niet naar school toe, waardoor er ook zorgen bestaan over haar cognitieve ontwikkeling. Afgelopen maand is sprake geweest van een crisisperiode. Dit heeft veel impact gehad op het gezin, maar met name ook op de emotionele gesteldheid van [minderjarige] . [minderjarige] heeft sombere gedachten. [minderjarige] heeft het gevoel dat zij veel fout doet. De crisissituatie lijkt deze gedachten te hebben versterkt.

7.3.

De moeder accepteert de hulpverlening, maar de grote zorgen en de complexiteit van de problematiek van [minderjarige] maken dat hulpverlening in het vrijwillig kader niet meer mogelijk is. Vanwege het zelfbepalende gedrag van [minderjarige] is zij moeilijk te begrenzen. Er is regelmatig sprake geweest van onveilige situaties bij de moeder en de moeder heeft zich onveilig gevoeld in haar eigen huis. Eerdere hulpverleners drongen niet voldoende door tot [minderjarige] . Zowel de moeder, als de vader, als de stiefvader zijn het erover eens dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is. [minderjarige] heeft zo snel als mogelijk behandeling nodig. Ook moet onderzocht worden welke andere hulpverlening op de langere termijn nodig is. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat [minderjarige] zich openstelt voor de hulpverlening, zodat zij kan groeien tot een gelukkige volwassene. Het is belangrijk dat [minderjarige] wordt begeleid in haar emotionele en cognitieve ontwikkeling, aangezien zij op dit moment enorm is vastgelopen. [minderjarige] heeft ondersteuning nodig en iemand om mee te praten. Gelet op de grote zorgen, de complexiteit van de situatie en het feit dat [minderjarige] over minder dan een jaar meerderjarig is, is het belangrijk dat de GI de zaak hoog prioriteert zodat de zaak zo snel als mogelijk oppakt kan worden en de behandeling kan starten.

7.4.

De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling niet uitspreken voor een jaar, zoals verzocht, maar tot [geboortedag] 2027, omdat [minderjarige] op die dag achttien jaar wordt.

7.5.

De doelen waaraan tijdens de ondertoezichtstelling gewerkt moet worden, zijn:

[minderjarige] groeit op in een (fysiek en emotioneel) veilige, stabiele en voorspelbare opvoedingsomgeving;

Het contact tussen [minderjarige] en moeder en stiefvader is ontspannen;

Ouders en stiefvader sluiten aan bij de opvoedbehoeften van [minderjarige] (LVB, autisme, haar zelfbepalende gedrag en haar mentale welzijn);

Moeder en stiefvader geven openheid over hun alcoholgebruik om te kunnen komen tot een veilige opvoedingsomgeving;

[minderjarige] kan haar emoties op een fysiek en verbaal geweldloze wijze uiten;

[minderjarige] is mentaal gezond (geen sombere gedachten/gevoelens, geen suïcidale gedachten en automutilatie);

[minderjarige] heeft een zinvolle dagbesteding in de vorm van onderwijs of werk;

[minderjarige] gebruikt geen verdovende middelen;

[minderjarige] heeft duidelijkheid over haar woon-/opgroeiperspectief.

Uithuisplaatsing

7.6.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

7.7.

Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter dat ook aan de voorwaarden voor het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing bij vader wordt voldaan. De situatie van [minderjarige] bij de moeder en stiefvader thuis is niet houdbaar. Er was regelmatig sprake van onveilige situaties waarbij zowel fysiek als verbaal geweld werd gebruikt. De vader heeft – met de beste intenties – aangeboden dat [minderjarige] bij hem kan verblijven. De angel is daardoor even uit de situatie gehaald. Het is echter belangrijk dat er op de kortst mogelijk termijn begeleiding komt in de thuissituatie bij de vader, zowel voor [minderjarige] als de vader. De vader en [minderjarige] hebben een goede band, maar de vader heeft afgelopen jaren op de achtergrond gestaan voor wat betreft de zorg voor de problematiek van [minderjarige] . Hij moet begeleid worden om [minderjarige] te kunnen sturen en ondersteunen. De kinderrechter merkt op dat op zitting door de Raad is uitgesproken dat het uitgesloten is dat [minderjarige] terug naar de moeder gaat als het verblijf bij de vader niet goed verloopt. Dit is niet vanuit onwil van de moeder, maar omdat de situatie op dit moment te onveilig is voor zowel [minderjarige] als de moeder.

7.8.

Daarnaast is het belangrijk dat door alle aanwezigen op de zitting is uitgesproken dat de plaatsing van [minderjarige] bij de vader alleen voor een – beperkte – overbruggingsperiode is bedoeld. De Raad verwacht dat de plaatsing van [minderjarige] bij de vader ook niet lang houdbaar zal zijn en heeft geadviseerd [minderjarige] zo snel mogelijk op een behandelgroep te plaatsen. [minderjarige] heeft meer behandeling en begeleiding nodig dan zij in de thuissituatie bij de vader kan krijgen. Het is daarom belangrijk dat de GI, samen met [zorginstelling] of een andere instantie, zoekt naar een passende plek op een behandelgroep voor [minderjarige] . Op het moment dat die gevonden is, is het aan de GI om een passende machtiging te verzoeken. Het is belangrijk dat [minderjarige] op een groep wordt geplaatst waar rust en veiligheid wordt geboden en waar zij kan worden onderzocht, zodat de best passende behandeling en begeleiding kan worden ingezet. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor de duur van zes maanden, zoals verzocht.

Uitvoerbaar bij voorraad

7.9.

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is

verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.10.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

<br /> 8De beslissing

De kinderrechter:

8.1.

stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 10 april 2026 tot [geboortedag] 2027;

8.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij vader (ouder zonder gezag) met ingang van 10 april 2026 tot 10 oktober 2026;

8.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 door mr. Felix, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 22 april 2026.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel delen