Bijdrage Zvw. Beroep ongegrond.
ECLI:NL:RBZWB:2026:4359
text/xml
public
2026-05-28T09:00:38
2026-05-20
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-19
23/12420
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Breda
Bestuursrecht; Belastingrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4359
text/html
public
2026-05-27T16:35:16
2026-05-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:4359 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 19-05-2026 / 23/12420
Bijdrage Zvw. Beroep ongegrond.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/12420
en
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 9 november 2023.
1.1.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) die op zijn AOW-uitkering is ingehouden.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende afgewezen.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen: mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.
1.4.
Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op
15 januari 2026, aan het op het beroepschrift vermelde adres [adres] te [woonplaats] , onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd om op zitting te verschijnen. De aangetekend verzonden uitnodiging is op 4 februari 2026 retour gekomen bij de rechtbank. De uitnodiging is daarom op 6 februari 2026 nogmaals per gewone post aan belanghebbende gezonden. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.
2. De rechtbank beoordeelt of op de uitkering van belanghebbende terecht een bijdrage Zvw is ingehouden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is terecht een bijdrage Zvw ingehouden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende is geboren op [geboortedag] 1956.
3.1.
Belanghebbende ontving vanaf [dag] oktober 2023 een AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). In oktober 2023 heeft belanghebbende een uitkering ontvangen van in totaal € 235. Daarop heeft de SVB € 45 aan loonheffing en € 13 aan bijdrage Zvw ingehouden.
3.2.
Belanghebbende heeft op 24 oktober 2023 bezwaar gemaakt tegen de ingehouden bijdrage Zvw. Het bezwaarschrift is geadresseerd aan de SVB.
3.3.
De SVB heeft het bezwaarschrift doorgezonden aan de inspecteur. De inspecteur heeft het bezwaar ontvangen op 2 november 2023.
3.4.
De inspecteur heeft het bezwaar bij brief van 9 november 2023 afgewezen. Tussen partijen is niet in geschil dat deze brief moet worden aangemerkt als een uitspraak op bezwaar.
4. Belanghebbende stelt dat hij de bijdrage Zvw niet wenst te betalen en dat daartoe geen verplichting bestaat. Daartoe voert belanghebbende aan dat de zorg die zijn vader en moeder hebben ontvangen ondermaats was en dat hij deze zorg zelf beter heeft verleend. De wet wordt niet humaan uitgevoerd, aldus belanghebbende.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat er een wettelijke verzekeringsplicht bestaat en dat een verzekeringsplichtige een inkomensafhankelijke bijdrage is verschuldigd over het in een kalenderjaar genoten bijdrage-inkomen. Belanghebbende kan niet vanwege persoonlijke ervaringen met de daadwerkelijk verleende zorg afzien van zijn wettelijke verzekeringsplicht en de heffing inkomensafhankelijke bijdrage Zvw.
4.2.
Voor zover belanghebbende met zijn stelling de redelijkheid van de wettelijke bepaling ter discussie stelt, merkt de rechtbank het volgende op. De rechter dient, gelet op artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, volgens de wet recht te spreken en mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen. De wet – in dit geval de Zorgverzekeringswet – voorziet in de heffing van een inkomensafhankelijk bijdrage Zvw. De Zorgverzekeringswet is een wet in formele zin en de redelijkheid van de inhoud daarvan staat dan niet ter beoordeling aan de rechter.
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van de ingehouden bijdrage Zvw.
5.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Ook krijgt belanghebbende het griffierecht niet vergoed.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 19 mei 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Ter voldoening aan het bepaalde uit artikel 8:38 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikelen 1, 2 en 43 van de Zorgverzekeringswet.
Stb 1822, 10 en Stb 1829, 28