NTB
ECLI:NL:RBZWB:2026:4141
text/xml
public
2026-05-28T09:00:32
2026-05-15
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-15
BRE 26/1573
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Breda
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4141
text/html
public
2026-05-27T14:07:28
2026-05-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:4141 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-05-2026 / BRE 26/1573
NTB
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1573
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op het verzoek van 20 december 2025 om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk?
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Eiser heeft het verzoek op 20 december 2025 ingediend. Bij brief van 20 januari 2025 heeft het college de beslistermijn verdaagd tot en met 4 februari 2026. Op 4 februari 2026 heeft het college op het verzoek van eiser beslist. De rechtbank stelt vast dat het college hiermee binnen de termijn heeft beslist. Daarom kan de rechtbank geen beslistermijn opleggen en hoeft het college geen dwangsom aan eiser te betalen.
3.1.
De rechtbank begrijpt uit de brief van eiser van 5 februari 2026 dat hij het niet eens is met het besluit van 4 februari 2026. Aangezien de inhoudelijke standpunten van partijen nog onvoldoende zijn uitgekristalliseerd, ziet de rechtbank aanleiding het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit van 4 februari 2026 te verwijzen naar het college ter behandeling als bezwaar.
3.2.
Dit betekent dat de rechtbank het beroepschrift als bezwaarschrift zal doorzenden aan het college onder gelijktijdige mededeling hiervan. Nu dit beroep reeds in het bezit is van het college zal de rechtbank het beroepschrift niet opnieuw toezenden en volstaan met deze mededeling.
4. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De rechtbank verklaart het beroep kennelijk niet ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 15 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Artikel 6:20, vierde lid, van de Awb maakt dit mogelijk.
Ingevolge artikel 6:15 van de Awb.